Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RBDHA:2023:374 ECLI:NL:RBDHA:2023:374 AI generated

ECLI:NL:RBDHA:2023:374 · Rechtbank Den Haag

Case Number ECLI:NL:RBDHA:2023:374
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Rotterdam Bestuursrecht zaaknummer: NL21.17130 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [naam eiser] , eiser V-nummer: [V-nummer] (gemachtigde: mr. F. Boone), en de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: [naam gemachtigde] ). Procesverloop Verweerder heeft bij besluit van 14 oktober 2021 de asielaanvraag ingewilligd en een bestuurlijke dwangsom van € 230,- aan eiser toegekend. Verweerder heeft op 27 oktober 2021 een aanvullend besluit (bestreden besluit) genomen en daarin aangegeven dat aan eiser ten onrechte een bestuurlijke dwangsom is toegekend. Op 27 oktober 2021 heeft eiser beroep ingesteld tegen het aanvullende besluit. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Eiser heeft hierop aanvullende gronden ingediend. Overwegingen 1. De rechtbank nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in deze zaak niet nodig is.

Legislator headnote

AI generated

artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht, artikel 4:17 van de Awb; ECLI:NL:RBDHA:2023:374 · Rechtbank Den Haag: Verweerder heeft bij het besluit van 14 oktober 2021 vastgesteld dat hij op grond van artikel 4:17 van de Awb een dwangsom van € 230,- is verschuldigd. Bij het bestreden besluit heeft verweerder onder verwijzing naar de Tijdelijke wet gesteld dat de eerder vastgestelde dwangsom ten onrechte is toegekend en dat het toegezonden declaratieformulier als niet verstuurd kan worden beschouwd.

Keywords

AI generated
delayed asylum application application for enforcement - Decision challenge of administrative decisions stay of deportation order administrative default forfeiture of administrative claim

Cited Legislation

AI generated
artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht
De rechtbank nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in deze zaak niet nodig is.
artikel 4:17 van de Awb
Verweerder heeft bij het besluit van 14 oktober 2021 vastgesteld dat hij op grond van artikel 4:17 van de Awb een dwangsom van € 230,- is verschuldigd.

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:RBDHA:2022:2641
RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Arnhem Bestuursrecht zaaknummer: NL21.16269 uitspraak van de meervoudige kamer van 24 maart 2022 in de zaak tussen [eiser] , v-nummer: [nummer] , eiser (gemachtigde: mr.
ECLI:NL:RVS:2022:3352
202203066/1/V1. Datum uitspraak: 30 november 2022 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van: de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, van 22 april 2022 in zaak nr. NL21.11403 in het geding tussen: [de vreemdeling] en de staatssecretaris. Procesverloop De vreemdeling heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op een aanvraag om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd (hierna ook: asielaanvraag) te verlenen.
ECLI:NL:CRVB:2020:1619
18 /2642 PW, 18/2643 PW Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Datum uitspraak: 28 juli 2020 Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 15 maart 2018, 16/7470 en 17/2217 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellant] te [woonplaats] (appellant) het dagelijks bestuur van Werkzaak Rivierenland (dagelijks bestuur) PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. J.H.F. de Jong, advocaat, hoger beroep ingesteld. Bij uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:54 en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van 25 september 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:2906, heeft de Raad het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard.
AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Rotterdam Bestuursrecht zaaknummer: NL21.17130 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [naam eiser] , eiser V-nummer: [V-nummer] (gemachtigde: mr. F. Boone), en de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: [naam gemachtigde] ). Procesverloop Verweerder heeft bij besluit van 14 oktober 2021 de asielaanvraag ingewilligd en een bestuurlijke dwangsom van € 230,- aan eiser toegekend. Verweerder heeft op 27 oktober 2021 een aanvullend besluit (bestreden besluit) genomen en daarin aangegeven dat aan eiser ten onrechte een bestuurlijke dwangsom is toegekend. Op 27 oktober 2021 heeft eiser beroep ingesteld tegen het aanvullende besluit. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Eiser heeft hierop aanvullende gronden ingediend. Overwegingen 1. De rechtbank nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in deze zaak niet nodig is.

2. Op het beroep van eiser is van toepassing de Tijdelijke wet opschorting dwangsommen IND zoals deze luidt sinds 11 juli 2021 (Tijdelijke wet). Op grond van artikel 1 van de Tijdelijke wet zijn op besluiten op asielaanvragen de artikelen 4:17 tot en met 4:19, afdeling 8.2.4a en artikel 8:72, zesde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet van toepassing. Artikel 6:2, aanhef en onderdeel b, van de Awb wordt daarin niet meer genoemd. Dat betekent dat het vanaf 11 juli 2021 weer mogelijk is om beroep in te stellen tegen het niet tijdig beslissen op een asielaanvraag, maar dat de vreemdeling daarmee niet kan bereiken dat dwangsommen in de zin van de Awb worden verbeurd of opgelegd.

3. Eiser stelt zich op het standpunt dat verweerder wel bevoegd was om een bestuurlijke dwangsom en verwijst in dit kader naar meerdere uitspraken van verschillende zittingsplaatsen, waaronder de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem van 24 maar 2022 (ECLI:NL:RBDHA:2022:2641). Eiser voert aan dat verweerder niet kan terugkomen van het besluit waarbij een dwangsom is toegekend, nu dit onder meer in strijd is met de beginselen van het rechtszekerheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel. Daarnaast heeft verweerder het bestreden besluit onzorgvuldig voorbereid door eiser niet te horen. Het bestreden besluit is daarmee in strijd met artikel 41, tweede lid en onder a, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (Handvest). Bovendien is er sprake van een schending van het verbod van reformatio in peius. Subsidiair heeft eiser betoogd dat verweerder wel bevoegd was om een schadevergoeding toe te kennen. Hij heeft immers zeven maanden moeten wachten op een besluit.

4. De rechtbank overweegt als volgt.

5. Verweerder heeft bij het besluit van 14 oktober 2021 vastgesteld dat hij op grond van artikel 4:17 van de Awb een dwangsom van € 230,- is verschuldigd. Bij het bestreden besluit heeft verweerder onder verwijzing naar de Tijdelijke wet gesteld dat de eerder vastgestelde dwangsom ten onrechte is toegekend en dat het toegezonden declaratieformulier als niet verstuurd kan worden beschouwd.

6. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft bij uitspraak van 30 november 2022 (ECLI:NL:RVS:2022:3352) geoordeeld dat de Tijdelijke wet, voor zover die de mogelijkheid uitsluit dat verweerder een bestuurlijke dwangsom verbeurt, niet in strijd is met het Unierecht. Naar het oordeel van de rechtbank is verweerder dus geen bestuurlijke dwangsom verschuldigd voor het te laat beslissen op de asielaanvraag.

7. Volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep, bijvoorbeeld de uitspraak van 28 juli 2020 (ECLI:NL:CRVB:2020:1619) komt aan een bestuursorgaan in beginsel de bevoegdheid toe een gemaakte fout te herstellen, mits het daartoe strekkende besluit niet in strijd is met het rechtszekerheidsbeginsel en ook overigens geen sprake is van strijd met geschreven of ongeschreven recht. Daarbij is onder meer van belang of eiser redelijkerwijs had kunnen begrijpen dat het oorspronkelijke besluit onjuist was en hij er dus rekening mee had moeten houden dat de gemaakte fout na ontdekking hersteld zou worden.

8. Naar het oordeel van de rechtbank had eiser in dit geval redelijkerwijs kunnen begrijpen dat sprake was van een kennelijke misslag en verweerder hem abusievelijk een dwangsom had toegekend. Dit had de gemachtigde van eiseres duidelijk moeten zijn en die mocht daarop dus niet vertrouwen. Zowel in de eerder geldende Tijdelijke wet, als in de gewijzigde Tijdelijke wet waaronder eiser zijn asielaanvraag heeft ingediend, is immers geregeld dat er geen dwangsommen worden verbeurd. Het beroep op het vertrouwensbeginsel slaagt daarom niet. Verweerder heeft zijn fout bij het aanvullend besluit dan ook kunnen herstellen.

Naar het oordeel van de rechtbank is er evenmin sprake van een schending van het verbod van reformatio in peius. Dit verbod houdt namelijk in dat de indiener van een bezwaar- of beroepschrift niet in een slechtere positie terecht mag komen enkel als gevolg van het indienen daarvan. In het geval van eiser is hiervan geen sprake aangezien het terugkomen op de eerder toegekende dwangsom niet het gevolg is van een door eiser ingesteld bezwaar-of beroepschrift en verweerder, zoals de rechtbank reeds hiervoor heeft overwogen, ook daartoe bevoegd was.

9. Het betoog van eiser dat het bestreden besluit in strijd met artikel 42, tweede lid en onder a, van het Handvest, volgt de rechtbank evenmin. Hieruit volgt onder meer het recht van eenieder te worden gehoord voordat jegens hem een voor hem nadelige individuele maatregel wordt genomen. Naar het oordeel van de rechtbank is het herstellen van een gemaakte fout niet als een zodanige nadelige individuele maatregel als bedoeld in het voornoemde artikel aan te merken.

10. Het beroep is ongegrond.

11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. A.P. Hameete, rechter, in aanwezigheid van mr. B. Tijssen, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Bent u het niet eens met deze uitspraak? Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.