Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RBDHA:2023:16656 ECLI:NL:RBDHA:2023:16656 AI generated

ECLI:NL:RBDHA:2023:16656 · Rechtbank Den Haag

Case Number ECLI:NL:RBDHA:2023:16656
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Groningen Bestuursrecht zaaknummer: NL23.24172 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [naam], eiser, geboren op [geboortedatum], van Algerijnse nationaliteit, V-nummer: [v-nummer] (gemachtigde: mr. W. Spijkstra) en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, de staatssecretaris (gemachtigde: mr. S.J. de Vries). Inleiding 1.1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd.

Legislator headnote

AI generated

ECLI:NL:RBDHA:2023:16656 · Rechtbank Den Haag: Dit houdt in dat de gemachtigde weet dat een vreemdeling nog in Nederland verblijft, waar hij verblijft en met de vreemdeling contact heeft over de verdere voortgang van de procedure en de keuzes die in dit kader moeten worden gemaakt. 2.2. De gemachtigde van eiser heeft aangegeven dat hij geen contact meer heeft met eiser. Hij heeft betoogd dat eiser wel procesbelang heeft op grond van de artikelen 29 en 30 van de Dublinverordening. De verlenging van de uiterste overdrachtsdatum is juist van belang, omdat eiser bij een gegrond beroep in de Nederlandse asielprocedure opgenomen dient te worden. 2.3.

Keywords

AI generated
Dublin transfer to Croatia lawful deportation occupational migration entry into a country migration risk principle of non-refoulement

Cited Case Law

AI generated
AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Groningen Bestuursrecht zaaknummer: NL23.24172 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [naam], eiser, geboren op [geboortedatum], van Algerijnse nationaliteit, V-nummer: [v-nummer] (gemachtigde: mr. W. Spijkstra) en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, de staatssecretaris (gemachtigde: mr. S.J. de Vries). Inleiding 1.1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd.

De staatssecretaris heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 23 augustus 2023 niet in behandeling genomen omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de aanvraag. 1.2. De rechtbank heeft het beroep samen met het verzoek een voorlopige voorziening te treffen (zaaknummer NL23.24173) op 31 oktober 2023 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de staatssecretaris. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten. Beoordeling door de rechtbank 2. De rechtbank beantwoordt de vraag of eiser procesbelang heeft bij zijn beroep.

De staatssecretaris heeft aangegeven dat eiser op 13 juli 2023 de opvang zelfstandig heeft verlaten en met onbekende bestemming is vertrokken. 2.1. Uit vaste rechtspraak volgt dat, als de vreemdeling met onbekende bestemming vertrekt zonder aan de staatssecretaris te laten weten waar hij verblijft, er in beginsel van dient te worden uitgegaan dat hij kennelijk geen prijs meer stelt op de door hem gezochte bescherming in Nederland. Dit is slechts anders als een vreemdeling laat weten dat hij contact met zijn gemachtigde onderhoudt en dus nog prijs stelt op deze bescherming.

Dit houdt in dat de gemachtigde weet dat een vreemdeling nog in Nederland verblijft, waar hij verblijft en met de vreemdeling contact heeft over de verdere voortgang van de procedure en de keuzes die in dit kader moeten worden gemaakt. 2.2. De gemachtigde van eiser heeft aangegeven dat hij geen contact meer heeft met eiser. Hij heeft betoogd dat eiser wel procesbelang heeft op grond van de artikelen 29 en 30 van de Dublinverordening. De verlenging van de uiterste overdrachtsdatum is juist van belang, omdat eiser bij een gegrond beroep in de Nederlandse asielprocedure opgenomen dient te worden. 2.3.

Het betoog slaagt niet. De rechtbank constateert dat er geen contact meer is tussen eiser en zijn gemachtigde. De rechtbank neemt daarom aan dat eiser geen prijs meer stelt op de door hem verzochte bescherming en op een inhoudelijk beoordeling van zijn beroep. De artikelen 29 en 30 van de Dublinverordening zien op de situatie waarin een betrokkene ten onrechte is overgedragen naar een andere lidstaat. In het geval van eiser is deze situatie niet aan de orde, aangezien eiser niet is overgedragen. Alleen al om die reden kan hij aan deze bepalingen geen procesbelang ontlenen. 2.4.

Daarnaast is gebleken dat eiser reeds op 13 juli 2023 met onbekende bestemming is vertrokken. Sindsdien is er een lange tijd verstreken. Ook daaruit leidt de rechtbank af dat eiser geen behoefte meer heeft aan de door hem verzochte internationale bescherming.

3. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat eiser geen procesbelang meer heeft. Het beroep is daarom niet ontvankelijk. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk. Deze uitspraak is gedaan door mr. S. Ketelaars-Mast, rechter, in aanwezigheid van mr. A.E. Geçer, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl. De uitspraak is bekendgemaakt op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak.

Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 22 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:579.