Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RBDHA:2023:3079 ECLI:NL:RBDHA:2023:3079 AI generated

ECLI:NL:RBDHA:2023:3079 · Rechtbank Den Haag

Case Number ECLI:NL:RBDHA:2023:3079
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Middelburg Bestuursrecht zaaknummer: NL23.2231 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen Mamoun Hasan, eiser V-nummer: 291.673.0212 (gemachtigde: mr. F.A. van den Berg), en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. S. Brock). Procesverloop Bij besluit van 23 januari 2023 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen op de grond dat Italië verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. De rechtbank heeft het beroep, samen met de zaak NL23.2232, op 1 maart 2023 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen W. Lahham. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Overwegingen 1. Eiser is geboren op [geboortedatum] en heeft de Syrische nationaliteit. Op 27 juni 2022 heeft eiser een asielaanvraag ingediend.

Legislator headnote

AI generated

ECLI:NL:RBDHA:2023:3079 · Rechtbank Den Haag: Daarnaast verwijst de rechtbank naar de uitspraak van de Afdeling van 31 mei 2022 betreffende de opschorting van overdrachten door de Roemeense autoriteiten. Daarin heeft de Afdeling geoordeeld dat vanwege de bindende overdrachtstermijnen in artikel 29, eerste en tweede lid, van de Dublinverordening gewaarborgd is dat onzekerheid over overdracht van een vreemdeling van beperkte duur is. Hoewel onzeker is hoelang de opschorting van de overdrachten naar Italië zal voortduren, leidt dit niet tot de conclusie dat het bestreden besluit onrechtmatig is of dat verweerder de asielaanvraag onverplicht in behandeling moet nemen op grond van artikel 17 van de Dublinverordening.

Keywords

AI generated
asylum for Syrian nationals Albanian asylum request Dublin transfer to Croatia principle of non-refoulement immigration and asylum policy lawful deportation

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:RBMNE:2022:5701
29 december 2022, ECLI:NL:RBMNE:2022:5701; 3 februari 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:1082; 24 februari 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:2182; 24 februari 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:2205.
ECLI:NL:RBDHA:2023:1082
RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Roermond Bestuursrecht zaaknummers: NL22.26811 en NL22.26819 proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van 3 februari 2022 van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen: [eiser] , geboren op [geboortedatum] en [eiser 2] , geboren op [geboortedatum 2] beiden de Syrische nationaliteit, tezamen eisers, V-nummers: [V-nummer 1] en [V-nummer 2] (gemachtigde: mr. R.P. Duijn), en de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. M. Lorier). Zitting hebben: Mr. S. van Lokven rechter M.M.P. van Diepen griffier Procesverloop Bij besluiten van 29 december 2022 (de bestreden besluiten) heeft verweerder de aanvragen van eisers tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen omdat verweerder Italië hiervoor verantwoordelijk acht.
ECLI:NL:RBDHA:2023:2182
RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch Bestuursrecht zaaknummer: NL22.26863 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [naam] , eiser V-nummer: [nummer] (gemachtigde: mr.
ECLI:NL:RBDHA:2023:2205
RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Zwolle Bestuursrecht zaaknummer: NL23.732 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser], eiser, V-nummer: [nummer] (gemachtigde: mr.
ECLI:NL:RVS:2022:49
202107577/1/V1. Datum uitspraak: 10 januari 2022 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: [de vreemdeling], appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats 's­-Hertogenbosch, van 29 november 2021 in zaak nr. NL21.14895 in het geding tussen: de vreemdeling en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Procesverloop Bij besluit van 20 september 2021 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.
ECLI:NL:RVS:2022:2497
202204821/1/V1. Datum uitspraak: 26 augustus 2022 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: [de vreemdeling], appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Middelburg, van 5 augustus 2022 in zaak nr. NL22.14199 in het geding tussen: de vreemdeling en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Procesverloop Bij besluit van 22 juli 2022 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.
AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Middelburg Bestuursrecht zaaknummer: NL23.2231 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen Mamoun Hasan, eiser V-nummer: 291.673.0212 (gemachtigde: mr. F.A. van den Berg), en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. S. Brock). Procesverloop Bij besluit van 23 januari 2023 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen op de grond dat Italië verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. De rechtbank heeft het beroep, samen met de zaak NL23.2232, op 1 maart 2023 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen W. Lahham. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Overwegingen 1. Eiser is geboren op [geboortedatum] en heeft de Syrische nationaliteit. Op 27 juni 2022 heeft eiser een asielaanvraag ingediend.

2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vw. Uit onderzoek in Eurodac is gebleken dat eiser op 7 mei 2022 illegaal Italië is ingereisd. Verweerder heeft daarom de autoriteiten van Italië verzocht om eiser over te nemen op grond van artikel 13, eerste lid, van de Dublinverordening. Omdat Italië niet binnen twee maanden heeft gereageerd op dat verzoek staat met ingang van 3 oktober 2022 de verantwoordelijkheid van Italië vast op grond van artikel 22, zevende lid, van de Dublinverordening.

3. Eiser kan zich niet verenigen met het bestreden besluit en voert daartoe aan dat ten aanzien van Italië niet meer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan omdat er ernstige tekortkomingen zijn in de asielprocedure en het opvangsysteem. Hierbij wordt een beroep gedaan op de circular letter van de Dublin-Unit Italië van 5 december 2022 en een aantal uitspraken van deze rechtbank, zittingsplaatsen Utrecht, Roermond, ’s-Hertogenbosch en Zwolle. Ook wordt verwezen naar een nieuwsartikel in de Telegraaf waarin Eurocommissaris Schinas stelt dat de Dublin-verordening dood is. Daarom dient er geen toepassing meer te worden gegeven aan deze verordening. Tot slot wordt een beroep gedaan op een rapport van Human Rights Watch en twee nieuwsberichten. De rechtbank oordeelt als volgt.

4. Niet in geschil is dat Italië in beginsel verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag van eiser.

5. Uitgangspunt is dat verweerder ten aanzien van Italië mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Dit is ook recentelijk nog door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) bevestigd in de uitspraken van 10 januari 2022 en 26 augustus 2022. Het is aan eiser om aannemelijk te maken dat dit in zijn geval anders is. Eiser is hier niet in geslaagd.

6. Uit de circular letter van 5 december 2022 volgt dat er sprake is van een verzoek tot tijdelijke opschorting van overdrachten op grond van de Dublinverordening. Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat er sprake is van een tijdelijk, feitelijk overdrachtsbeletsel en dat dit niet tot gevolg heeft dat de vaststelling van de verantwoordelijkheid van Italië onrechtmatig is. De rechtbank wijst ter vergelijking op de uitspraken van de Afdeling van 8 april 2020 en 30 oktober 2020 betreffende een circular letter met betrekking tot het coronavirus, wat eveneens een tijdelijk overdrachtsbeletsel betrof.

Daarnaast verwijst de rechtbank naar de uitspraak van de Afdeling van 31 mei 2022 betreffende de opschorting van overdrachten door de Roemeense autoriteiten. Daarin heeft de Afdeling geoordeeld dat vanwege de bindende overdrachtstermijnen in artikel 29, eerste en tweede lid, van de Dublinverordening gewaarborgd is dat onzekerheid over overdracht van een vreemdeling van beperkte duur is. Hoewel onzeker is hoelang de opschorting van de overdrachten naar Italië zal voortduren, leidt dit niet tot de conclusie dat het bestreden besluit onrechtmatig is of dat verweerder de asielaanvraag onverplicht in behandeling moet nemen op grond van artikel 17 van de Dublinverordening.

Het beroep op de circular letter en de door eiser aangehaalde uitspraken slaagt dan ook niet.

7. Het nieuwsartikel in de Telegraaf betreft een eenmalige uitspraak van een Eurocommissaris die overigens niet is belast met asielbeleid en/of de Dublinverordening, en waarbij niet gebleken dat hij bevoegd was te spreken namens de gehele Europese Commissie. Deze uitspraak maakt dan ook niet dat de Dublinverordening buiten werking is of moet worden gesteld. Ook overigens heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat in zijn geval niet (langer) van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. De verwijzing naar twee andere nieuwsberichten leidt niet tot een ander oordeel, nu hierin geen concrete informatie wordt gegeven over het effect van de politieke ontwikkelingen op de situatie voor Dublinclaimanten.

8. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. K.M. de Jager, rechter, in aanwezigheid van mr. E.C. Jacobs, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. De uitspraak is bekendgemaakt op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking. Vreemdelingenwet 2000. Verordening (EU) Nr. 604/2013. 29 december 2022, ECLI:NL:RBMNE:2022:5701; 3 februari 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:1082; 24 februari 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:2182; 24 februari 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:2205. “Eurocommissaris Schinas: Dublin-verordening is dood”, 6 december 2022. “World report 2023: Italy”. Al Jazeera, 20 januari 2023; Reliefweb, 20 januari 2023. ECLI:NL:RVS:2022:49; ECLI:NL:RVS:2022:2497. ECLI:NL:RVS:2020:1032. ECLI:NL:RVS:2020:2580. ECLI:NL:RVS:2022:1520.