Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RBDHA:2023:3170 ECLI:NL:RBDHA:2023:3170 AI generated

ECLI:NL:RBDHA:2023:3170 · Rechtbank Den Haag

Case Number ECLI:NL:RBDHA:2023:3170
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Amsterdam Bestuursrecht zaaknummers: NL22.24529 (beroep) NL22.24530 (voorlopige voorziening) [v nummer] uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken en de voorzieningenrechter in de zaken tussen [eiser] , geboren op [geboortedatum] 1986, van Syrische nationaliteit, eiser/verzoeker, hierna: eiser (gemachtigde: mr. A.M.J.M. Louwerse), en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. A.H. Noordeloos). Procesverloop Bij besluit van 30 november 2022 (het bestreden besluit) heeft verweerder eisers aanvraag van 27 juni 2022 tot verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op de grond dat Roemenië verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.

Legislator headnote

AI generated

artikel 3 van het EVRM; ECLI:NL:RBDHA:2023:3170 · Rechtbank Den Haag: De overige beroepsgronden van eiser behoeven geen bespreking. Conclusie 8. Gelet op wat in rechtsoverweging 6.3 is overwogen, is het bestreden besluit genomen in strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht. Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit. Verweerder zal daarom een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van vier weken. Ten aanzien van het verzoek om een voorlopige voorziening 9. De gevraagde voorziening strekt ertoe de uitzetting te verbieden totdat is beslist op het beroep.

Keywords

AI generated
Roma asylum application deportation in asylum proceedings asylum for Syrian nationals removal transfer of population departure from a country

Cited Legislation

AI generated
artikel 3 van het EVRM
Volgens eiser verbieden artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het Handvest zijn uitzetting naar Syrië.

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:RBDHA:2022:5724
RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats 's-Hertogenbosch Bestuursrecht zaaknummer: NL22.6989 VERWIJZINGSUITSPRAAK uitspraak van de meervoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , geboren op [geboortedag] 1992 in Saudi-Arabië, van Syrische nationaliteit, eiser, (gemachtigde: mr. A. Khalaf), en de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. A. Hadfy-Kovacs). Verzoek aan het Hof van Justitie van de Europese Unie tot het beantwoorden van prejudiciële vragen in een versnelde procedure (PPA) I Dient de Dublinverordening, gelet op punten 3, 32 en 39 van de considerans en gelezen in samenhang met artikelen 1, 4, 18, 19 en 47 van het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie, aldus te worden uitgelegd en toegepast dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel niet deelbaar is, zodat ernstige en stelselmatige schendingen van het Unierecht die door de mogelijk verantwoordelijke lidstaat worden begaan vóór overdracht ten aanzien van derdelanders die (nog) geen Dublinterugkeerder zijn absoluut in de weg staan aan overdracht aan deze lidstaat? II Dient artikel 3, tweede lid, van de Dublinverordening, indien de vorige vraag ontkennend wordt beantwoord, gelezen in samenhang met artikelen 1, 4, 18, 19 en 47 van het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie, aldus te worden uitgelegd dat indien de mogelijk verantwoordelijke lidstaat op ernstige en stelselmatige wijze het Unierecht schendt, de overdragende lidstaat in het kader van de Dublinverordening niet voetstoots van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan uitgaan, maar elke twijfel moet wegnemen dan wel aannemelijk moet maken dat de verzoeker na overdracht niet in een situatie zal geraken die in strijd is met artikel 4 van het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie? III Met welke bewijsmiddelen kan de verzoeker zijn argumenten dat artikel 3, tweede lid, van de Dublinverordening, aan zijn overdracht in de weg staat staven en welke bewijsmaatstaf dient hierbij te worden gehanteerd? Heeft de overdragende lidstaat, gelet op de verwijzingen naar het Unieacquis in de considerans van de Dublinverordening, een samenwerkingsplicht en/of vergewisplicht, dan wel dienen er, indien sprake is van ernstige en stelselmatige schendingen van grondrechten ten aanzien van derdelanders, individuele garanties te worden verkregen van de verantwoordelijke lidstaat dat na overdracht de grondrechten van de verzoeker (wel) worden geëerbiedigd? Luidt de beantwoording van deze vraag anders als de verzoeker in bewijsnood verkeert indien hij zijn consistente en gedetailleerde verklaringen niet met documenten kan staven, terwijl dit gelet op de aard van de verklaringen niet kan worden verwacht? IV Luidt de beantwoording van de voorgaande vragen onder III anders indien de verzoeker aannemelijk maakt dat klagen bij de autoriteiten en/of het aanwenden van rechtsmiddelen in de verantwoordelijke lidstaat niet mogelijk en/of niet effectief zal zijn? Verzoek aan het Hof van Justitie tot het behandelen en beantwoorden van de prejudiciële vragen in een versnelde procedure op grond van artikel 105 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof van Justitie ( PPA ) .
ECLI:NL:RVS:2022:1862
202105270/1/V3. Datum uitspraak: 6 juli 2022 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Middelburg, van 9 augustus 2021 in zaak nr. NL21.7441 in het geding tussen: [de vreemdeling] en de staatssecretaris. Procesverloop Bij besluit van 12 mei 2021 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen. Bij uitspraak van 9 augustus 2021 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van de uitspraak.
ECLI:NL:RVS:2022:1864
202106573/1/V3. Datum uitspraak: 6 juli 2022 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [de vreemdeling], mede voor haar minderjarige [kind], appellante, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Zwolle, van 12 oktober 2021 in zaak nr. NL21.11251 in het geding tussen: de vreemdeling en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Procesverloop Bij besluit van 12 juli 2021 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.
ECLI:NL:RVS:2021:1645
202006234/1/V3. Datum uitspraak: 29 juli 2021 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, appellant, tegen de tussenuitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, van 7 oktober 2020 en haar uitspraak van 16 november 2020, beide in zaak nr. NL20.16233 in het geding tussen: [de vreemdeling] en de staatssecretaris. Procesverloop Bij besluit van 28 augustus 2020 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen niet in behandeling genomen.
ECLI:NL:RVS:2022:2521
202205037/1/V3 en 202205037/2/V3.
ECLI:NL:RVS:2022:1042
202104072/1/V3. Datum uitspraak: 13 april 2022 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [de vreemdeling], appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, van 18 juni 2021 in zaak nr. NL21.4807 in het geding tussen: de vreemdeling en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Procesverloop Bij besluit van 30 maart 2021 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen. Bij uitspraak van 18 juni 2021 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard.
AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Amsterdam Bestuursrecht zaaknummers: NL22.24529 (beroep) NL22.24530 (voorlopige voorziening) [v nummer] uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken en de voorzieningenrechter in de zaken tussen [eiser] , geboren op [geboortedatum] 1986, van Syrische nationaliteit, eiser/verzoeker, hierna: eiser (gemachtigde: mr. A.M.J.M. Louwerse), en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. A.H. Noordeloos). Procesverloop Bij besluit van 30 november 2022 (het bestreden besluit) heeft verweerder eisers aanvraag van 27 juni 2022 tot verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op de grond dat Roemenië verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Daarnaast heeft hij verzocht een voorlopige voorziening te treffen die ertoe strekt de uitzetting te verbieden totdat op het beroep is beslist. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Eiser heeft daarop gereageerd. Het onderzoek op de zitting heeft plaatsgevonden op 19 januari 2023. Eiser en zijn gemachtigde zijn, met bericht van verhindering, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Overwegingen Achtergrond 1. Eiser heeft op 27 juni 2022 het onderhavige verzoek om internationale bescherming ingediend.

Uit [databank] is gebleken dat eiser op [medio] februari 2022 in Roemenië een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend. Besluitvorming 2. Verweerder heeft het bestreden besluit gebaseerd op artikel 30, eerste lid, van de Vw. Daarin staat dat een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling wordt genomen als op grond van de Dublinverordening is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. In dit geval heeft Nederland bij Roemenië op 3 augustus 2022 een verzoek om terugname gedaan.

Roemenië heeft dit verzoek op 9 augustus 2022 aanvaard. Beroepsgronden eiser 3.1 Eiser kan zich niet met de besluitvorming verenigen en voert daarbij het volgende aan. Ten aanzien van Roemenië kan niet uitgegaan worden van het interstatelijk vertrouwensbeginsel, omdat in Roemenië sprake is van pushbacks die een fundamentele systeemfout vormen in de asielprocedure. Door deze systeemfout wordt de drempel van zwaarwegendheid bereikt. Eiser overlegt hiertoe informatie van KlikAktiv en haalt landenrapportages aan. Hieruit blijkt volgens eiser dat de pushbacks niet incidenteel zijn, maar al geruime tijd, op grote schaal en niet alleen aan de grens plaatsvinden.

Eiser stelt dat verweerder nader onderzoek moet doen naar de informatie van KlikAktiv. Ook is eiser van mening dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel ondeelbaar is en verwijst hierbij naar de prejudiciële vragen van deze rechtbank, zittingsplaats Den Bosch. 3.2 Vervolgens voert eiser aan dat er niet van kan worden uitgegaan dat Roemenië ten aanzien van eiser zijn verdragsverplichtingen en het refoulementverbod naleeft. Eiser stelt hiertoe dat er een evident en fundamenteel verschil in bescherming van Syrische asielzoekers tussen Nederland en Roemenië is.

Dat eisers beroep tegen zijn afgewezen asielaanvraag in Roemenië ongegrond is verklaard, zoals in het claimakkoord staat, is daarvoor een concreet aanknopingspunt. Verweerder heeft erkend dat eiser door Roemenië zal worden uitgezet naar Syrië. Volgens eiser verbieden artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het Handvest zijn uitzetting naar Syrië. Oordeel van de rechtbank 4. De rechtbank is van oordeel dat verweerder vanwege de specifieke omstandigheden van dit geval niet zonder nader onderzoek en zonder nadere motivering ten aanzien van Roemenië kan uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel.

De rechtbank legt hieronder uit hoe zij tot dit oordeel is gekomen. 4.1 Vaststaat dat Roemenië in beginsel verantwoordelijk is voor de behandeling van eisers asielverzoek. Het interstatelijk vertrouwensbeginsel is daarbij het uitgangspunt en de Roemeense autoriteiten hebben door accepteren van het terugnameverzoek toegezegd de asielaanvraag van de vreemdeling in behandeling te nemen met inachtneming van de Europese asielrichtlijnen en internationale verplichtingen. Het is aan de vreemdeling om het vermoeden dat de lidstaat niet aan zijn internationale verplichtingen voldoet aan de hand van objectieve aanknopingspunten te weerleggen.

Als de vreemdeling het bestaan van structurele tekortkomingen aannemelijk heeft gemaakt, moeten die tekortkomingen een bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid bereiken om tot schending van artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het Handvest te leiden. Op 29 juli 2021 heeft de Afdeling in haar uitspraak geoordeeld dat verweerder ten opzichte van Roemenië mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De Afdeling heeft dat in haar ongemotiveerde uitspraak van 31 augustus 2022 nog bevestigd. 4.2 Als de vreemdeling onder verwijzing naar objectieve informatie betoogt dat niet meer van het vermoeden uitgegaan kan worden dat de aangezochte lidstaat aan zijn internationale verplichtingen zal voldoen, is het aan verweerder om te motiveren waarom hij nog wel van dat vermoeden mag uitgaan.

Als verweerder er niet in slaagt om deugdelijk te motiveren dat hij nog altijd van het vermoeden mag uitgaan en dat hij het asielverzoek niet aan zich wil trekken, is hij gehouden nader onderzoek te doen in de aangezochte lidstaat. Verschil in beschermingsbeleid 5.1 Ten aanzien van eisers beroepsgrond dat er een evident en fundamenteel verschil in bescherming van Syrische asielzoekers tussen Nederland en Roemenië is, overweegt de rechtbank als volgt. In beginsel mag verweerder ervan uitgaan dat de lidstaten personen die om internationale bescherming verzoeken op een effectieve en gelijkwaardige manier bescherming bieden aan de in het Handvest, het Vluchtelingenverdrag en het EVRM vastgelegde grondrechten.

De bewijslast om een reëel risico op indirect refoulement aannemelijk te maken ligt bij de vreemdeling. Volgens de Afdeling moet de vreemdeling in de eerste plaats algemene informatie overleggen waaruit voldoende concrete aanknopingspunten volgen dat hem in de verantwoordelijke lidstaat op grond van het beschermingsbeleid geen internationale bescherming wordt geboden, terwijl hij dat in Nederland in beginsel wel krijgt. Daarnaast moet een vreemdeling concrete aanknopingspunten naar voren brengen die erop wijzen dat niet alleen het bestuursorgaan, maar ook de hoogste rechter in de verantwoordelijke lidstaat hem niet zal beschermen tegen refoulement. 5.2 De rechtbank overweegt dat eiser wel voldoende informatie heeft overgelegd waaruit volgt dat hem in Roemenië geen internationale bescherming wordt geboden, terwijl hij dat in beginsel in Nederland wel krijgt.

Eiser heeft namelijk een vertaalde versie van het Roemeense besluit overgelegd waaruit blijkt dat aan hem geen subsidiaire bescherming wordt verleend in verband met de oorlogssituatie in Syrië. In het Nederlandse beleid daarentegen is het algemene uitgangspunt dat vreemdelingen die geen actief aanhanger zijn van het regime bij terugkeer naar Syrië vanuit het buitenland een reëel risico lopen op ernstige schade. Daaruit blijkt dat eiser in Nederland wel internationale bescherming geboden zou worden en in Roemenië niet. Echter, eiser heeft niet aangetoond dat de hoogste Roemeense rechter het in Roemenië geldende beschermingsbeleid niet afkeurt.

Eiser heeft gesteld dat zijn beroep tegen het Roemeense besluit bij de Roemeense rechter niet tot vernietiging heeft geleid en dat dit ook blijkt uit het claimakkoord. Uit het dossier blijkt echter niet dat eiser heeft doorgeprocedeerd tot de hoogste Roemeense rechter. Ook heeft eiser geen algemene landeninformatie overgelegd waaruit volgt dat de hoogste Roemeense rechter zich heeft uitgelaten over het Roemeense beschermingsbeleid voor Syriërs en dat niet afkeurt. Eiser heeft dus niet aannemelijk gemaakt dat de hoogste rechter in Roemenië eiser niet zal beschermen tegen refoulement.

De beroepsgrond faalt. Pushbacks en Dublinclaimanten in Roemenië 6.1 Bij de beantwoording van de vraag of verweerder terecht heeft overwogen dat ten aanzien van Roemenië nog steeds van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uitgegaan kan worden, moet volgens rechtspraak van de Afdeling eerst worden onderzocht of pushbacks een fundamentele systeemfout zijn in de asielprocedure van de betrokken lidstaat in de zin van artikel 3, tweede lid, van de Dublinverordening, die de bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid bereikt. Als dat wordt vastgesteld, is vervolgens de vraag aan de orde of deze fundamentele systeemfout ook relevant is voor de overdracht van Dublinclaimanten aan de betrokken lidstaat. 6.2 In zijn algemeenheid zijn pushbacks een fundamentele systeemfout in de asielprocedure in de zin van artikel 3, tweede lid, van de Dublinverordening, die de bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid bereikt.

Dit heeft de Afdeling geoordeeld in haar uitspraak van 13 april 2022. Uit de door eiser overgelegde rapporten en de e-mail van KlikAktiv volgt dat pushbacks in Roemenië niet incidenteel, maar al geruime tijd en op grote schaal plaatsvinden. Zo staat in het AIDA Roemenië Landenrapport (2021-update) van 31 mei 2022 op pagina 24 onder andere het volgende: “In 2019, 2,048 persons were apprehended for crossing, or attempting to cross, the border. The Border Police prevented the entry of 6,042 persons. In 2020 this number increased significantly to 6,658 persons apprehended for crossing, or attempting to cross, the border and 12,684 persons were prevented from entering Romania.

In 2021, 9.053 persons were apprehended for attempting to cross the border and 11.232 persons were prevented from entering the country. (..) In 2021, UNHCR Serbia stopped publishing disaggregated statistics based on the country from which foreigners were pushed back. UNHCR Serbia reported that 13,409 persons were collectively expelled from Romania to Serbia from 1 January to 31 December 2020, which is the highest number of pushbacks registered since UNHCR Serbia began monitoring pushbacks in the spring of 2016. Higher numbers were registered in the second half of the year.

The number has increased in comparison to 2018, when 746-persons were collectively expelled and 2019, when 1,561 persons were collectively expelled.” Op de zitting heeft verweerder ook beaamt dat in Roemenië al geruime tijd en op grote schaal pushbacks plaatsvinden. 6.3 Vervolgens moet de vraag gesteld worden of de fundamentele systeemfout in de asielprocedure van Roemenië als gevolg van pushbacks ook relevant is voor Dublinclaimanten. Verweerder stelt in zijn verweerschrift dat uit de door eiser overgelegde informatie blijkt dat de slachtoffers van de pushbacks asielzoekers zijn die zich in het grensgebied met Servië bevinden en dat eiser zich niet in die situatie bevindt.

Eiser zal namelijk in Boekarest worden overgedragen aan Roemenië. Volgens verweerder is niet gebleken dat de pushbacks in Roemenië plaatsvinden op andere plaatsen dan aan de buitengrenzen. De rechtbank kan verweerder hierin niet volgen. Eiser heeft een e-mail van KlikAktiv overgelegd. In deze email staat dat KlikAktiv afweet van in ieder geval vier pushbacks die zien op Dublinclaimanten. In twee van deze vier zaken hebben zij fysiek bewijs kunnen verzamelen. In een rapport van KlikAktiv dat eind januari van dit jaar uitgebracht zal worden, zal één van deze zaken geanalyseerd worden.

De rechtbank concludeert dat deze informatie serieuze aanknopingspunten bevat dat pushbacks ook plaatsvinden bij Dublinclaimanten en dus bij vreemdelingen die zich op afstand van de grens van Roemenië bevinden. Verweerder heeft hier onvoldoende tegenover gezet en is niet verder gekomen dan opmerken dat het onduidelijk is hoe KlikAktiv onderzoek doet. Gelet hierop, en omdat overgedragen Dublinclaimanten zich in de regel als asielzoekers vrij op het grondgebied van Roemenië kunnen bewegen, had verweerder nader onderzoek moeten doen naar het risico voor overgedragen Dublinclaimanten om door Roemenië te worden uitgezet zonder of tijdens de behandeling van hun asielverzoek.

De beroepsgrond slaagt.

7. De overige beroepsgronden van eiser behoeven geen bespreking. Conclusie 8. Gelet op wat in rechtsoverweging 6.3 is overwogen, is het bestreden besluit genomen in strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht. Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit. Verweerder zal daarom een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van vier weken. Ten aanzien van het verzoek om een voorlopige voorziening 9. De gevraagde voorziening strekt ertoe de uitzetting te verbieden totdat is beslist op het beroep.

In dit geval is er geen aanleiding tot het treffen van de gevraagde voorziening, omdat de rechtbank heden op het beroep heeft beslist. Ten aanzien van het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening 10. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.674 ,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het indienen van het verzoekschrift, met een waarde per punt van € 837,- en een wegingsfactor 1).

Als aan eiser een toevoeging is verleend, moet verweerder de proceskostenvergoeding betalen aan de rechtsbijstandverlener. Beslissing De rechtbank, in de zaak geregistreerd onder nummer: NL22.24529, - verklaart het beroep gegrond; - vernietigt het bestreden besluit; en, - draagt verweerder op binnen vier weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag met inachtneming van deze uitspraak. De voorzieningenrechter, in de zaak geregistreerd onder nummer: NL22.24530, - wijst het verzoek af. De rechtbank / voorzieningenrechter, in alle zaken, - veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.674,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. Y. Moussaoui, rechter, in aanwezigheid van mr. I.S. Roefs, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open. Vreemdelingenwet 2000. Verordening (EU) nr. 604/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming dat door een onderdaan van een derde land of een staatloze bij een van de lidstaten wordt ingediend (herschikking).

Artikel 3, tweede lid, van de Dublinverordening. Rapport van KlikAktiv van december 2021 en de e-mail tussen KlikAktiv en Vluchtelingenwerk van 28 december 2022. AIDA Roemenië Landenrapport (2021-update) van 31 mei 2022. Uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Den Bosch, van 15 juni 2022, ECLI:NL:RBDHA:2022:5724. Eiser verwijst in dit kader naar de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 6 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1862 en ECLI:NL:RVS:2022:1864. Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.

Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie. Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 19 maart 2019, Jawo, ECLI:EU:C:2019:218, punten 91-93. Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. ECLI:NL:RVS:2021:1645. ECLI:NL:RVS:2022:2521. Zie het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 16 februari 2017, C.K., ECLI:EU:C:2017:127, punt 75-77. Zie het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 21 januari 2011, M.S.S. tegen België en Griekenland, ECLI:CE:ECHR:2011:0121JUD003069609, overweging 359.

Verdrag van Genève betreffende de status van vluchtelingen van 1951, zoals gewijzigd bij Protocol van New York van 1967. Uitspraak van 6 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1862. Zie de uitspraak van de Afdeling van 13 april 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1042. ECLI:NL:RVS:2022:1042. Zie artikel 7, eerste lid, van Richtlijn 2013/33/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 tot vaststelling van normen voor de opvang van verzoekers om internationale bescherming.