Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RBDHA:2023:20140 ECLI:NL:RBDHA:2023:20140 AI generated

ECLI:NL:RBDHA:2023:20140 · Rechtbank Den Haag

Case Number ECLI:NL:RBDHA:2023:20140
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: SGR 22/7982 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 december 2023 in de zaak tussen [eiser], uit [woonplaats], eiser (gemachtigde: mr. B.B.A. Willering), en de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb), verweerder (gemachtigde: mr. K. Verbeek). Procesverloop Bij besluit van 9 juni 2022 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser om kinderbijslag over het tweede kwartaal van 2022 afgewezen. Bij besluit van 26 oktober 2022 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Legislator headnote

AI generated

ECLI:NL:RBDHA:2023:20140 · Rechtbank Den Haag: Verweerder stelt dat eiser over het tweede kwartaal van 2022 geen recht heeft op kinderbijslag, omdat hij niet aangemerkt kan worden als verzekerde voor de Algemene Kinderbijslagwet (AKW). Gelet op eisers situatie, had hij op de eerste dag van het tweede kwartaal van 2022 nog geen persoonlijke band van duurzame aard met Nederland. Wettelijk kader 4. In artikel 6, eerste lid, aanhef en onder a, van de AKW is bepaald dat verzekerd krachtens deze wet is degene die ingezetene is. Ingevolge artikel 2 van de AKW is ingezetene degene die in Nederland woont.

Keywords

AI generated
notification of address change domicile abroad intention of permanent residence address for service expatriation and foreign residence allowances prolonged absence abroad

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:HR:2011:BP1466
Het geding in feitelijke instanties Bij besluit van 13 april 2006 heeft de Sociale verzekeringsbank de door belanghebbende ingediende aanvraag tot toekenning van kinderbijslag ingevolge de Algemene Kinderbijslagwet (hierna: de AKW) afgewezen. De Sociale verzekeringsbank heeft het tegen dit besluit gemaakte bezwaar ongegrond verklaard voor zover het betrekking heeft op het recht op kinderbijslag over het jaar 2005. De Rechtbank te Amsterdam (nr. 07/70 AKW) heeft het tegen die beslissing ingestelde beroep gegrond verklaard en het besluit op bezwaar voor zover dat betrekking heeft op het recht op kinderbijslag over het jaar 2005 vernietigd. De Sociale verzekeringsbank heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij de Centrale Raad. De Centrale Raad heeft de uitspraak van de Rechtbank vernietigd en het beroep ongegrond verklaard. De uitspraak van de Centrale Raad is aan dit arrest gehecht.
ECLI:NL:HR:2011:BP6285
Het geding in feitelijke instanties Bij besluit van 21 mei 2007 heeft de Sociale verzekeringsbank met ingang van het tweede kwartaal van het jaar 2007 aan belanghebbende kinderbijslag ingevolge de Algemene Kinderbijslagwet (hierna: de AKW) toegekend. De Sociale verzekeringsbank heeft het tegen dit besluit gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. De Rechtbank te 's-Gravenhage (nr. AWB 07/7508 AKW) heeft het tegen die beslissing ingestelde beroep ongegrond verklaard. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij de Centrale Raad. De Centrale Raad heeft de uitspraak van de Rechtbank bevestigd. De uitspraak van de Centrale Raad is aan dit arrest gehecht.
ECLI:NL:HR:1996:AA1836
Beslissing van het bestuur en geding voor de Rechtbank Bij beslissing gedagtekend 16 juni 1992 heeft het Bestuur de aanvraag van X tot toekenning van kinderbijslag ingevolge de AKW voor zijn - tot zijn huishouden behorende - kinderen over de eerste drie kwartalen van 1991 afgewezen. Tegen die beslissing heeft X beroep ingesteld bij de Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage. De Rechtbank heeft bij uitspraak van 16 april 1993 het beroep tegen die beslissing gegrond verklaard.
ECLI:NL:CRVB:2019:2182
18574 AKW Datum uitspraak: 20 juni 2019 Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 15 december 2017, 17/3215 (aangevallen uitspraak Partijen: [appellante] te [woonplaats] (appellante) de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb) PROCESVERLOOP Namens appellante heeft mr. L.N. Huizenga, advocaat, hoger beroep ingesteld. De Svb heeft een verweerschrift ingediend. Namens appellante heeft mr. Huizenga nadere stukken ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 mei 2019.
ECLI:NL:CRVB:2023:1918
22/2574 AKW Datum uitspraak: 12 oktober 2023 Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 23 juni 2022, 21/2235 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellante] te [woonplaats] (appellante) de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb) PROCESVERLOOP Met een besluit van 8 december 2020 heeft de Svb over het derde en vierde kwartaal van 2020 geweigerd kinderbijslag toe te kennen. Appellante heeft daartegen bezwaar gemaakt maar de Svb is met een besluit van 23 februari 2021 (bestreden besluit) bij de weigering gebleven.
AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: SGR 22/7982 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 december 2023 in de zaak tussen [eiser], uit [woonplaats], eiser (gemachtigde: mr. B.B.A. Willering), en de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb), verweerder (gemachtigde: mr. K. Verbeek). Procesverloop Bij besluit van 9 juni 2022 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser om kinderbijslag over het tweede kwartaal van 2022 afgewezen. Bij besluit van 26 oktober 2022 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. De rechtbank heeft het beroep op 25 oktober 2023 op zitting behandeld. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Eiser en zijn gemachtigde zijn met kennisgeving niet verschenen. Overwegingen Achtergrond 1. Eiser heeft op 7 januari 2022 kinderbijslag aangevraagd voor zijn zoon [naam], geboren op [geboortedag] 2017 in Egypte. Sinds 6 januari 2022 staat eiser ingeschreven in de Basisregistratie Personen (BRP). Zijn zoon staat sinds 28 januari 2022 ingeschreven in de BRP.

De partner van eiser heeft tot 18 augustus 2022 in Engeland gewoond. Eiser woont bij familie en ontvangt vanaf 11 januari 2022 een bijstandsuitkering. Bij het primaire besluit heeft verweerder de aanvraag van eiser afgewezen, omdat eiser op de eerste dag van het tweede kwartaal van 2022 niet als ingezetene kan worden aangemerkt. Eiser heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het primaire besluit gehandhaafd. Gronden van eiser 2. Eiser voert aan dat hij sinds zijn aankomst in Nederland de intentie heeft gehad om te blijven.

Eiser staat per 21 maart 2022 ingeschreven als woningzoekende. Doordat hij in april 2022 een ongeluk heeft gehad, kon hij op dat moment niet meer werken. Hij heeft in 2016 nog in Nederland gewoond en gewerkt. Eiser heeft per eerste kwartaal van 2023 kinderbijslag voor zijn zoon gekregen. Per tweede kwartaal heeft hij zelfs dubbele kinderbijslag gekregen omdat zijn zoon ernstig beperkt is. Het hebben van een kind met ernstige beperkingen brengt mee dat het zoeken naar een geschikte woonruimte en het vinden van werk zeer stressvol en moeilijk is. Standpunt van verweerder 3.

Verweerder stelt dat eiser over het tweede kwartaal van 2022 geen recht heeft op kinderbijslag, omdat hij niet aangemerkt kan worden als verzekerde voor de Algemene Kinderbijslagwet (AKW). Gelet op eisers situatie, had hij op de eerste dag van het tweede kwartaal van 2022 nog geen persoonlijke band van duurzame aard met Nederland. Wettelijk kader 4. In artikel 6, eerste lid, aanhef en onder a, van de AKW is bepaald dat verzekerd krachtens deze wet is degene die ingezetene is. Ingevolge artikel 2 van de AKW is ingezetene degene die in Nederland woont.

Waar iemand woont wordt op grond van artikel 3, eerste lid, van de AKW naar de omstandigheden beoordeeld. Ingevolge artikel 11, eerste lid, van de AKW heeft recht op kinderbijslag voor een kind ingevolge deze wet slechts degene, die op de eerste dag van een kalenderkwartaal verzekerd is. Beoordeling door de rechtbank 5.1 Tussen partijen is in geschil of op de peildatum van het tweede kwartaal van 2022, 1 april 2022, sprake was van het bestaan van een duurzame band van persoonlijke aard tussen eiser en Nederland en daarmee van ingezetenschap en verzekering voor de AKW. 5.2 Volgens vaste rechtspraak komt het er bij de beoordeling van de omstandigheden van ingezetenschap op aan of deze van dien aard zijn, dat een duurzame band van persoonlijke aard bestaat tussen de betrokkene en Nederland.

Bij de beoordeling van het bestaan van een duurzame band van persoonlijke aard met Nederland moet worden gekeken naar alle in aanmerking komende feiten en omstandigheden van het geval. Voor het aannemen van ingezetenschap is onvoldoende dat de betrokkene de intentie heeft zich definitief in Nederland te vestigen. De intentie van een betrokkene om in Nederland te wonen dient te worden beoordeeld aan de hand van het gedrag en dient te blijken uit de feiten en omstandigheden. Het beschikken over duurzaam ter beschikking staande woonruimte is één van de omstandigheden die van belang zijn bij de weging of sprake is van een duurzame band van persoonlijke aard tussen de betrokkene en Nederland.

Ook de duur van het verblijf in Nederland is een omstandigheid die van belang is bij die beoordeling. 5.3 De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiser op de peildatum 1 april 2022 niet als ingezetene kan worden aangemerkt. Van belang is dat eiser op de peildatum geen woning had die duurzaam tot zijn beschikking stond. Eiser verbleef ten tijde van de peildatum bij familie en was nog niet werkzaam in Nederland. Verder is onvoldoende gebleken dat eiser op de peildatum de intentie had om definitief in Nederland te verblijven.

Verweerder heeft terecht gesteld dat op de peildatum 1 april 2022 geen duurzame band van persoonlijke aard bestond tussen eiser en Nederland. 5.4 Voor zover eiser heeft bedoeld te stellen dat sprake is van schending van het evenredigheidsbeginsel, geldt het volgende. De bepalingen waarop de weigering van de kinderbijslag is gebaseerd zijn dwingendrechtelijk van aard en neergelegd in de AKW, een wet in formele zin. Er bestaat voor verweerder geen ruimte voor een belangenafweging. Vanwege dit dwingendrechtelijk karakter is er geen plaats voor toetsing aan het evenredigheidsbeginsel.

Wat eiser heeft aangevoerd vormt geen aanleiding om hier anders over te oordelen. Conclusie 6. Het beroep van eiser zal ongegrond worden verklaard. Dit betekent dat eiser geen gelijk krijgt.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Eiser krijgt ook het betaalde griffierecht niet terug. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. M.P. Verloop, rechter, in aanwezigheid van mr. I. Ince, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 6 december 2023. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak.

Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Zie de arresten van de Hoge Raad (HR) van 21 januari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP1466 en van 4 maart 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP6285. Zie het arrest van de HR van 17 januari 1996, ECLI:NL:HR:1996:AA1836.

Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 20 juni 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:2182. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 12 oktober 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:1918, r.o. 4.9.