Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RBDHA:2023:17005 ECLI:NL:RBDHA:2023:17005 AI generated

ECLI:NL:RBDHA:2023:17005 · Rechtbank Den Haag

Case Number ECLI:NL:RBDHA:2023:17005
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Middelburg Bestuursrecht zaaknummer: NL23.33709 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [naam eiser] , eiser V-nummer: [V-nr.] (gemachtigde: mr. S. Benayad), en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder Procesverloop Verweerder heeft op 4 augustus 2023 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort. Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding. Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd. De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft en het onderzoek gesloten op 31 oktober 2023. Overwegingen 1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedatum] en de Marokkaanse nationaliteit te hebben.

Legislator headnote

AI generated

ECLI:NL:RBDHA:2023:17005 · Rechtbank Den Haag: Eiser voert aan dat er geen zicht is op uitzetting naar Tunesië binnen een redelijke termijn. Tot op heden hebben namelijk zowel de Tunesische autoriteiten als de Marokkaanse autoriteiten nog niet gereageerd op het verzoek om afgifte van een lp voor eiser. Dit ondanks dat verweerder beschikt over de identiteitskaart van eiser waaruit zijn personalia en nationaliteit blijken. Daarnaast is eiser mishandeld in het detentiecentrum en maakt hij zich ernstig zorgen om zijn veiligheid bij het voortduren van de bewaring. Eiser meent dan ook dat de bewaring moet worden opgeheven.

Keywords

AI generated
repeated immigration violations prolonged absence abroad Nigerian asylum application extension of visiting rights risk of overstaying deportation despite health issues

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:RBDHA:2023:12662
RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Middelburg Bestuursrecht zaaknummers: NL23.22438 en NL23.22747 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [naam], eiser V-nummer: [nummer] (gemachtigde: mr.
ECLI:NL:RBDHA:2023:12663
RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Middelburg Bestuursrecht zaaknummers: NL23.22438 en NL23.22747 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [naam], eiser V-nummer: [nummer] (gemachtigde: mr.
ECLI:NL:RBDHA:2023:14628
RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Middelburg Bestuursrecht zaaknummer: NL23.28726 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [naam], eiser V-nummer: [nummer] (gemachtigde: mr.
ECLI:NL:RVS:2023:3990
202305373/1/V3. Datum uitspraak: 30 oktober 2023 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: [de vreemdeling], appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem, van 21 augustus 2023 in zaak nr. NL23.22230 in het geding tussen: de vreemdeling en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Procesverloop Bij besluit van 1 augustus 2023 heeft de staatssecretaris de vreemdeling in bewaring gesteld. Bij uitspraak van 21 augustus 2023 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
ECLI:NL:RVS:2022:2103
202203535/1/V3. Datum uitspraak: 21 juli 2022 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: [de vreemdeling], appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem, van 3 juni 2022 in zaak nr. NL22.8428 in het geding tussen: de vreemdeling en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Procesverloop Bij besluit van 9 mei 2022 heeft de staatssecretaris de vreemdeling in bewaring gesteld. Bij uitspraak van 3 juni 2022 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
ECLI:NL:RVS:2022:4002
202206748/1/V3. Datum uitspraak: 29 december 2022 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: [de vreemdeling], appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Zwolle, van 17 november 2022 in zaak nr. NL22.22476 in het geding tussen: de vreemdeling en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Procesverloop Bij besluit van 2 november 2022 heeft de staatssecretaris de vreemdeling in bewaring gesteld. Bij uitspraak van 17 november 2022 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Middelburg Bestuursrecht zaaknummer: NL23.33709 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [naam eiser] , eiser V-nummer: [V-nr.] (gemachtigde: mr. S. Benayad), en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder Procesverloop Verweerder heeft op 4 augustus 2023 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort. Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding. Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd. De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft en het onderzoek gesloten op 31 oktober 2023. Overwegingen 1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedatum] en de Marokkaanse nationaliteit te hebben.

2. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.

3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Hierbij wordt verwezen naar de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 17 augustus 2023. Vervolgens is al eerder vervolgberoep ingesteld. Hierbij wordt verwezen naar de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 22 september 2023. Hieruit volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom staat nu alleen ter beoordeling of de maatregel van bewaring sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek, 19 september 2023, rechtmatig is.

4. Eiser voert aan dat er geen zicht is op uitzetting naar Tunesië binnen een redelijke termijn. Tot op heden hebben namelijk zowel de Tunesische autoriteiten als de Marokkaanse autoriteiten nog niet gereageerd op het verzoek om afgifte van een lp voor eiser. Dit ondanks dat verweerder beschikt over de identiteitskaart van eiser waaruit zijn personalia en nationaliteit blijken. Daarnaast is eiser mishandeld in het detentiecentrum en maakt hij zich ernstig zorgen om zijn veiligheid bij het voortduren van de bewaring. Eiser meent dan ook dat de bewaring moet worden opgeheven.

5. De rechtbank stelt voorop dat in zijn algemeenheid sprake is van zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn naar Tunesië. Niet is gebleken dat door de autoriteiten van Tunesië in het algemeen of voor eiser in het bijzonder geen lp zal worden afgegeven. Dat de Tunesische autoriteiten nog geen lp hebben verstrekt is onvoldoende voor de conclusie dat het zicht op uitzetting in het individuele geval van eiser ontbreekt. De beroepsgrond slaagt niet.

6. Uit de uitspraak van de Afdeling van 21 juli 2022 volgt dat het Detentiecentrum Rotterdam kan worden gekwalificeerd als een speciale inrichting voor bewaring. Het is vaste rechtspraak van de Afdeling dat de bewaringsrechter niet kan oordelen over de wijze waarop feitelijk uitvoering wordt gegeven aan het regime binnen het detentiecentrum waar de vreemdeling in bewaring is gesteld. Daarvoor staan andere rechtsmiddelen open. Voor zover eiser aanvoert dat de bewaring moet worden opgeheven vanwege het incident volgt de rechtbank dit niet. Eiser heeft aangifte kunnen doen van het incident en in het vertrekgesprek van 27 september 2023 is eiser naar het incident gevraagd. Hieruit blijkt dat het detentiecentrum de situatie van eiser serieus neemt. De belangenafweging leidt niet tot het oordeel dat de het voortduren van de bewaring onrechtmatig is.

7. Tot slot is het de rechtbank ook ambtshalve niet gebleken dat het voortduren van de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was.

8. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep ongegrond; - wijst het verzoek om schadevergoeding af. Deze uitspraak is gedaan door mr. E.F. Bethlehem, rechter, in aanwezigheid van mr. S.D.C.J. Verheezen, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. De uitspraak is bekendgemaakt op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open. ECLI:NL:RBDHA:2023:12662 en de hersteluitspraak van 24 augustus 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:12663. ECLI:NL:RBDHA:2023:14628. Laissez-passer. Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak bij de Raad van State (Afdeling) van 30 oktober 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3990. ECLI:NL:RVS:2022:2103. ECLI:NL:RVS:2022:4002. Op grond van het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 november 2022 in de gevoegde zaken C-704/20 en C-39/21 en - in aansluiting hierop - in de uitspraak van de Afdeling van 26 juli 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2829.