Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RBDHA:2023:20488 ECLI:NL:RBDHA:2023:20488 AI generated

ECLI:NL:RBDHA:2023:20488 · Rechtbank Den Haag

Case Number ECLI:NL:RBDHA:2023:20488
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Groningen Bestuursrecht zaaknummers: NL23.28333, NL23.28332 en NL23.28334 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen [naam 1] , eiseres V-nummer [nummer 1] [naam 2] , eiseres, V-nummer: [nummer 2] mede namens haar minderjarige kind: [naam kind] , eiser, V-nummer: [nummer 3] [naam 3] , eiser, V-nummer: [nummer 4] hierna eisers, (gemachtigde: mr. S.N. Ali), en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, de staatssecretaris Procesverloop Deze uitspraak gaat over de beroepen die eisers hebben ingesteld omdat de staatssecretaris volgens hen niet op tijd heeft beslist op de asielaanvragen van 25 maart 2022. De staatssecretaris heeft geen verweerschrift ingediend. Overwegingen 1. De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet om een zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en de zaak niet behandeld op een zitting. Artikel 8:57, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.

Legislator headnote

AI generated

artikel 6:12 van de Awb; ECLI:NL:RBDHA:2023:20488 · Rechtbank Den Haag: Omdat de beroepen gegrond zijn, zal de rechtbank, gelet op de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 30 november 2022 (ECLI:NL:RVS:2022:3352 en ECLI:NL:RVS:2022:3353), een rechterlijke dwangsom opleggen en met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, aanhef en onder b, van de Awb bepalen dat de staatssecretaris alsnog besluiten bekend dient te maken op de asielaanvragen van eisers. In de uitspraak van 8 juli 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:1560) heeft de Afdeling het 8+8-wekenmodel passend geacht.

Keywords

AI generated
delayed asylum application untimely request for extension prosecutorial delay reasonable duration of the proceedings inactivity after procedural stay postponement of trial

Cited Legislation

AI generated
artikel 6:12 van de Awb
Dit staat (onder andere) in artikel 6:12 van de Awb.

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:RVS:2022:3352
202203066/1/V1. Datum uitspraak: 30 november 2022 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van: de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, van 22 april 2022 in zaak nr. NL21.11403 in het geding tussen: [de vreemdeling] en de staatssecretaris. Procesverloop De vreemdeling heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op een aanvraag om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd (hierna ook: asielaanvraag) te verlenen.
ECLI:NL:RVS:2022:3353
202203068/1/V1. Datum uitspraak: 30 november 2022 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van: de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch, van 22 april 2022 in zaak nr. NL22.2074 in het geding tussen: [de vreemdeling] en de staatssecretaris. Procesverloop De vreemdeling heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op een aanvraag om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd (hierna ook: asielaanvraag) te verlenen.
ECLI:NL:RVS:2020:1560
202000935/1/V1.Datum uitspraak: 8 juli 2020 AFDELINGBESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 28 januari 2020 in zaak nr. NL19.29203 in het geding tussen: [de vreemdeling] en de staatssecretaris. Procesverloop De vreemdeling heeft tegen het uitblijven van een besluit op zijn aanvraag om hem een verblijfsvergunning asiel te verlenen beroep ingesteld bij de rechtbank.
ECLI:NL:RVS:2020:1624
202001512/1/V1. Datum uitspraak: 15 juli 2020 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, van 4 februari 2020 in zaken nrs. NL19.25928, NL19.25935, NL19.25939 en NL19.25940 in het geding tussen: [vreemdeling 1] en [vreemdeling 2], mede voor hun minderjarige kinderen, en de staatssecretaris. Procesverloop De vreemdelingen hebben tegen het uitblijven van een besluit op hun aanvragen om hun een verblijfsvergunning asiel te verlenen beroepen ingesteld bij de rechtbank.
AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Groningen Bestuursrecht zaaknummers: NL23.28333, NL23.28332 en NL23.28334 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen [naam 1] , eiseres V-nummer [nummer 1] [naam 2] , eiseres, V-nummer: [nummer 2] mede namens haar minderjarige kind: [naam kind] , eiser, V-nummer: [nummer 3] [naam 3] , eiser, V-nummer: [nummer 4] hierna eisers, (gemachtigde: mr. S.N. Ali), en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, de staatssecretaris Procesverloop Deze uitspraak gaat over de beroepen die eisers hebben ingesteld omdat de staatssecretaris volgens hen niet op tijd heeft beslist op de asielaanvragen van 25 maart 2022. De staatssecretaris heeft geen verweerschrift ingediend. Overwegingen 1. De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet om een zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en de zaak niet behandeld op een zitting. Artikel 8:57, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.

2. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag, kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene schriftelijk aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na die twee weken nog steeds geen besluit is, dan kan de betrokkene beroep instellen. Dit staat (onder andere) in artikel 6:12 van de Awb.

3. Op grond van artikel 42, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 moet de staatssecretaris binnen zes maanden na ontvangst van de aanvraag beslissen.

4. Eisers hebben de aanvragen ingediend op 25 maart 2022. De staatssecretaris moet uiterlijk binnen zes maanden na ontvangst van de aanvragen beslissen, dus op 25 september 2022. De WBV 2022/22 is per 27 september 2022 in werking getreden. De aanvragen vallen daarmee dus niet onder de werking van de WBV 2022/22. Bij afzonderlijke brieven van 16 maart 2023 heeft de staatssecretaris eisers bericht dat hun asielaanvragen verder zullen worden behandeld in de verlengde asielprocedure. Eisers hebben de staatssecretaris op 1 augustus 2023, dus na het verstrijken van de termijn, in gebreke gesteld en vervolgens op 8 september 2023 beroepen ingesteld. Niet is gebleken dat de staatssecretaris inmiddels een besluit op de aanvragen heeft genomen. De beroepen tegen het met de besluiten gelijk te stellen niet tijdig nemen van de besluiten zijn daarom gegrond.

5. Omdat de beroepen gegrond zijn, zal de rechtbank, gelet op de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 30 november 2022 (ECLI:NL:RVS:2022:3352 en ECLI:NL:RVS:2022:3353), een rechterlijke dwangsom opleggen en met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, aanhef en onder b, van de Awb bepalen dat de staatssecretaris alsnog besluiten bekend dient te maken op de asielaanvragen van eisers. In de uitspraak van 8 juli 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:1560) heeft de Afdeling het 8+8-wekenmodel passend geacht.

6. Uit het dossier blijkt dat niet alleen een aanmeldgehoor van eisers heeft plaatsgevonden, maar dat zij op 14 maart 2023 ook zijn gehoord over hun asielmotieven. Uit het dossier blijkt echter niet wat de staatssecretaris na de op 16 maart 2023 aan eisers verstuurde afzonderlijke brieven, waarin is bericht dat hun aanvragen in de verlengde asielprocedure zullen worden behandeld, heeft gedaan en of al een documentonderzoek is gedaan. De rechtbank ziet mede vanwege het tijdsverloop sinds de brieven van 16 maart 2023 aanleiding om een termijn van acht weken, het tweede deel van het 8+8-wekenmodel, passend te achten.

Daarbij is niet alleen van belang dat de beslissing op zorgvuldige wijze wordt genomen, maar ook is van belang dat eisers recht hebben op een duidelijke beslistermijn. Bijzondere omstandigheden kunnen voor de rechtbank aanleiding zijn om de staatssecretaris een andere (langere) termijn te geven. In dit geval is niet gebleken van dergelijke omstandigheden. De rechtbank acht het niet onmogelijk voor de staatssecretaris om op zorgvuldige wijze binnen acht weken besluiten te nemen. Dit betekent dat de staatssecretaris binnen acht weken na de dag van bekendmaking van deze uitspraak besluiten op de aanvragen van eisers bekend moet maken.

7. Met toepassing van artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb bepaalt de rechtbank dat de staatssecretaris een dwangsom van € 100,- voor eisers gezamenlijk (zie de uitspraak van de Afdeling van 15 juli 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1624) moet betalen voor elke dag waarmee de beslistermijn nu nog wordt overschreden door de staatssecretaris. Daarbij geldt wel een maximum van € 7.500,- .

8. Eisers hebben de rechtbank verzocht om de bestuurlijke dwangsom vast te stellen. De rechtbank is van oordeel dat de staatssecretaris geen dwangsom aan eisers is verschuldigd voor het te laat beslissen op hun asielaanvragen. Het afschaffen van de bestuurlijke dwangsom in asielzaken is niet in strijd met het Unierechtelijke gelijkwaardigheidsbeginsel. Voor de motivering van dit oordeel wordt verwezen naar de hiervoor onder 5 genoemde uitspraken van de Afdeling van 30 november 2022.

9. De rechtbank veroordeelt de staatssecretaris in de door eisers gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 418,50 (1 punt (met inachtneming van hun samenhang) voor het indienen van de beroepschriften, met een waarde per punt van € 837,- en een wegingsfactor 0,5). Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep gegrond; - vernietigt het, met de besluiten gelijk te stellen, niet tijdig nemen van de besluiten; - draagt de staatssecretaris op binnen acht weken na de dag van bekendmaking van deze uitspraak alsnog besluiten op de aanvragen bekend te maken; - bepaalt dat de staatssecretaris aan eisers gezamenlijk een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 7.500,-; - veroordeelt de staatssecretaris in de proceskosten van eisers tot een bedrag van € 418,50.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S. Ketelaars - Mast, rechter, in aanwezigheid van mr. E.A. Ruiter, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl. De uitspraak is bekendgemaakt op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak bekend is gemaakt.