Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RBDHA:2023:16634 ECLI:NL:RBDHA:2023:16634 AI generated

ECLI:NL:RBDHA:2023:16634 · Rechtbank Den Haag

Case Number ECLI:NL:RBDHA:2023:16634
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Groningen Bestuursrecht zaaknummer: NL23.17828 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [naam] , eiser, V-nummer: [nummer] (gemachtigde: mr. P.J. Schüller), en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. H.R. Nobel). Inleiding In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het aan hem opgelegde terugkeerbesluit en inreisverbod voor de duur van tien jaar. Verweerder heeft dit met het bestreden besluit van 4 mei 2023 aan eiser uitgevaardigd. Eiser heeft gronden en aanvullende gronden van beroep ingediend.

Legislator headnote

AI generated

ECLI:NL:RBDHA:2023:16634 · Rechtbank Den Haag: Dit betekent dat op eiser onverminderd een vertrekverplichting rustte, met een vertrektermijn van vier weken (artikel 62, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000, hierna Vw 2000). Niet is gebleken dat eiser sindsdien de Europese Unie (EU) heeft verlaten, zodat de vertrekverplichting nog steeds van kracht is en de vertrektermijn inmiddels is verstreken. 4.2. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het bij het bestreden besluit opgelegde terugkeerbesluit onverplicht en ten overvloede is genomen en geen nieuwe rechtsgevolgen in het leven roept die niet al eerder waren ontstaan.

Keywords

AI generated
removal entry permit lawful return reconsideration of expulsion unreasonableness of expulsion risk of overstaying

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:RBAMS:2021:7769
RECHTBANK AMSTERDAM VONNIS Parketnummer: 13/120775-21 (Promis) Datum uitspraak: 23 december 2021 Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1978, zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland, gedetineerd in [detentieplaats] .
ECLI:NL:RVS:2022:89
202100028/1/V1. Datum uitspraak: 13 januari 2022 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 11 december 2020 in zaak nr. NL19.25620 in het geding tussen: [de vreemdeling] en de staatssecretaris. Procesverloop Bij besluit van 14 november 2019 heeft de staatssecretaris de aan de vreemdeling verleende verblijfsvergunningen asiel voor bepaalde en onbepaalde tijd ingetrokken met terugwerkende kracht, bepaald dat de vreemdeling Nederland onmiddellijk moet verlaten en tegen hem een inreisverbod uitgevaardigd voor de duur van tien jaar.
ECLI:NL:GHAMS:2023:1130
afdeling strafrecht parketnummer: 23-003478-21 datum uitspraak: 7 april 2023 TEGENSPRAAK Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 23 december 2021 in de strafzaak onder parketnummer 13-120775-21 tegen [verdachte01] , geboren te [geboorteplaats01] ( [geboorteland01] ) op [geboortedatum01] 1978, thans gedetineerd in [detentieadres01] . Ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep De verdachte is door rechtbank Amsterdam vrijgesproken van hetgeen aan hem onder 1 is tenlastegelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 27 maart 2023 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg. De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en de raadsman naar voren hebben gebracht. Vonnis waarvan beroep Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en zal dit derhalve bevestigen behalve ten aanzien van de beslissingen met betrekking tot de in beslag genomen goederen -in zoverre zal het vonnis worden vernietigd- en met dien verstande dat het hof het vonnis aanvult met de navolgende overwegingen. Aanvullende overwegingen mede in reactie op in hoger beroep gevoerde verweren ANPR-referentiebestand De raadsman heeft betoogd dat het kenteken van de bestelbus waarin de verdachte is aangetroffen zonder toereikende wettelijke grondslag in het ANPR-referentiebestand is opgenomen. Dat verweer wordt verworpen, omdat artikel 3 Politiewet 2012 hiervoor de grondslag biedt. De stelling van de raadsman dat opname in het referentiebestand alleen toelaatbaar is als de bestuurder of een kenteken is gesignaleerd in verband met een concrete en actuele verdenking, vindt geen steun in het recht. Het hof zijn ook overigens geen onregelmatigheden gebleken bij het verkrijgen en het gebruik van de ANPR-gegevens. Vernietigen bestelauto Aan de klacht over de voorbarige vernietiging van de bestelauto waarin de cocaïne is aangetroffen, heeft de raadsman ten grondslag gelegd dat hij niet ervan overtuigd is dat de verborgen ruimte aan de buitenkant van die bestelauto te zien was, zodat hij dit zelf had willen controleren. Die klacht faalt, omdat niet alleen uit de verklaringen van betrokken politieambtenaren ter zitting van de rechtbank en neergelegd in processen-verbaal van bevindingen, maar ook uit foto’s van de onderzijde van deze bestelbus (met toelichting) blijkt dat de verborgen ruimte aan de buitenkant (onderkant) van de bestelauto waarneembaar was als een ‘niet originele metalen bak onder het voertuig’. Daarom is niet aannemelijk dat de verdachte door de vernietiging van de bestelbus in enig belang is geschaad. Aanwezigheidsrecht De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat het aanwezigheidsrecht van de verdachte op twee momenten in hoger beroep is geschonden en dat dit zou moeten leiden tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging. De verdachte was tijdens de pro forma-behandeling van 8 februari 2022 niet aangevoerd. De afstandsverklaring voor deze zitting bleek een door de directeur van de [detentieadres01] , in verband met Corona, getekende afstandsverklaring te zijn voor de hele inrichting. Voorts heeft de verdachte op de regiezitting aangegeven aanwezig te willen zijn bij de uitspraak van de beslissingen op de onderzoekswensen op de zitting van 27 september 2022. Voor die zitting bleek echter geen transport geregeld te zijn, waardoor de verdachte niet aanwezig was. De door de raadsman genoemde inbreuken op het aanwezigheidsrecht leiden niet tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging. Niet is gesteld welk concreet nadeel de verdachte heeft ondervonden. Op de pro forma-zitting van 8 februari 2022 was de gemachtigde raadsman aanwezig, die namens de verdachte het woord heeft gevoerd. Op de regiezitting van 14 september 2022 is de verdachte aanwezig geweest en heeft hij het woord kunnen voeren. Van de beslissingen op de onderzoekswensen, die ter terechtzitting van 27 september 2022 zijn uitgesproken, is hij op de hoogte gebracht door zijn raadsman. Voor zover al sprake zou zijn van enig nadeel, is dat voldoende gecompenseerd doordat de verdachte bij de inhoudelijke behandeling van zijn zaak op 27 maart 2023 aanwezig is geweest. Het verweer wordt verworpen. Monsterneming De raadsman heeft betoogd dat de monsterneming die beperkt is geweest tot vijf pakketten geen toereikende basis biedt om bewezen te kunnen achten dat ook de overige pakketten cocaïne bevatten. Daarvoor zouden meer monsters moeten zijn genomen. Voor het geval het hof ook bewezen zou willen achten dat de overige pakketten cocaïne bevatten, heeft de raadsman verzocht, voor zover het materiaal nog voorhanden is, de overige pakketten alsnog te onderzoeken op de aanwezigheid van cocaïne. Het hof acht de monsterneming van vijf in de bestelauto aangetroffen pakketten – bestaande uit een selectie waarbij van elke soort aangetroffen pakket één of meer monsters zijn genomen, die allemaal cocaïne bleken te bevatten – toereikend om daaraan de conclusie te verbinden dat niet alleen de bemonsterde pakketten cocaïne bevatten, maar ook dat de overige in de bestelauto aangetroffen pakketten cocaïne bevatten. Aanwijzingen voor het tegendeel ontbreken. Het hof verenigt zich dan ook met de bewezenverklaring zoals weergegeven in het vonnis van de rechtbank. De noodzaak tot toewijzing van het voorwaardelijke verzoek van de raadsman is het hof niet gebleken. Opzettelijk vervoer Voor het oordeel dat de verdachte opzettelijk in vereniging de aangetroffen cocaïne heeft vervoerd acht het hof in aanvulling op hetgeen de rechtbank daarover heeft overwogen van betekenis dat niet aannemelijk is dat de eigenaar van een zo waardevolle partij cocaïne personen daarmee op pad stuurt die geen weet hebben van de kostbare lading die zij vervoeren. Daar komt bij dat de verdachte een foto van de in de verborgen ruimte van de bestelbus aangetroffen pakketten cocaïne in zijn telefoon had. Omdat aanwijzingen voor het tegendeel ontbreken, mag immers worden aangenomen dat het om dezelfde pakketten gaat, vanwege het gelijke aantal, 49, en specifieke uiterlijk met bepaalde afbeeldingen. Ook aan de tijdsaanduiding van de foto in de telefoon komt betekenis toe. Het hof leidt daaruit af dat de foto is gemaakt of aan de verdachte is toegezonden op de dag van aanhouding, 4 mei 2021 om 14.06 uur. De verdachte en zijn mededader zijn die dag samen van Amsterdam naar België gereden en weer terug, zo heeft de verdachte ter terechtzitting bij de rechtbank verklaard. Het hof acht deze feiten en omstandigheden redengevend voor het bewijs dat de verdachte en zijn mededader zich bewust zijn geweest van de aanwezigheid van de cocaïne en deze opzettelijk hebben vervoerd. Een aannemelijke deze redengevendheid ontkrachtende verklaring is door de verdachte niet gegeven. Beslag Op de Samsung telefoon, die naar het oordeel van het hof toebehoort aan de verdachte, is een afbeelding aangetroffen van de inbeslaggenomen pakketten cocaïne. Het hof is daarom van oordeel dat het bewezenverklaarde is begaan met behulp van deze onder de verdachte in beslag genomen en nog niet teruggegeven Samsung telefoon, zodat deze dient te worden onttrokken aan het verkeer. De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat de onder hem in beslag genomen Nokia telefoon niet aan hem toebehoort. Het hof is daarom van oordeel dat de in beslag genomen en nog niet teruggegeven Nokia telefoon dient te worden bewaard ten behoeve van de rechthebbende. Toepasselijke wettelijke voorschriften De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet en de artikelen 36b, 36c en 47 van het Wetboek van Strafrecht. BESLISSING Het hof: Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 1 tenlastegelegde. Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de beslissingen met betrekking tot de in beslag genomen goederen en doet in zoverre opnieuw recht. Beveelt de onttrekking aan het verkeer van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten: Samsung telefoon. Gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten: Nokia telefoon. Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen voor het overige, met inachtneming van hetgeen hiervoor is overwogen. Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. R. Kuiper, mr. A.W.T. Klappe en mr. N.E. Kwak, in tegenwoordigheid van mr. I.A. de Bruijne en mr. J. Lintjer, griffiers, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 7 april 2023. Mrs. Klappe, Kwak en Lintjer zijn buiten staat dit arrest te ondertekenen. ========================================================================= […] Waaronder het aanvullende proces-verbaal van bevindingen van politieambtenaar [verbalisant01] van 2 september 2021. Opgenomen in de ‘Douane foto map’ op p. 67, die als bijlage is gevoegd bij het proces-verbaal van relaas II van 15 mei 2021.
AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Groningen Bestuursrecht zaaknummer: NL23.17828 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [naam] , eiser, V-nummer: [nummer] (gemachtigde: mr. P.J. Schüller), en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. H.R. Nobel). Inleiding In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het aan hem opgelegde terugkeerbesluit en inreisverbod voor de duur van tien jaar. Verweerder heeft dit met het bestreden besluit van 4 mei 2023 aan eiser uitgevaardigd. Eiser heeft gronden en aanvullende gronden van beroep ingediend.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. De rechtbank heeft het beroep op 16 augustus 2023 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Ook is een tolk verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Het onderzoek is ter zitting gesloten. Overwegingen 1. Eiser is van Britse nationaliteit en is geboren op [datum] . Op enig moment is eiser, naar eigen zeggen, als toerist Nederland ingereisd. Eiser is op 4 mei 2021 aangehouden als verdachte van overtreding van de Opiumwet. 1.1. Bij vonnis van 23 december 2021 is eiser veroordeeld tot een gevangenisstraf van vier jaar voor het, in vereniging met een ander, opzettelijk vervoeren van ongeveer 59,08 kilogram van een materiaal bevattende cocaïne. 1.2.

Op 16 maart 2023 is eiser gehoord door de vreemdelingenpolitie en is het voorstel uitgebracht om aan eiser een inreisverbod op te leggen. Eiser heeft daartegen twee zienswijzen ingebracht.

2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder aan eiser opgedragen terug te keren naar het Verenigd Koninkrijk. Daarbij is hem een vertrektermijn onthouden en aan hem tevens een (zwaar) inreisverbod uitgevaardigd voor de duur van tien jaar. Aan het onthouden van een vertrektermijn en het inreisverbod is ten grondslag gelegd dat eiser een gevaar vormt voor de openbare orde. De aangevoerde persoonlijke omstandigheden vindt verweerder onvoldoende om van het inreisverbod van tien jaar af te zien. Tot slot heeft verweerder gesteld dat eiser geen gezins- of privéleven heeft in Nederland, als bedoeld in artikel 8 van het Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (EVRM).

3. Eiser heeft aangevoerd dat het besluit onzorgvuldig is voorbereid en onvoldoende inzichtelijk is gemotiveerd. Daartoe heeft eiser gesteld dat hij geen actueel gevaar voor de openbare orde vormt en dat verweerder onvoldoende gewicht heeft toegekend aan het tijdsverloop sinds het misdrijf en het feit dat eiser niet eerder is veroordeeld. Verweerder neemt volgens eiser ten onrechte aan dat hij zich niet aan het drugsmilieu zou kunnen onttrekken en het besluit is volgens eiser in strijd met het verdedigingsbeginsel (nemo tenetur) en met het rechtsbeginsel dat niet twee keer voor hetzelfde feit mag worden gestraft (ne bis in idem).

In dit verband heeft eiser in zijn zienswijzen en de gronden van beroep gesteld dat zijn veroordeling niet onherroepelijk is en dat een eerder tegen hem uitgevaardigd terugkeerbesluit en inreisverbod door de rechtbank zijn vernietigd. Eiser heeft verder betoogd dat verweerder onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar het gedrag van eiser en dat verweerder zijn persoonlijke omstandigheden onvoldoende heeft gewogen. In dit verband heeft eiser verwezen naar de arresten Z.Zh. en I.O. en Bouchereau. Tot slot heeft eiser aangevoerd dat het besluit onevenredig is.

4. De rechtbank overweegt als volgt. Terugkeerbesluit 4.1. De rechtbank ziet zich ambtshalve voor de vraag gesteld of eiser belang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van het bestreden terugkeerbesluit. Niet in geschil is dat eiser niet rechtmatig in Nederland verblijft en dat eerder bij besluit van 18 oktober 2021 (enkel) een terugkeerbesluit aan eiser is opgelegd, waarbij hem is opgedragen terug te keren naar het Verenigd Koninkrijk of de Verenigde Arabische Emiraten. De rechtbank constateert dat dit terugkeerbesluit door deze rechtbank en zittingsplaats bij uitspraak van 22 november 2022 is vernietigd, maar dat de rechtsgevolgen van het besluit in stand zijn gelaten met uitzondering van de onmiddellijke vertrektermijn.

Dit betekent dat op eiser onverminderd een vertrekverplichting rustte, met een vertrektermijn van vier weken (artikel 62, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000, hierna Vw 2000). Niet is gebleken dat eiser sindsdien de Europese Unie (EU) heeft verlaten, zodat de vertrekverplichting nog steeds van kracht is en de vertrektermijn inmiddels is verstreken. 4.2. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het bij het bestreden besluit opgelegde terugkeerbesluit onverplicht en ten overvloede is genomen en geen nieuwe rechtsgevolgen in het leven roept die niet al eerder waren ontstaan.

Eiser heeft dan ook geen belang bij een inhoudelijke beoordeling van het bij het bestreden besluit opgelegde terugkeerbesluit. Het beroep is daarom in zoverre niet-ontvankelijk. Inreisverbod 5.1. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State volgt dat verweerder bij de beoordeling of sprake is van een werkelijke, actuele en voldoende ernstige bedreiging die een fundamenteel belang van de samenleving aantast, alle feitelijke en juridische gegevens moet betrekken die zien op de situatie van een vreemdeling in relatie met het door hem gepleegde strafbare feit.

Verweerder moet het resultaat van dit onderzoek laten blijken uit de motivering van het besluit. 5.2. Naar het oordeel van de rechtbank is de motivering van het bestreden besluit onvoldoende om duidelijk te maken waarom de door eiser aangevoerde omstandigheden verweerder geen aanleiding hebben gegeven om van het opleggen van het inreisverbod af te zien of de duur daarvan te verkorten. Eiser heeft verklaard dat hij in het Britse leger heeft gediend en is uitgezonden naar Irak, dat hij PTSS heeft opgelopen en dat er tijdens de coronapandemie geen werk was.

Ook heeft eiser verklaard dat hij bereid is tot vertrek en dat hij dan zijn werk als schilder en inrichter hoopt te hervatten, dat hij zijn medische behandeling wil voortzetten en dat zijn broer hem daarbij helpt, om te voorkomen dat eiser terugvalt op drugs omdat hij daar niet in wil belanden. Verweerder heeft de omstandigheden in het besluit weliswaar genoemd, maar heeft volstaan met het standpunt dat van eiser een actuele bedreiging uitgaat en dat het algemeen belang vereist dat eiser voor de duur van het inreisverbod niet naar Nederland kan komen.

Verweerder heeft daarmee niet voldoende duidelijk gemaakt hoe de door eiser aangevoerde omstandigheden zijn meegewogen en welk gewicht daaraan is toegekend, terwijl aan eiser een zwaar inreisverbod voor de duur van tien jaar is uitgevaardigd. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder ten onrechte niet gemotiveerd waarom is gekozen voor de duur van tien jaar en waarom ten behoeve van het algemeen belang niet volstaan kon worden met het opleggen van een inreisverbod van kortere duur. De beroepsgrond slaagt. 5.3. De rechtbank is verder van oordeel dat eiser terecht heeft gesteld dat het bestreden besluit onzorgvuldig is voorbereid en onvoldoende is gemotiveerd, gelet op het volgende. 5.4.

Ingevolge artikel 11, eerste lid, van de Terugkeerrichtlijn gaat een terugkeerbesluit gepaard met een inreisverbod: indien er geen termijn voor vrijwillig vertrek is toegekend, of indien niet aan de terugkeerverplichting is voldaan. Op grond van artikel 66a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 vaardigt verweerder een inreisverbod uit tegen de vreemdeling (…) die Nederland onmiddellijk moet verlaten op grond van artikel 62, tweede lid, van de Vw 2000. Op grond van artikel 66a, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 vaardigt verweerder een inreisverbod uit tegen de vreemdeling die (…) Nederland niet uit eigen beweging binnen de daarvoor geldende termijn heeft verlaten, in welk geval het inreisverbod slechts door middel van een zelfstandige beschikking wordt uitgevaardigd, dan wel een beschikking die mede strekt tot wijziging van het reeds gegeven terugkeerbesluit. 5.5.

Verweerder heeft het inreisverbod middels een meeromvattende beschikking aan eiser opgelegd op grond van artikel 66a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000. Uit het bestreden besluit blijkt niet dat de reeds bestaande rechtsgevolgen (vertrekverplichting of land waarop terugkeer ziet) van het besluit van 18 oktober 2021 daarbij worden gewijzigd. Nu bij het laatstgenoemde besluit aan eiser al was opgedragen terug te keren naar het Verenigd Koninkrijk, de vertrektermijn na de voornoemde uitspraak van 22 november 2022 vier weken bedroeg en eiser niet binnen die termijn de EU heeft verlaten, is de rechtbank van oordeel dat het inreisverbod in strijd met artikel 66a, eerste lid, aanhef, onder a en onder b, van de Vw 2000 is uitgevaardigd.

Conclusie en gevolgen 6. Het beroep is daarom gegrond. Dit betekent dat eiser gelijk krijgt in beroep. Het bestreden besluit dient te worden vernietigd voor zover daarbij aan eiser een inreisverbod voor de duur van tien jaar is opgelegd. Omdat het beroep gegrond is behoeven de overige beroepsgronden gericht tegen het inreisverbod geen bespreking meer. Overigens is het de rechtbank bij de behandeling ter zitting gebleken dat het voornoemde vonnis van de rechtbank van 23 december 2021 door het Gerechtshof Amsterdam bij arrest van 7 april 2023 is bevestigd en dat daartegen geen cassatie is ingesteld, zodat deze uitspraak thans onherroepelijk is.

Dit gegeven is door verweerder niet betrokken in het bestreden besluit en het arrest is eerst in beroep overgelegd, maar doet niet af aan hetgeen hiervoor is overwogen. De rechtbank acht geen termen aanwezig om in verband hiermee zelf in de zaak te voorzien.

7. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.674,00 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 837,- en een wegingsfactor 1). Beslissing De rechtbank: verklaart het beroep, voor zover gericht tegen het terugkeerbesluit, niet-ontvankelijk; verklaart het beroep, voor zover gericht tegen het inreisverbod, gegrond; vernietigt het bestreden besluit, voor zover daarbij aan eiser een inreisverbod is uitgevaardigd; veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.674,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. D.M. Schuiling, rechter, in aanwezigheid van A.J. van Bruggen, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl. De uitspraak is bekendgemaakt op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van bekendmaking. Vonnis van de meervoudige kamer van rechtbank Midden-Nederland, parketnummer 13/120775-21, ECLI:NL:RBAMS:2021:7769. Arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 11 juni 2015 in de zaak C-554/13, ECLI:EU:C:2015:377 en van 27 oktober 1977 in de zaak 30-77, ECLI:EU:C:1977:172.

Zaaknummer NL21.17284. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 13 januari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:89, onder 2.1. Parketnummer: 23-003478-21, ECLI:NL:GHAMS:2023:1130.