Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RBDHA:2023:289 ECLI:NL:RBDHA:2023:289 AI generated

ECLI:NL:RBDHA:2023:289 · Rechtbank Den Haag

Case Number ECLI:NL:RBDHA:2023:289
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Middelburg Bestuursrecht zaaknummer: NL23.195 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [Naam], eiser V-nummer: [Nummer] (gemachtigde: mr. R.M. Seth Paul), en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder Procesverloop Verweerder heeft op 19 september 2022 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel is op 21 december 2022 omgezet naar een bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, van de Vw. Deze laatste bewaring duurt nog voort. Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding. Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd. De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft en het onderzoek op 10 januari 2023 gesloten. Overwegingen 1. Eiser stelt te zijn geboren op [Geboortedatum] en de Tunesische nationaliteit te hebben.

Legislator headnote

AI generated

ECLI:NL:RBDHA:2023:289 · Rechtbank Den Haag: Eiser voert aan dat verweerder onvoldoende voortvarend handelt omdat de maatregel van bewaring niet tijdig is omgezet. Eiser veronderstelt dat hij al op 17 december 2022, aansluitend op het moment dat zijn uitzetting naar Tunesië mislukte, heeft verklaard dat hij asiel wil aanvragen. Niettemin is hij pas op 19 december 2022 in de gelegenheid gesteld asiel aan te vragen en is de grondslag van de bewaring pas op 21 december 2022 gewijzigd. Op grond van vaste jurisprudentie had verweerder binnen twee dagen na 17 december 2022 de grondslag van de bewaring moeten wijzigen.

Keywords

AI generated
asylum application of Ethiopian extension of detention deportation prolonged absence abroad departure deadline removal risk of overstaying

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:RBDHA:2022:10378
RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Middelburg Bestuursrecht zaaknummer: NL22.18843 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [naam] eiser V-nummer: [nummer] (gemachtigde: mr.
ECLI:NL:RBDHA:2022:12347
RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Middelburg Bestuursrecht zaaknummer: NL22.22585 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [naam eiser], eiser V-nummer: [V-nummer] (gemachtigde: mr.
ECLI:NL:RBDHA:2022:14053
RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Middelburg Bestuursrecht zaaknummer: NL22.25500 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [naam], eiser V-nummer: [nummer] (gemachtigde: mr.
ECLI:NL:RVS:2016:1082
201600559/1/V3. Datum uitspraak: 12 april 2016 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: [de vreemdeling], appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 20 januari 2016 in zaken nrs. 15/22724 en 16/166 in de gedingen tussen: de vreemdeling en de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie. Procesverloop Bij besluit van 21 december 2015 is de vreemdeling krachtens artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) in vreemdelingenbewaring gesteld.
ECLI:NL:RVS:2017:504
201700683/1/V3. Datum uitspraak: 21 februari 2017 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: [de vreemdeling], tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 16 januari 2017 in zaak nr. 17/112 in het geding tussen: de vreemdeling en de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie. Procesverloop Bij besluit van 2 januari 2017 is de vreemdeling in vreemdelingenbewaring gesteld. Dit besluit is aangehecht. Bij uitspraak van 16 januari 2017 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Middelburg Bestuursrecht zaaknummer: NL23.195 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [Naam], eiser V-nummer: [Nummer] (gemachtigde: mr. R.M. Seth Paul), en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder Procesverloop Verweerder heeft op 19 september 2022 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel is op 21 december 2022 omgezet naar een bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, van de Vw. Deze laatste bewaring duurt nog voort. Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding. Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd. De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft en het onderzoek op 10 januari 2023 gesloten. Overwegingen 1. Eiser stelt te zijn geboren op [Geboortedatum] en de Tunesische nationaliteit te hebben.

2. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.

3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Hierbij wordt verwezen naar de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 5 oktober 2022, ECLI:NL:RBDHA:2022:10378. Vervolgens zijn al eerder vervolgberoepen ingediend. Hierbij wordt verwezen naar de uitspraken van deze rechtbank en zittingsplaats van 15 november 2022, ECLI:NL:RBDHA:2022:12347 en van 21 december 2022, ECLI:NL:RBDHA:2022:14053. In de laatstgenoemde uitspraak staat dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom staat nu alleen ter beoordeling of de maatregel van bewaring sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek, 20 december 2022, rechtmatig is.

4. Eiser voert aan dat verweerder onvoldoende voortvarend handelt omdat de maatregel van bewaring niet tijdig is omgezet. Eiser veronderstelt dat hij al op 17 december 2022, aansluitend op het moment dat zijn uitzetting naar Tunesië mislukte, heeft verklaard dat hij asiel wil aanvragen. Niettemin is hij pas op 19 december 2022 in de gelegenheid gesteld asiel aan te vragen en is de grondslag van de bewaring pas op 21 december 2022 gewijzigd. Op grond van vaste jurisprudentie had verweerder binnen twee dagen na 17 december 2022 de grondslag van de bewaring moeten wijzigen.

5. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State volgt dat verweerder in de situatie dat de bewaring niet meer op een juiste wettelijke grondslag berust, voldoende voortvarend handelt indien de maatregel van bewaring binnen 48 uur is omgezet naar een andere grondslag.

6. Uit de voortgangsrapportage volgt dat eiser op 19 december 2022 te kennen heeft gegeven dat hij asiel wenst aan te vragen. Op diezelfde dag is eiser daartoe in de gelegenheid gesteld, waarna de maatregel van bewaring op 21 december 2022 tijdig, want binnen 48 uur, is omgezet. De rechtbank ziet geen reden om aan te nemen dat eiser reeds op 17 december 2022 heeft verklaard dat hij asiel wil aanvragen. Dit blijkt immers niet uit de voortgangsrapportage, noch heeft eiser dit op andere wijze onderbouwd. De enkele stelling van de gemachtigde van eiser dat ‘het er alle schijn van heeft’ dat eiser aansluitend op zijn mislukte verwijdering al aan verweerder te kennen heeft gegeven dat hij asiel wenst aan te vragen, is daarvoor onvoldoende. De beroepsgrond slaagt daarom niet.

7. De rechtbank ziet ten slotte ambtshalve geen reden om te oordelen dat het voortduren van de bewaring onrechtmatig is.

8. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep ongegrond; - wijst het verzoek om schadevergoeding af. Deze uitspraak is gedaan door mr. B.F.Th. de Roos, rechter, in aanwezigheid van mr. S.D.C.J. Verheezen, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. De uitspraak is bekendgemaakt op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open. Zie bijvoorbeeld Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 12 april 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1082 en 21 februari 2017, ECLI:NL:RVS:2017:504. Op grond van het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 november 2022 in de gevoegde zaken C-704/20 en C-39/21.