Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RBDHA:2023:404 ECLI:NL:RBDHA:2023:404 AI generated

ECLI:NL:RBDHA:2023:404 · Rechtbank Den Haag

Case Number ECLI:NL:RBDHA:2023:404
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

Rechtbank DEN HAAG Team belastingrecht zaaknummers: SGR 22/258 en SGR 22/259 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 januari 2023 in de zaken tussen Stichting [eiseres], te [vestigingsplaats], eiseres (gemachtigde: drs. G.J.W. de Ruiter), en de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder. Procesverloop Eiseres heeft voor de jaren 2019 en 2020 op aangifte verhuurderheffing voldaan. Verweerder heeft bij uitspraken op bezwaar van 1 december 2021 de bezwaren tegen de op aangifte voldane verhuurderheffing afgewezen. Eiseres heeft daartegen beroep ingesteld.

Legislator headnote

AI generated

artikel 14 van het EVRM; ECLI:NL:RBDHA:2023:404 · Rechtbank Den Haag: Artikel 1.4 van de Wet maatregelen woningmarkt 2014 II (de Wet) maakt weliswaar geen onderscheid tussen mede-eigenaren en volle eigenaren, maar in artikel 1.3 van de Wet wordt tussen hen wel een onderscheid gemaakt. Deze bepaling ziet immers uitsluitend op mede-eigenaren. Er is dus sprake van subjectgebonden omstandigheden die zich niet voordoen en zich ook niet voor kunnen doen bij volle eigenaren. Het arrest van de Hoge Raad ziet uitsluitend op artikel 1.3 van de Wet en dus op de situatie van mede-eigendom. Nu de hier in geding zijnde voldoening van verhuurderheffing door eiseres alleen betrekking heeft op onroerende zaken die eiseres in vol eigendom heeft, is geen sprake van ongelijke behandeling van gelijke gevallen.

Keywords

AI generated
property tax family taxation real tax tax system property tax assessment real estate income

Cited Legislation

AI generated
artikel 14 van het EVRM
Voor het jaar 2019 is in geschil of de heffing van verhuurderheffing ten aanzien van eiseres in strijd is met het gelijkheidsbeginsel zoals dat voortvloeit uit artikel 26 van het IVBPR, artikel 14 van het EVRM en artikel 1 van het Twaalfde Protocol bij het EVRM (het gelijkheidsbeginsel).

Cited Case Law

AI generated
AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

Rechtbank DEN HAAG Team belastingrecht zaaknummers: SGR 22/258 en SGR 22/259 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 januari 2023 in de zaken tussen Stichting [eiseres], te [vestigingsplaats], eiseres (gemachtigde: drs. G.J.W. de Ruiter), en de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder. Procesverloop Eiseres heeft voor de jaren 2019 en 2020 op aangifte verhuurderheffing voldaan. Verweerder heeft bij uitspraken op bezwaar van 1 december 2021 de bezwaren tegen de op aangifte voldane verhuurderheffing afgewezen. Eiseres heeft daartegen beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Eiseres heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 november 2022. Eiseres is vertegenwoordigd door haar gemachtigde, bijgestaan door [A]. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. [B]. Tijdens het onderzoek ter zitting zijn de beroepen met de zaaknummers SGR 22/329, 22/330, 22/262, 22/271, 22/265, 22/270, 22/261, 22/267, 22/266, 22/268, 22/272, 22/325, 22/324, 22/327, 22/263, 22/264, 22/326, 22/328, 22/2387, 22/2388, 22/4139, 22/4149, 22/4192, 22/4191, 22/4189, 22/4190, 22/4187, 22/4188, 22/4186, 22/4185, 22/4184, 22/4182, 22/4183, 22/4180, 22/4181, 22/4178, 22/4179, 22/7614, 22/7616, 22/7620, 22/7622, 22/7623, 22/7624, 22/7628, 22/7090, 22/7092, 22/7093, 22/7094, 22/7095, 22/7096, 22/7097, 22/7105 en 22/7106 gelijktijdig en gezamenlijk behandeld.

Overwegingen Geschil 1. Voor het jaar 2019 is in geschil of de heffing van verhuurderheffing ten aanzien van eiseres in strijd is met het gelijkheidsbeginsel zoals dat voortvloeit uit artikel 26 van het IVBPR, artikel 14 van het EVRM en artikel 1 van het Twaalfde Protocol bij het EVRM (het gelijkheidsbeginsel). Voor het jaar 2020 is in geschil of aan de reparatiewetgeving (de reparatiewetgeving) naar aanleiding van het arrest van de Hoge Raad van 8 juni 2018 (het arrest) terugwerkende kracht mocht worden toegekend.

2. Eiseres stelt voor het jaar 2019 dat door het arrest een ongelijke behandeling is ontstaan tussen personen die onroerende zaken waarop de verhuurdersheffing van toepassing is in mede-eigendom hebben enerzijds en personen die dergelijke onroerende zaken in vol eigendom hebben anderzijds. Primair stelt zij dat sprake is van een ongelijke behandeling van gelijke gevallen. Subsidiair stelt zij dat sprake is van ongelijke gevallen die niet evenredig aan die ongelijkheid ongelijk worden behandeld. Aldus is volgens eiseres sprake van schending van het gelijkheidsbeginsel. Die ongelijke behandeling is in stand gebleven door het uitblijven van reparatiewetgeving. Daarnaast voert de Belastingdienst volgens eiseres jegens gezamenlijke eigenaren (begunstigend) beleid op grond waarvan een huurwoning, ondanks het bestaan van belastingplicht ingevolge artikel 1.4 Wet maatregelen woningmarkt 2014 II (WMW 2014 II), niet in de aangifte behoeft te worden opgenomen.

3. Met betrekking tot het jaar 2020 is eiseres van mening dat het toekennen van formeel terugwerkende kracht bij de invoering van de reparatiewetgeving een niet-gerechtvaardigde inbreuk is op het recht op ongestoord genot van eigendom op grond van artikel 1, eerste protocol EVRM en in strijd is met het rechtszekerheidsbeginsel als beginsel van behoorlijke wetgeving. Op basis van het rechtszekerheidsbeginsel is eiseres van mening dat de reparatiewetgeving niet eerder in werking kan treden dan de datum van publicatie in de Staatscourant, te weten 14 juli 2020. Het vervallen van formeel terugwerkende kracht heeft tot gevolg dat de zich in 2019 voordoende schending van het gelijkheidsbeginsel zich voortzet in 2020. De wetgever heeft door de te late invoering van reparatiewetgeving de door het arrest van de Hoge Raad ontstane ongelijkheid bewust in stand gelaten.

4. Verweerder stelt zich op het standpunt dat geen sprake is van schending van het gelijkheidsbeginsel en dat de wetgever aan de reparatiewetgeving terugwerkende kracht heeft kunnen en mogen toekennen. Beoordeling van het geschil Schending gelijkheidsbeginsel 5. Van schending van het gelijkheidsbeginsel is primair sprake wanneer gevallen die feitelijk en rechtens gelijk zijn ongelijk worden behandeld. Naar het oordeel van de rechtbank behoren mede-eigenaren en volle eigenaren niet zowel feitelijk als rechtens tot dezelfde groep en is geen sprake van feitelijk en rechtens gelijke gevallen.

Artikel 1.4 van de Wet maatregelen woningmarkt 2014 II (de Wet) maakt weliswaar geen onderscheid tussen mede-eigenaren en volle eigenaren, maar in artikel 1.3 van de Wet wordt tussen hen wel een onderscheid gemaakt. Deze bepaling ziet immers uitsluitend op mede-eigenaren. Er is dus sprake van subjectgebonden omstandigheden die zich niet voordoen en zich ook niet voor kunnen doen bij volle eigenaren. Het arrest van de Hoge Raad ziet uitsluitend op artikel 1.3 van de Wet en dus op de situatie van mede-eigendom. Nu de hier in geding zijnde voldoening van verhuurderheffing door eiseres alleen betrekking heeft op onroerende zaken die eiseres in vol eigendom heeft, is geen sprake van ongelijke behandeling van gelijke gevallen.

De rechtbank volgt eiseres evenmin in haar stelling dat sprake is van ongelijke gevallen die onevenredig ongelijk worden behandeld. Daarbij overweegt de rechtbank dat de ongelijke behandeling een direct uitvloeisel is van de gevolgen van het arrest van de Hoge Raad van 8 juni 2018. Dat maakt dat geen sprake is van de vermeende (ongeoorloofde) onevenredige behandeling. Dat de ongelijke behandeling verder gaat dan die voortvloeit uit dit arrest heeft eiseres niet concreet aangevoerd en/of inzichtelijk gemaakt en is ook overigens niet gebleken. Begunstigend beleid 6.

Onder begunstigend beleid moet worden verstaan dat verweerder voor bepaalde gevallen bewust een standpunt inneemt dat voor deze groep gunstiger is dan wanneer de wet op de normale manier wordt toegepast. Het arrest van de Hoge Raad van 8 juni 2018 heeft tot gevolg dat artikel 1.3 van de Wet buiten toepassing dient te blijven. Als gevolg daarvan kan geen sprake meer zijn van een “normale” toepassing van de wet. Dat de belastingdienst in dat kader heeft meegedeeld dat onroerende zaken die in mede-eigendom zijn niet meer in de aangifte voor de verhuurdersheffing behoeven te worden opgenomen, is het rechtstreekse gevolg van dat arrest.

Een dergelijke mededeling kan niet worden aangemerkt als begunstigend beleid. Terugwerkende kracht reparatiewetgeving 7. De reparatiewetgeving ziet uitsluitend op de situatie van mede-eigendom waarvan bij eiseres geen sprake is. Of aan die wetgeving terugwerkende kracht mocht worden toegekend, is voor de positie en de belastingplicht als zodanig van eiseres dus niet van belang. Ook indien de reparatiewetgeving pas per 14 juli 2020 geacht moet worden in werking te zijn getreden, heeft dat voor haar op zichzelf geen gevolgen. Dat zou alleen anders kunnen zijn wanneer sprake zou zijn van schending van het gelijkheidsbeginsel.

Nu de rechtbank eiseres niet volgt in haar stelling dat voor het jaar 2019 sprake is van een schending van het gelijkheidsbeginsel kan van een voortbestaan in 2020 van zo’n schending evenmin sprake zijn. Hetgeen eiseres heeft aangevoerd over de ongeoorloofde terugwerkende kracht bij de invoering van de reparatiewet verhuurderheffing behoeft daarom geen verdere behandeling. Verzoek stellen van prejudiciële vragen aan de Hoge Raad 8. Eiseres heeft de rechtbank verzocht om over te gaan tot het stellen van prejudiciële vragen aan de Hoge Raad. De rechtbank is niet verplicht tot het stellen van prejudiciële vragen aan de Hoge Raad en ziet in hetgeen eiseres heeft aangevoerd daartoe ook geen reden.

9. Gelet op wat hiervoor is overwogen, dienen de beroepen ongegrond te worden verklaard. Proceskosten 10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. G.J. Ebbeling, rechter, in aanwezigheid van mr. A.J. Kwestro, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 10 januari 2023. griffier rechter Afschrift verzonden aan partijen op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (team belastingrecht), Postbus 20302, 2500 EH Den Haag. Wet van 8 juli 2020 tot wijziging van de Wet maatregelen woningmarkt 2014 II (reparatie verhuurderheffing bij gedeeld genot huurwoningen), Staatsblad 2020, 243. ECLI:NL:HR:2018:846