Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RBDHA:2023:2148 ECLI:NL:RBDHA:2023:2148 AI generated

ECLI:NL:RBDHA:2023:2148 · Rechtbank Den Haag

Case Number ECLI:NL:RBDHA:2023:2148
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: SGR 22/6693 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 maart 2023 in de zaak tussen [eiser] , eiser (gemachtigde: mr. I.M. Zuidhoek), en de minister van Buitenlandse Zaken, verweerder. Procesverloop Eiser heeft tegen de beslissing op bezwaar van verweerder van 8 februari 2022 (het bestreden besluit) beroep ingesteld. Overwegingen 1. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.

Legislator headnote

AI generated

artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht; ECLI:NL:RBDHA:2023:2148 · Rechtbank Den Haag: Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. De rechtbank ziet aanleiding deze zaak en de zaak met nummer SGR 22/6700 aan te merken als samenhangende zaken als bedoeld in artikel 3 van het Bpb. De beroepen zijn gelijktijdig door de bestuursrechter behandeld, de rechtsbijstand is verleend door dezelfde persoon, van wie de werkzaamheden in elk van de zaken nagenoeg identiek waren. De beroepsgronden zagen in elke zaak op dezelfde rechtsvraag en waren (nagenoeg) gelijkluidend.

Keywords

AI generated
unreasonableness of return to Afghanistan asylum for afghan nationals removal right to a decision tibetan asylum request withdrawal of legal petition

Cited Legislation

AI generated
artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht
De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.

Cited Case Law

AI generated
AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: SGR 22/6693 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 maart 2023 in de zaak tussen [eiser] , eiser (gemachtigde: mr. I.M. Zuidhoek), en de minister van Buitenlandse Zaken, verweerder. Procesverloop Eiser heeft tegen de beslissing op bezwaar van verweerder van 8 februari 2022 (het bestreden besluit) beroep ingesteld. Overwegingen 1. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.

2. Verweerder heeft per brief aan eiser medegedeeld dat hij niet in aanmerking komt voor evacuatie dan wel overbrenging naar Nederland. Bij besluit van 8 februari 2022 heeft verweerder het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk verklaard. Verweerder heeft daartoe overwogen dat de brief niet kan worden aangemerkt als besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb, waartegen bezwaar en beroep open staat. Eiser heeft daartegen beroep ingesteld.

3. In haar uitspraken van 14 september 2022 heeft de hoogste bestuursrechter in dit soort zaken overwogen dat de beslissing op het verzoek om vanuit Afghanistan te worden geëvacueerd, dan wel de overkomst naar Nederland te faciliteren, wel moet worden aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. Verweerder heeft het bezwaar van eiser dan ook ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard.

4. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit wordt vernietigd. Verweerder moet een nieuw besluit op bezwaar nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank geeft verweerder hiervoor acht weken.

5. Eiser heeft geen griffierecht betaald, waardoor verweerder geen griffierecht aan hem hoeft te vergoeden.

6. Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. De rechtbank ziet aanleiding deze zaak en de zaak met nummer SGR 22/6700 aan te merken als samenhangende zaken als bedoeld in artikel 3 van het Bpb. De beroepen zijn gelijktijdig door de bestuursrechter behandeld, de rechtsbijstand is verleend door dezelfde persoon, van wie de werkzaamheden in elk van de zaken nagenoeg identiek waren. De beroepsgronden zagen in elke zaak op dezelfde rechtsvraag en waren (nagenoeg) gelijkluidend.

Volgens de Bijlage bij het Bpb, onder C2, wordt voor minder dan vier samenhangende zaken een wegingsfactor van 1 toegepast. Toegepast op het hiervoor vermelde bedrag levert dat een proceskostenvergoeding op van (€ 837,- × 1 =) € 837,-. Dit bedrag dient te worden gedeeld door het totaal aantal samenhangende zaken (€ 837,- ÷ 2) zodat de proceskostenvergoeding voor iedere in deze uitspraak behandelde zaak € 418,50 bedraagt. Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep gegrond; - vernietigt het bestreden besluit; - draagt verweerder op binnen acht weken een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak; - veroordeelt verweerders in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 418,50.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.P. Kleijn, rechter, in aanwezigheid van F.J. Leegstraten, griffier. De uitspraak is bekendgemaakt in het openbaar op 3 maart 2023. Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Bent u het niet eens met deze uitspraak? Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.

Als u een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden. Uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 14 september 2022, ECLL:NL:RVS:2022:2592 en ECLI:NL:RVS:2022:2684.