Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RBDHA:2023:2178 ECLI:NL:RBDHA:2023:2178 AI generated

ECLI:NL:RBDHA:2023:2178 · Rechtbank Den Haag

Case Number ECLI:NL:RBDHA:2023:2178
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Middelburg Bestuursrecht zaaknummer: NL23.3834 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [naam], eiser V-nummer: [nummer] (gemachtigde: mr. R. Deniz), en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. G.T. Cambier). Procesverloop Bij besluit van 2 februari 2023 (bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Verweerder heeft op 8 februari 2023 de maatregel van bewaring opgeheven. De rechtbank heeft het beroep op 15 februari 2023 op zitting behandeld in Breda. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen J.M. Proszkowski. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Overwegingen 1. Eiser is geboren op [geboortedatum] en heeft de Poolse nationaliteit.

Legislator headnote

AI generated

Artikel 106 van de Vw; ECLI:NL:RBDHA:2023:2178 · Rechtbank Den Haag: De rechtbank volgt eisers standpunt niet. In het arrest van het Hof in de zaak F.S. tegen Nederland is het volgende bepaald. Om opnieuw in aanmerking te komen voor een verblijfsrecht krachtens artikel 6, eerste lid, van de Verblijfsrichtlijn voor de burger van de Unie ten aanzien van wie een verwijderingsbesluit is genomen, moet deze burger het grondgebied van het gastland niet alleen fysiek hebben verlaten, maar ook zijn verblijf op dat grondgebied daadwerkelijk en effectief hebben beëindigd, zodat bij zijn terugkeer naar dat grondgebied niet kan worden aangenomen dat zijn verblijf in werkelijkheid een voortzetting is van zijn eerdere verblijf op dat grondgebied.

Keywords

AI generated
Artikel 106 van de Vw

Cited Legislation

AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Middelburg Bestuursrecht zaaknummer: NL23.3834 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [naam], eiser V-nummer: [nummer] (gemachtigde: mr. R. Deniz), en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. G.T. Cambier). Procesverloop Bij besluit van 2 februari 2023 (bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Verweerder heeft op 8 februari 2023 de maatregel van bewaring opgeheven. De rechtbank heeft het beroep op 15 februari 2023 op zitting behandeld in Breda. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen J.M. Proszkowski. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Overwegingen 1. Eiser is geboren op [geboortedatum] en heeft de Poolse nationaliteit.

2. Omdat de bewaring al is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. Daarvoor is van belang of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Maatregel van bewaring In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat deze nodig is in het belang van de openbare orde, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. Als zware gronden staat in de maatregel vermeld dat eiser: 3a.

Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan; 3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven; En als lichte gronden staat in de maatregel vermeld dat eiser: 4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden; 4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft; 4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.

4. Eiser betwist, zo begrijpt de rechtbank, zware gronden 3a en 3c. Hij voert daarbij aan dat verweerder niet deugdelijk heeft gemotiveerd dat hij Nederland niet daadwerkelijk en effectief heeft verlaten. Daarbij stelt hij dat verweerder niet is ingegaan op de omstandigheid dat eiser na zijn gedwongen uitzetting naar Polen, in Polen in een afkickkliniek heeft verbleven. Volgens eiser heeft hij dan ook zijn verblijf in Nederland daadwerkelijk en effectief beëindigd.

5. De rechtbank volgt eisers standpunt niet. In het arrest van het Hof in de zaak F.S. tegen Nederland is het volgende bepaald. Om opnieuw in aanmerking te komen voor een verblijfsrecht krachtens artikel 6, eerste lid, van de Verblijfsrichtlijn voor de burger van de Unie ten aanzien van wie een verwijderingsbesluit is genomen, moet deze burger het grondgebied van het gastland niet alleen fysiek hebben verlaten, maar ook zijn verblijf op dat grondgebied daadwerkelijk en effectief hebben beëindigd, zodat bij zijn terugkeer naar dat grondgebied niet kan worden aangenomen dat zijn verblijf in werkelijkheid een voortzetting is van zijn eerdere verblijf op dat grondgebied.

Door de uitzetting op 15 augustus 2022 heeft eiser Nederland fysiek verlaten en is hij teruggekeerd naar Polen. Uit het dossier blijkt dat eiser op 24 januari 2023 in Nederland is aangehouden op verdenking van een strafbaar feit. Hij was toen naar zijn zeggen twee dagen in Nederland en op zoek naar werk. Daarmee heeft hij echter zijn verblijf in Nederland niet daadwerkelijk en effectief beëindigd. Verweerder heeft terecht meegewogen dat eiser geen inspanningen heeft verricht om zijn verblijf in Nederland te beëindigen en om dat in Polen op te bouwen.

Eiser is meermaals uitgezet, maar steeds kort daarna weer aangetroffen in Nederland. Daarnaast heeft eiser tijdens het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling verklaard dat hij niks te zoeken heeft in Polen. De verklaringen van eiser dat hij in Polen in een afkickkliniek heeft verbleven acht de rechtbank onvoldoende (geconcretiseerd) voor het oordeel dat eiser doende is zijn verblijf in Polen te bestendigen. Gelet daarop heeft verweerder terecht aangenomen dat eiser niet daadwerkelijk en effectief Nederland heeft verlaten, zodat het verwijderingsbesluit van 14 juni 2021 nog steeds gelding heeft.

De zware gronden 3a en 3c zijn daarmee terecht aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd.

6. Eiser heeft de lichte gronden niet betwist. De gronden zijn voldoende om aan te nemen dat een risico op onttrekking bestaat en zij kunnen de maatregel van bewaring dragen. Er is ook na ambtshalve beoordeling geen reden om de maatregel onrechtmatig te achten. Conclusie 7. Het beroep tegen het bestreden besluit is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

8. Verweerder hoeft geen proceskosten te betalen. Beslissing De rechtbank:- verklaart het beroep ongegrond; - wijst het verzoek om schadevergoeding af. Deze uitspraak is gedaan door mr. B.F.Th. de Roos, rechter, in aanwezigheid van mr. Ż.A. Meinert, griffier en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. De uitspraak is bekendgemaakt op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking. Artikel 106 van de Vw. Artikel 5.1b, derde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb). Artikel 5.1b, vierde lid, van het Vb. Hof van Justitie van de Europese Unie van 22 juni 2021, ECLI:EU:C:2021:506, C-719/19. Richtlijn 2004/38/EG. Proces-verbaal van verhoor Avim 24 januari 2023, pagina 1 en 2.