Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RBDHA:2023:2409 ECLI:NL:RBDHA:2023:2409 AI generated

ECLI:NL:RBDHA:2023:2409 · Rechtbank Den Haag

Case Number ECLI:NL:RBDHA:2023:2409
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Middelburg Bestuursrecht zaaknummer: NL23.1759 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [Naam], eiser V-nummer: [Nummer] (gemachtigde: mr. F.A. van den Berg), en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. S. Brock). Procesverloop Bij besluit van 18 januari 2023 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen op de grond dat Italië verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. De rechtbank heeft het beroep, samen met de zaak NL23.1760, op 15 februari 2023 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen W.M. Mamik. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Overwegingen 1. Eiser is geboren op [Geboorteddatum] en heeft de Afghaanse nationaliteit. Op 11 juni 2022 heeft eiser een asielaanvraag ingediend.

Legislator headnote

AI generated

ECLI:NL:RBDHA:2023:2409 · Rechtbank Den Haag: Daarnaast verwijst de rechtbank naar de uitspraak van de Afdeling van 31 mei 2022 betreffende de opschorting van overdrachten door de Roemeense autoriteiten. Daarin heeft de Afdeling geoordeeld dat vanwege de bindende overdrachtstermijnen in artikel 29, eerste en tweede lid, van de Dublinverordening gewaarborgd is dat onzekerheid over overdracht van een vreemdeling van beperkte duur is. Hoewel onzeker is hoelang de opschorting van de overdrachten naar Italië zal voortduren, leidt dit niet tot de conclusie dat het bestreden besluit onrechtmatig is of dat verweerder de asielaanvraag onverplicht in behandeling moet nemen op grond van artikel 17 van de Dublinverordening.

Keywords

AI generated
asylum for iranian nationals diplomatic and consular law visas, asylum, immigration, etc safe third country status service through diplomatic channels unreasonableness of return to Afghanistan

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:RBMNE:2022:5701
Uitspraak van 29 december 2022, ECLI:NL:RBMNE:2022:5701.
ECLI:NL:RVS:2022:49
202107577/1/V1. Datum uitspraak: 10 januari 2022 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: [de vreemdeling], appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats 's­-Hertogenbosch, van 29 november 2021 in zaak nr. NL21.14895 in het geding tussen: de vreemdeling en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Procesverloop Bij besluit van 20 september 2021 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.
ECLI:NL:RVS:2022:2497
202204821/1/V1. Datum uitspraak: 26 augustus 2022 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: [de vreemdeling], appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Middelburg, van 5 augustus 2022 in zaak nr. NL22.14199 in het geding tussen: de vreemdeling en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Procesverloop Bij besluit van 22 juli 2022 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.
ECLI:NL:RVS:2020:1032
202001915/1/V1. Datum uitspraak: 8 april 2020 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: [de vreemdeling], appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 18 maart 2020 in zaak nr. NL20.4526 in het geding tussen: de vreemdeling en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Procesverloop Bij besluit van 19 februari 2020 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.
ECLI:NL:RVS:2020:2580
202002114/1/V1. Datum uitspraak: 30 oktober 2020 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, van 20 maart 2020 in zaak nr. NL19.20390 in het geding tussen: [de vreemdeling] en de staatssecretaris. Procesverloop Bij besluit van 28 augustus 2019 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.
ECLI:NL:RVS:2022:1520
202202356/1/V3. Datum uitspraak: 31 mei 2022 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: [de vreemdeling], appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 11 april 2022 in zaak nr. NL22.4338 in het geding tussen: de vreemdeling en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Procesverloop Bij besluit van 14 maart 2022 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.
AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Middelburg Bestuursrecht zaaknummer: NL23.1759 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [Naam], eiser V-nummer: [Nummer] (gemachtigde: mr. F.A. van den Berg), en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. S. Brock). Procesverloop Bij besluit van 18 januari 2023 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen op de grond dat Italië verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. De rechtbank heeft het beroep, samen met de zaak NL23.1760, op 15 februari 2023 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen W.M. Mamik. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Overwegingen 1. Eiser is geboren op [Geboorteddatum] en heeft de Afghaanse nationaliteit. Op 11 juni 2022 heeft eiser een asielaanvraag ingediend.

2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vw. Uit onderzoek in EU-VIS is gebleken dat Italië aan eiser een visum heeft verstrekt dat geldig was van 9 mei 2022 tot en met 21 augustus 2022. Verweerder heeft daarom de autoriteiten van Italië verzocht om eiser over te nemen op grond van artikel 12, tweede lid, van de Dublinverordening. Omdat Italië niet binnen twee maanden heeft gereageerd op dat verzoek staat met ingang van 28 september 2022 de verantwoordelijkheid van Italië vast op grond van artikel 22, zevende lid, van de Dublinverordening.

3. Eiser kan zich niet verenigen met het bestreden besluit en voert daartoe het volgende aan. Het visum is door een niet-bevoegde instantie afgegeven, nu het Italiaanse visum is verstrekt door de Iraanse autoriteiten. Dit blijkt ook uit het aanmeldgehoor waarin door verweerder is gezegd dat de autoriteiten van Iran in vertegenwoordiging van de autoriteiten van Italië een visum voor het Schengengrondgebied hebben verleend. Daarnaast kan ten aanzien van Italië niet meer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel worden uitgegaan, omdat er ernstige tekortkomingen zijn.

Hierbij wordt een beroep gedaan op de circular letter van de Dublin-Unit Italië van 5 december 2022 en een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Utrecht. Voorts maakt Italië zich schuldig aan pushbacks. Hierbij wordt verwezen naar een nieuwsartikel in de Telegraaf. Vanwege de ondeelbaarheid van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan hier dus niet meer van worden uitgegaan. Tot slot zijn er bijzondere individuele omstandigheden. Familieleden van eiser zijn woonachtig in Nederland. Zijn zus heeft bovendien verzocht eiser uit Afghanistan te evacueren en aan een neef en collega van eiser is wel verblijf toegestaan.

Daarnaast had hij eerder met zijn vader mee kunnen reizen naar Nederland, indien het jong-volwassenenbeleid anders was geweest toen zijn vader naar Nederland is gevlucht. De rechtbank oordeelt als volgt.

4. Uit het overgelegde visumdossier en EU-VIS volgt dat de bevoegde autoriteit het consulaat van Italië is, gevestigd in Teheran, onder de verantwoordelijkheid van het Italiaanse Ministerie van Buitenlandse Zaken en Internationale Samenwerking. Eiser wordt dus niet gevolgd in zijn stelling dat het visum is afgegeven door een niet-bevoegde instantie. Daarmee staat de verantwoordelijkheid van Italië vast.

5. Uitgangspunt is dat verweerder ten aanzien van Italië mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Dit is recentelijk door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) bevestigd in de uitspraken van 10 januari 2022 en 26 augustus 2022. Het is aan eiser om aannemelijk te maken dat dit in zijn geval anders is. Eiser is hier niet in geslaagd.

6. Uit de circular letter van 5 december 2022 volgt dat er sprake is van een verzoek tot tijdelijke opschorting van overdrachten op grond van de Dublinverordening. Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat er sprake is van een tijdelijk, feitelijk overdrachtsbeletsel en dat dit niet tot gevolg heeft dat de vaststelling van de verantwoordelijkheid van Italië onrechtmatig is. De rechtbank wijst ter vergelijking op de uitspraken van de Afdeling van 8 april 2020 en 30 oktober 2020 betreffende een circular letter met betrekking tot het coronavirus, wat eveneens een tijdelijk overdrachtsbeletsel betrof.

Daarnaast verwijst de rechtbank naar de uitspraak van de Afdeling van 31 mei 2022 betreffende de opschorting van overdrachten door de Roemeense autoriteiten. Daarin heeft de Afdeling geoordeeld dat vanwege de bindende overdrachtstermijnen in artikel 29, eerste en tweede lid, van de Dublinverordening gewaarborgd is dat onzekerheid over overdracht van een vreemdeling van beperkte duur is. Hoewel onzeker is hoelang de opschorting van de overdrachten naar Italië zal voortduren, leidt dit niet tot de conclusie dat het bestreden besluit onrechtmatig is of dat verweerder de asielaanvraag onverplicht in behandeling moet nemen op grond van artikel 17 van de Dublinverordening.

Het beroep op de circular letter en de door eiser aangehaalde uitspraak slaagt dan ook niet.

7. Daarnaast heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat de politieke ontwikkelingen en de pushbacks ook Dublin-terugkeerders treffen. Het nieuwsartikel betreft bovendien een eenmalige uitspraak van een Eurocommissaris die niet is belast met asielbeleid en/of de Dublinverordening, en waarbij niet vaststaat dat hij bevoegd was te spreken namens de gehele Europese Commissie. Hiermee is dan ook niet aannemelijk gemaakt dat in het geval van eiser niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan.

8. Eiser heeft in de omstandigheid dat familieleden in Nederland verblijven en het gegeven dat een neef en collega van eiser wel verblijf hebben gekregen, geen aanleiding hoeven zien om artikel 17 van de Dublinverordening toe te passen. Verweerder heeft hierbij in aanmerking genomen dat de familieleden sinds langere tijd in Nederland verblijven. Daarnaast geldt dat elke zaak individueel wordt beoordeeld. Dat een collega en een neef wel een verblijfsrecht hebben gekregen, maakt niet dat gegarandeerd kan worden dat aan eiser een verblijfsrecht wordt verleend. Tot slot wordt opgemerkt dat de Dublinverordening erop is gericht om familieleven zoveel mogelijk te garanderen, maar dat zij echter niet is bedoeld om op reguliere gronden verblijf bij een familielid te verkrijgen. De stelling dat hij zou zijn meegereisd, indien het jong-volwassenenbeleid anders was geweest is dan ook niet relevant voor de vaststelling van de verantwoordelijke lidstaat.

9. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. K.M. de Jager, rechter, in aanwezigheid van mr. E.C. Jacobs, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. De uitspraak is bekendgemaakt op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking. Vreemdelingenwet 2000. Verordening nr. (EU) 604/2013. Uitspraak van 29 december 2022, ECLI:NL:RBMNE:2022:5701. “Eurocommissaris Schinas: Dublin-verordening is dood”, 6 december 2022. ECLI:NL:RVS:2022:49; ECLI:NL:RVS:2022:2497. ECLI:NL:RVS:2020:1032. ECLI:NL:RVS:2020:2580. ECLI:NL:RVS:2022:1520.