Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RBDHA:2023:15367 ECLI:NL:RBDHA:2023:15367 AI generated

ECLI:NL:RBDHA:2023:15367 · Rechtbank Den Haag

Case Number ECLI:NL:RBDHA:2023:15367
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: SGR 22/3591 RWNL uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 oktober 2023 in de zaak tussen [eiser], te [woonplaats], Suriname, eiser (gemachtigde: mr. A. Jankie), en de minister van Buitenlandse Zaken, verweerder (gemachtigde: mr. I.M. Wissenburgh). Inleiding De rechtbank doet uitspraak op het beroep van eiser tegen het besluit van verweerder van 23 maart 2022 (het bestreden besluit), waarbij zijn bezwaar tegen het besluit van 15 oktober 2020 (het primaire besluit) - houdende de weigering om zijn aanvraag van 12 maart 2020 om afgifte van een Nederlands paspoort in behandeling te nemen - ongegrond is verklaard.

Legislator headnote

AI generated

artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht, artikel 8 van het EVRM; ECLI:NL:RBDHA:2023:15367 · Rechtbank Den Haag: Hij heeft als meerderjarige van [geboortedag] 2004 tot en met [geboortedag] 2014 onafgebroken hoofdverblijf gehad in Suriname, niet zijnde de in artikel 15, eerste lid, onder c, van de RWN genoemde landen/gebieden. Niet gebleken is dat aan eiser in deze periode een Nederlands reisdocument of een verklaring omtrent bezit Nederlanderschap is verstrekt, hetgeen zou hebben geleid tot de stuiting van de tienjaarstermijn. Eiser heeft de Nederlandse nationaliteit van rechtswege verloren op [geboortedag] 2014. In het kader van de Unierechtelijke evenredigheidstoets is geoordeeld dat geen sprake is van onevenredige gevolgen.

Keywords

AI generated
credibility of asylum claims ground for expulsion entry permit unreasonableness of return to Afghanistan illegal departure grounds revocation of refugee status

Cited Legislation

AI generated
artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht
Van een buitenbehandelingstelling in de zin van artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is dan ook geen sprake.
artikel 8 van het EVRM
Voor het aannemen van beschermenswaardig familie- of gezinsleven in de zin van artikel 7 van het Europees Handvest en artikel 8 van het EVRM tussen meerderjarige kinderen en andere familieleden moet sprake zijn van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie (de zogenoemde more than the normal emotional ties).

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:RVS:2020:423
201504577/2/A3, 201507057/2/A3, 201508588/2/A3, 201601993/2/A3, 201604943/1/A3 en 201608752/1/A3.
ECLI:NL:RBDHA:2021:4678
Rechtbank DEN HAAG Meervoudige kamer Rekestnummer: HA RK 18-512 Zaaknummer: C/09/561775 Datum beschikking: 16 maart 2021 Beschikking op het op 17 oktober 2018 ingekomen verzoekschrift van: [Y] , verzoeker, wonende in Colombia, advocaat mr. H.L.M. Lichteveld te Amsterdam. Als belanghebbende wordt aangemerkt: DE STAAT DER NEDERLANDEN, (Ministerie van Justitie en Veiligheid, Immigratie- en Naturalisatiedienst, verder te noemen “de IND”), zetelende te ’s-Gravenhage, vertegenwoordigd door C.M. Meijer. Procedure De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder: - het verzoekschrift; - het verweerschrift van de IND van 8 januari 2019; - de brief van 16 april 2020 van de zijde van de IND; - de brief van 28 mei 2020 van de zijde van verzoeker; - de brief van 3 juli 2020 van de zijde van verzoeker; - de brief van 10 augustus 2020 van de zijde van de IND; - de brief van 12 januari 2021 van de zijde van verzoeker met bijlagen; - de brief van 18 januari 2021 van de zijde van de officier van justitie. De officier van justitie heeft bij brief van 18 januari 2021 schriftelijk medegedeeld geen behoefte te hebben aan het bijwonen van de mondelinge behandeling. Op 19 januari 2020 is de zaak ter terechtzitting van deze behandeld, in de vorm van een digitale behandeling via Skype. Hierbij zijn verschenen: verzoeker; de advocaat van verzoeker; [naam tolk] - Van Eldik als tolk voor verzoeker; mr. C.M. Meijer namens de IND. Na de terechtzitting heeft de rechtbank ontvangen: - het bericht van 19 januari 2021 van de zijde van verzoeker, met daarbij de pleitaantekeningen als bijlage. Verzoek en onderbouwing Het verzoekschrift strekt ertoe bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad: - primair: vast te stellen dat verzoeker het Nederlanderschap onafgebroken bezat vanaf zijn geboorte tot heden en thans nog bezit; - subsidiair: vast te stellen dat verzoeker het Nederlanderschap bezat gedurende een door de rechtbank in goede justitie vast te stellen periode, met veroordeling van de Staat in de kosten van het geding. Verzoeker heeft ter onderbouwing van zijn verzoek het volgende aangevoerd. Verzoeker bezat vanaf zijn geboorte het Nederlanderschap. Voor zover verzoeker door tijdsverloop zijn Nederlanderschap op grond van artikel 15, aanhef en onder c van de Rijkswet op het Nederlanderschap 1985 (hierna: RWN oud) heeft verloren, dient dit artikel buiten toepassing te blijven, omdat het verlies van het Nederlanderschap – en daarmee het verlies van het burgerschap van de Europese Unie (hierna: het Unieburgerschap) – voor verzoeker onevenredig is. Verzoeker voert daartoe onder meer aan dat artikel 15, aanhef en onder c, RWN (oud) niet de mogelijkheid bood om de verliestermijn van tien jaar te stuiten door verstrekking van een Nederlands reisdocument of verklaring van Nederlanderschap. Verzoeker had het verlies van het Nederlanderschap enkel kunnen voorkomen door tussen 1991 en 2001 zijn woonplaats te verplaatsen naar een plaats buiten Colombia. Door de Nederlandse autoriteiten is echter lange tijd de rechtsopvatting gehuldigd dat verzoeker de Nederlandse nationaliteit niet bezat. Hierdoor is aan verzoeker de mogelijkheid ontnomen om zijn woonplaats te verplaatsen buiten Colombia. Verzoeker realiseerde zich immers niet dat hij de Nederlandse nationaliteit kon verliezen en wist niet wat hij verder had kunnen doen om dit verlies te voorkomen. Opteren voor het Nederlanderschap op grond van artikel van artikel 6, eerste lid en onder f, RWN is voor verzoeker niet mogelijk, aangezien hij in dat geval ten minste één jaar toelating voor onbepaalde tijd en hoofdverblijf in Nederland moet hebben. Verder brengt verzoeker naar voren dat hij de intentie had, evenals zijn moeder, broers en zus, om zich in Nederland te vestigen, te studeren of te gaan werken en deze intentie was op het beoordelingsmoment bovendien voorzienbaar. Daarbij komt dat ook de kinderen van verzoeker de Nederlandse nationaliteit hebben verkregen bij geboorte en verzoeker had zich graag met zijn kinderen in de Unie willen vestigen om hen een betere toekomst te geven. Bovendien gold op het beoordelingsmoment nog een visumplicht voor Colombianen en kon verzoeker dus niet zomaar de Unie inreizen om zijn familie te bezoeken. Daar komt bij dat een visumaanvraag zou zijn afgewezen wegens vestigingsgevaar, omdat verzoeker een Nederlandse vader en moeder heeft en een geringe economische binding met Colombia. Ook stelt verzoeker dat getoetst moet worden aan het nationale evenredigheidsbeginsel, waarbij niet alleen de Unierechtelijke gevolgen van belang zijn maar ook de gevolgen voor de rechten die verzoeker als Nederlander heeft. Tot slot beroept verzoeker zich op artikel V, eerste lid, van de Rijkswet tot wijziging van de RWN van 2003 (RRWN) en stelt hij dat hij binnen de in dat artikel genoemde termijn van twee jaar een schriftelijke verklaring heeft afgelegd ten aanzien van zijn verlies van het Nederlanderschap en hij op die grond het Nederlanderschap herkrijgt. Standpunt van de IND De IND concludeert tot afwijzing van het verzoek. Verzoeker heeft bij zijn geboorte, naast de Colombiaanse, ook de Nederlandse nationaliteit verkregen op grond van bezit van staat. De Nederlandse nationaliteit is hij inmiddels verloren op grond van artikel 15, aanhef en onder c, RWN (oud), nu verzoeker van 16 september 1991 tot 16 september 2001 ononderbroken woonplaats heeft gehad in Colombia. De IND betwist daarbij dat het verlies van het Nederlanderschap in strijd is met het evenredigheidsbeginsel. Zo was de mogelijkheid tot stuiting van de termijn onder RWN (oud) niet in de wet opgenomen, maar kon het Nederlanderschap alleen worden behouden door het hoofdverblijf, de woonplaats, te verplaatsen buiten het land van geboorte en waar men de nationaliteit van had. Niet betwist is dat een dergelijke verplaatsing niet heeft plaatsgevonden. Verder brengt de IND naar voren dat er geen aanwijzingen zijn dat verzoeker op het verliesmoment voornemens was om naar Nederland te vertrekken en hij op dat moment gebruik wilde maken van rechten als Unieburger. Zo was verzoeker 28 jaar, verbleef zijn moeder – van wie hij overigens niet afhankelijk was – op het verliesmoment in Colombia en is niet gebleken van een studie waar verzoeker aan wilde gaan beginnen of van de omstandigheid dat zijn gezin in Nederland verbleef. Daarnaast is niet gebleken dat verzoeker is geraakt in het recht op uitoefening van zijn familie- en gezinsleven. Zo verbleef de moeder tijdens de minderjarigheid van verzoeker in Colombia en is er geen sprake van ‘more than the normal emotional ties’ met familie in Nederland. Bovendien is het reizen tussen Colombia en Nederland sinds 2 december 2015 visumvrij, hetgeen betekent dat reizen naar Nederland voor verzoeker nu geen probleem meer zou moeten opleveren. Voor zover verzoeker wenst dat aan een nationaal evenredigheidsbeginsel getoetst moet worden, merkt de IND op dat het Nederlandse recht een dergelijke toets niet kent. Voor zover verzoeker zich beroept op artikel V, eerste en tweede lid, van de RRWN, ziet de IND geen aanleiding tot toepassing van deze artikelleden. Immers, niet gebleken is dat er in de in het artikel genoemde periode een (bevestigde) optieverklaring is afgelegd of een paspoortaanvraag gedaan is die kan worden aangemerkt als een onvolledige optieverklaring. De aanvraag van de zus en het verzoek om informatie door een advocaat zijn onvoldoende om als een dergelijke aanvraag van verzoeker te worden aangemerkt. Ook is in de in het artikel genoemde periode geen paspoort of verklaring van Nederlanderschap verstrekt. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft bij brief van 18 januari 2021 medegedeeld zich aan te sluiten bij het standpunt van de IND. Feiten - Verzoeker is geboren op [geboortedatum] 1973 te [geboorteplaats] (Colombia) en werd op [geboortedatum] 1991 meerderjarig. Ten tijde van de geboorte van verzoeker had zijn moeder de Colombiaanse nationaliteit en zijn vader de Nederlandse nationaliteit. - De vader en de moeder van verzoeker zijn op [huwelijksdatum] 1976 te [huwelijksplaats] (Colombia) met elkaar gehuwd, welk huwelijk op [scheidingsdatum] 1986 is ontbonden door inschrijving van het echtscheidingsvonnis van [beschikkingsdatum] 1985 in de registers van de burgerlijke stand in Den Haag. - In een brief van 24 augustus 1978 van de Ambassade van het Koninkrijk der Nederlanden is vermeld dat op 20 september 1977 aan de moeder van verzoeker een Nederlands paspoort is afgegeven. Zij heeft de Nederlandse nationaliteit verkregen nadat zij met de vader van verzoeker, een Nederlands staatsburger, is gehuwd. - Op 19 april 1979 heeft de Ambassade van het Koninkrijk der Nederlanden schriftelijk verklaard dat de moeder van verzoeker en haar kinderen, [Y] (verzoeker), [kind 1] en [kind 2] , de Nederlandse nationaliteit hebben. - Enkele jaren later heeft de Nederlandse ambassade het Nederlandse paspoort van de moeder ingenomen. De Nederlandse Staat heeft zich vervolgens jarenlang op het standpunt gesteld dat de moeder, verzoeker, [kind 1] en [kind 2] niet de Nederlandse nationaliteit hadden. - In 1994 is een onderzoek verricht door de Stichting International Social Service afdeling Nederland naar de nationaliteit van de moeder en haar kinderen. - In 1994, 1996 en 2000 zijn de kinderen van verzoeker geboren. - Op 18 april 2001 is aan de moeder van verzoeker in ieder geval weer een Nederlands paspoort afgegeven en zij heeft zich op 9 juli 2003 in Nederland gevestigd. - Op 5 december 2003 is de op 6 september 2003 in Parijs gedane aanvraag voor een Nederlands paspoort van de broer van verzoeker, [kind 1] , afgewezen. - Op 1 februari 2006 heeft een andere broer van verzoeker, [kind 3] , bij de Nederlandse ambassade te [plaatsnaam] , Colombia, een visumaanvraag gedaan. Dit verzoek is afgewezen bij beschikking van 2 februari 2006, om de reden dat geen zekerheid is verkregen over het uiteindelijke reisdoel dat aan de visumaanvraag ten grondslag ligt. Hierdoor bestond volgens de ambassade onvoldoende zekerheid dat hij tijdig zou terugkeren naar zijn land van herkomst dan wel zou doorreizen naar een derde land. - In de brief van 5 juni 2006 van de Nederlandse ambassade te [plaatsnaam] , Colombia, staat vermeld dat de paspoortaanvraag van verzoeker niet in behandeling kan worden genomen. Niet is aangetoond dat tussen verzoeker en zijn vader sprake is van een familierechtelijke betrekking die in Nederland kan worden erkend waardoor hij het Nederlanderschap zou hebben verkregen. In het geval hij wel door geboorte het Nederlanderschap heeft verkregen geldt dat hij het zou hebben verloren op 16 september 2001 op grond van artikel 15, aanhef en onder c (oud) RWN. Aan verzoeker is immers nimmer een Nederlands paspoort verstrekt en hij heeft ook geen optieverklaring afgelegd voor 1 april 2005 ex artikel V, eerste lid RRWN. - Bij beschikking van 10 december 2009 heeft deze rechtbank vastgesteld dat de broer van verzoeker, [kind 1] , wegens het bezit van staat overeenkomstig de opgemaakte Colombiaanse geboorteakte heeft te gelden als wettige zoon van de vader van verzoeker die steeds de Nederlandse nationaliteit heeft bezeten en dat [kind 1] dus in het bezit is van de Nederlandse nationaliteit. - Bij brief van 2 februari 2010 heeft de IND alsnog bevestigd dat verzoeker bij zijn geboorte het Nederlanderschap heeft gekregen. In de brief is wel vermeld dat het de vraag is of verzoeker het Nederlanderschap nog steeds bezit. - Bij brief van 20 mei 2011 heeft de IND aan de advocaat van verzoeker bericht dat verzoeker op grond van artikel 15 aanhef en onder c RWN 1985 de Nederlandse nationaliteit van rechtswege heeft verloren op 16 september 2001. Er was voor hem geen sprake van een herstelmogelijkheid van een paspoortaanvraag in de vorm van een optieverklaring ex artikel V lid 1 RRWN, omdat hij tussen 1 april 2003 en 1 april 2005 geen schriftelijke paspoortaanvraag heeft ingediend. Beoordeling In geschil is of verzoeker in het bezit is van de Nederlandse nationaliteit. Tussen partijen staat vast dat verzoeker bij zijn geboorte in Colombia op 16 september 1973 de Colombiaanse en de Nederlandse nationaliteit heeft verkregen. Ook staat vast dat verzoeker op 16 september 1991 meerderjarig is geworden en sinds die datum in ieder geval tien jaar ononderbroken in Colombia heeft gewoond. Hij woont daar op dit moment nog steeds. In dit geval is toepasselijk artikel 15, aanhef en onder c, RWN (oud). Tussen partijen staat vast dat de verliestermijn van tien jaren is aangevangen op het moment dat verzoeker meerderjarig is geworden. Dit betekent dat de verliestermijn op 16 september 2001 is verstreken. Er is, anders dan verzoeker meent, geen reden om artikel 15, aanhef en onder c RWN (oud) buiten toepassing te laten wegens strijd met het bepaalde in artikel 7 Europees Verdrag inzake Nationaliteit (EVN). De rechtbank verwijst naar hetgeen de Hoge Raad hierover heeft overwogen in zijn arrest van 27 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:766, rechtsoverwegingen 3.5.2-3.5.4. Het beroep van verzoeker op artikel V lid 2 Rijkswet tot wijziging van de RWN van 2003 treft evenmin doel. Immers is verzoeker in Colombia geboren, was hij naast het Nederlanderschap tevens in het bezit van de Colombiaanse nationaliteit en heeft hij vanaf zijn meerderjarigheid tien jaren onafgebroken woonplaats gehad in Colombia. Bovendien staat vast dat hem tussen 1 januari 1990 en 16 september 2001 geen reisdocument in de zin van de Paspoortwet of een bewijs van Nederlanderschap is verstrekt. Verder is niet komen vast te staan dat verzoeker op de voorgeschreven wijze in persoon een schriftelijke paspoortaanvraag heeft gedaan in de periode april 2003-1 april 2005, die gelijk gesteld zou kunnen worden aan een optieverklaring. Ook een beroep op artikel V lid 1 Rijkswet tot wijziging van de RWN van 2003 kan verzoeker niet baten. Op grond van het voorgaande concludeert de rechtbank dat verzoeker van rechtswege het Nederlanderschap heeft verloren op 16 september 2001. Unierechtelijke evenredigheidstoets De Hoge Raad heeft bij arrest van 3 april 2020, (ECLI:NL:HR:2020:593), voor zover van belang, het volgende overwogen: “3.5 Hetgeen hiervoor (…) is overwogen, komt in de kern erop neer dat [verweerster] vanaf haar geboorte in het bezit was van de Nederlandse nationaliteit, dat zij deze nationaliteit nog bezat toen zij op 19 december 2001 naar Suriname terugkeerde en dat zij deze nationaliteit bij gelegenheid van haar verkrijging van de Surinaamse nationaliteit op 30 april 2004 behield. Bij die stand van zaken is er geen grond (…) om de tienjaarstermijn van art. 15 lid 1, aanhef en onder c, RWN op een later tijdstip te doen aanvangen dan op 30 april 2004, dat wil zeggen op het tijdstip waarop [verweerster] (i) in het bezit van zowel de Nederlandse als de Surinaamse nationaliteit, (ii) als meerderjarige (iii) haar hoofdverblijf in Suriname had, een en ander als bedoeld in art. 15 lid 1, aanhef en onder c, RWN. Het vorenstaande strookt met het in de wetsgeschiedenis van art. 15 lid 1, aanhef en onder c, RWN benadrukte belang van de in het nationaliteitsrecht gewenste rechtszekerheid.6 3.6 De rechtbank heeft het vorenstaande miskend. (….) 3.7.1 Indien in de procedure na terugwijzing komt vast te staan dat de verliesgrond van art. 15 lid 1, aanhef en onder c, RWN is ingetreden en dat [verweerster] als gevolg daarvan haar Nederlanderschap heeft verloren, dient de rechtbank – met inachtneming van hetgeen het HvJEU heeft overwogen in het Tjebbes-arrest7 – na te gaan of voor [verweerster] het verlies van de Nederlandse nationaliteit, dat voor haar het verlies van het burgerschap van de Unie en de daaruit voortvloeiende rechten meebrengt, in overeenstemming is met het evenredigheidsbeginsel wat betreft de gevolgen ervan voor haar situatie en, in voorkomend geval, voor die van haar gezinsleden, uit het oogpunt van het Unierecht.8 Daarbij kan ook in aanmerking worden genomen dat van [verweerster] in de periode voorafgaand aan de (…) uitspraak van de Hoge Raad van 26 juni 2015 niet kon worden gevergd een poging te doen de tienjaarstermijn van art. 15 lid 1, aanhef en onder c, RWN te stuiten op de wijze vermeld in art. 15 lid 4 RWN, gelet op de in die periode (en ook nog nadien (…)) door de Nederlandse autoriteiten gehuldigde rechtsopvatting (…). Nu een onderdaan van een lidstaat tegenover de lidstaat waarvan hij de nationaliteit bezit, de rechten kan inroepen die behoren bij zijn door art. 20 VWEU verleende status van burger van de Unie,9 kan de uitkomst van deze evenredigheidstoetsing ertoe leiden dat de rechtbank dient te beslissen dat [verweerster] de Nederlandse nationaliteit met terugwerkende kracht herkrijgt. Daaraan doet niet af dat de huidige RWN geen grondslag biedt voor een dergelijke herkrijging met terugwerkende kracht van het Nederlanderschap.10 (…) 3.7.2 Opmerking verdient dat er geen grond is (…) om het toepassingsgebied van de hiervoor in 3.7.1 bedoelde evenredigheidstoetsing en de daaraan verbonden mogelijkheid van herkrijging met terugwerkende kracht van het Nederlanderschap, te beperken tot bestuursrechtelijke procedures, zodat voor een en ander ook plaats is in een procedure op de voet van art. 17 RWN. -------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------- 7 HvJEU 12 maart 2019, zaak C-221/17, ECLI:EU:C:2019:189 (Tjebbes), punt 40, onder verwijzing naar HvJEU 2 maart 2010, zaak C-135/08, ECLI:EU:C:2010:104 (Rottmann), punten 55-56. 8 Zie voor de nadere invulling van deze evenredigheidstoetsing HvJEU 12 maart 2019, zaak C-221/17, ECLI:EU:C:2019:189 (Tjebbes), punten 44-46, en ABRvS 12 februari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:423, rov. 11.2. 9 Zie HvJEU 10 mei 2017, zaak C-133/15, ECLI:EU:C:2017:354 (Chavez-Vilchez), punt 60. 10 Zie voor de verplichting van de minister van Buitenlandse Zaken om art. 20 VWEU aldus toe te passen, ABRvS 12 februari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:423, rov. 11.1 en 11.3.” De rechtbank stelt voorop dat zij met de IND van oordeel is dat hetgeen in het Tjebbes-arrest is overwogen ten aanzien van de evenredigheidstoets, niet in tijd is beperkt en derhalve ook geldt indien het verlies van het Nederlanderschap is ingetreden onder de RWN (oud), zoals bij verzoeker het geval is. De rechtbank zal met inachtneming van het voorgaande beoordelen of het beroep op het unierechtelijke evenredigheidsbeginsel slaagt. Verkort weergegeven zal de rechtbank daarbij beoordelen of het verlies van de Nederlandse nationaliteit, dat het verlies van het burgerschap van de Unie en de daaruit voortvloeiende rechten met zich meebrengt, in strijd komt met het evenredigheidsbeginsel, wat betreft de gevolgen ervan voor de situatie van de betrokkene en in voorkomend geval voor die van zijn gezinsleden, bezien vanuit het oogpunt van het Unierecht. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft in haar uitspraak van 12 februari 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:423), rechtsoverweging 11.2, overwogen dat en waarom naar haar oordeel als moment waarop dient te worden getoetst aan het evenredigheidsbeginsel heeft te gelden het moment van het verlies van het Nederlanderschap. Bij de toetsing dienen niet alleen de gevolgen van het verlies van het Nederlanderschap die zich op dat moment reeds hadden gemanifesteerd te worden betrokken, maar ook de gevolgen die op dat moment redelijkerwijze voorzienbaar waren. Het is daarbij aan betrokkene om concreet te onderbouwen dat op het moment van het verlies van het Nederlanderschap redelijkerwijs voorzienbaar was dat hij zijn met het Unieburgerschap gepaard gaande rechten of verplichtingen uit zou gaan oefenen. De Hoge Raad heeft bij voormeld arrest van 3 april 2020 de rechtbank op de voormelde overweging van de Raad van State gewezen. De rechtbank zal in deze zaak het door de Raad van State gehanteerde peilmoment hanteren en de evenredigheidstoets aanleggen op het moment van het verlies van rechtswege van het Nederlanderschap. Voor verzoeker ligt dit beoordelingsmoment op 16 september 2001. In artikel 15 RWN (oud) was geen stuitingsgrond opgenomen. De enige manier waarop stuiting van de tienjaarstermijn (tussen 16 september 1991-16 september 2001) kon worden bereikt was door de woonplaats van verzoeker te wijzigen naar een plaats buiten Colombia. Dit is niet gebeurd. De rechtbank is echter van oordeel dat verzoeker op het verliesmoment niet in staat was en evenmin in staat diende te worden geacht om zijn woonplaats te wijzigen. De rechtbank neemt hierbij het volgende in aanmerking. Verzoeker heeft bij zijn geboorte de Colombiaanse nationaliteit verkregen en later is komen vast te staan dat hij daarnaast, sinds zijn geboorte, ook de Nederlandse nationaliteit bezat. Nadat op enig moment het Nederlandse paspoort van zijn moeder is ingenomen, enkele jaren na 1979, heeft de Staat onderzoek gedaan naar de nationaliteit van verzoeker. Vervolgens heeft de Staat in de contacten met verzoeker (en diens familie en advocaat) langere tijd het standpunt ingenomen dat verzoeker de Nederlandse nationaliteit niet meer bezat, hetgeen op 2 februari 2010 achteraf gezien onjuist bleek. Verzoeker verkeerde ten gevolge van het onjuiste standpunt van de Staat tijdens de verliestermijn in de veronderstelling dat hij de Nederlandse nationaliteit niet bezat. Daarom kon hij niet weten dat er een verliestermijn liep en evenmin dat hij gedurende die termijn zijn woonplaats had moeten wijzigen om daarmee te kennen te geven dat hij zijn Nederlandse nationaliteit wilde behouden. Wijziging van zijn woonplaats kon dus in redelijkheid niet van hem worden verlangd. Deze omstandigheid weegt in het kader van de evenredigheidstoets zwaar mee. Voorts heeft verzoeker, tegenover de betwisting door de IND, voldoende aannemelijk gemaakt dat op het verliesmoment, 16 september 2001, redelijkerwijze voorzienbaar was dat verzoeker zich daadwerkelijk in Nederland of de Unie had willen vestigen en dat door het verlies van het Nederlanderschap deze mogelijkheid verloren is gegaan. Verzoeker heeft omtrent zijn eigen wensen aangevoerd dat hij zich in Nederland had willen vestigen, om er te werken of te studeren, met zijn toen minderjarige kinderen die volgens hem ook de Nederlandse nationaliteit hadden. Hij had zijn kinderen in Nederland willen opvoeden om hen zo betere kansen te bieden. Hij heeft daarbij gewezen op hetgeen zijn familieleden hebben gedaan die net als hij ook de Nederlandse en de Colombiaanse nationaliteit hadden. Zo heeft hij aangevoerd dat zijn moeder zodra zij dit kon, in 2003, naar Nederland is afgereisd en dat zij daar sindsdien woonachtig is gebleven. Verder heeft verzoeker onweersproken aangevoerd dat ook zijn broers [naam broer] en [kind 3] en zijn zus [naam zus] zich in de jaren na 2001 in Nederland hebben gevestigd en dat zijn broer [kind 1] in Parijs heeft gestudeerd en later een art. 17 RWN procedure is gestart, waarna hij, begrijpt de rechtbank, zijn Nederlandse nationaliteit heeft bevestigd. Ook zijn Nederlandse vader woonde in Nederland. Dat verzoeker vooral gemotiveerd heeft gewezen op hetgeen zijn familieleden hebben gedaan en zijn eigen positie niet verder met stukken heeft onderbouwd maakt dit niet anders. Immers, de Staat heeft zich tijdens de verliestermijn in de contacten met verzoeker op het standpunt gesteld dat verzoeker niet de Nederlandse nationaliteit had. Het maken van nadere concrete plannen om in Nederland of een ander land van de Europese Unie te gaan wonen of studeren ligt in een dergelijke situatie niet voor de hand. Verzoeker kon er destijds immers niet vanuit gaan dat hij daar daadwerkelijk met zijn gezin kon gaan wonen. Bovendien gold er sinds 2001 een visumplicht. In het geval verzoeker op het verliesmoment naar Nederland had willen reizen, had hij niet zonder meer toegang tot Nederland en de Europese Unie verkregen. Verzoeker heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat, in het geval hij een visum had aangevraagd, er redelijkerwijs van kan worden uitgegaan dat dit visum zou zijn geweigerd wegens vestigingsgevaar, omdat verzoeker een Nederlandse vader en moeder had en een geringe economische binding met Colombia. Immers bij beschikking van 2 februari 2006 is een visumaanvraag van een broer van verzoeker, [kind 3] , die in vergelijkbare omstandigheden verkeerde, afgewezen wegens vestigingsgevaar. Dat een andere broer van verzoeker, [kind 1] , zonder aanvankelijk de Nederlandse nationaliteit te bezitten naar Frankrijk is gereisd en vervolgens een art. 17 RWN procedure is gestart, waarna hij, naar de rechtbank begrijpt, zijn Nederlanderschap is bevestigd, maakt niet dat verzoeker kan worden tegengeworpen dat hij van een soortgelijke route heeft afgezien. Al het bovenstaande in samenhang bezien brengt de rechtbank tot het oordeel dat verzoeker door het verlies van de Nederlandse nationaliteit – en daarmee het verlies van het burgerschap van de Unie en de daaruit voortvloeiende rechten – onevenredig wordt getroffen. Dit betekent dat de rechtbank op grond van artikel 20 VWEU zal beslissen dat verzoeker het Nederlanderschap met terugwerkende kracht herkrijgt. Deze beslissing brengt mee dat verzoeker sinds zijn geboorte steeds Nederlander is geweest en dat nog steeds is. Het primair verzochte zal daarom op de hierna vermelde wijze worden toegewezen. Deze beslissing is declaratoir van aard. De aard van de beslissing verzet zich ertegen dat deze uitvoerbaar bij voorraad wordt verklaard. In zoverre wordt het verzoek dus afgewezen. Proceskosten De Staat zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van verzoeker. Verzoeker heeft geprocedeerd op basis van een toevoeging. Verzoekers met een toevoeging betalen een lager griffierecht. Gelet op het voorgaande wordt de Staat veroordeeld tot betaling van het lagere griffierecht, en tot vergoeding van het salaris van de advocaat. Deze vergoeding voor het salaris moet door de advocaat worden verrekend met de op grond van de Wet op de rechtsbijstand aan de advocaat toegekende vergoeding. De rechtbank ziet aanleiding aan te knopen bij het liquidatietarief rechtbanken en gerechtshoven, zoals dat geldt vanaf 1 februari 2021. Het salaris van de advocaat wordt met inachtneming van het liquidatietarief tot op heden begroot op € 1.689,- (3 punten à tarief II, 1 punt voor het verzoekschrift, 1 punt voor de twee brieven waarin de gronden van het verzoek zijn aangevuld en 1 punt voor de mondelinge behandeling). De kostenveroordeling zal desverzocht uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard. Beslissing De rechtbank: beslist dat verzoeker de Nederlandse nationaliteit met terugwerkende kracht herkrijgt; veroordeelt de Staat in de kosten van het geding, tot op heden aan de zijde van verzoeker begroot op € 79,-- aan griffierecht en € 1.689,- aan salaris advocaat en verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad; wijst af het meer of anders verzochte. Deze beschikking is gegeven door mrs. J.M. Vink, J.Th.W. van Ravenstein en M.J. Alt-van Endt, rechters, bijgestaan door mr. L. Arreman-Mos als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 16 maart 2021.
ECLI:NL:RVS:2010:BL4166
Procesverloop Bij besluit van 28 november 2007 heeft de minister van Buitenlandse Zaken (hierna: de minister) geweigerd aan [minderjarige zoon] een Nederlands nationaal paspoort te verstrekken.
ECLI:NL:RVS:2020:1269
201806331/1/A3. Datum uitspraak: 20 mei 2020 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellant A], mede voor haar minderjarig kind [appellant B], wonend te Istanbul (Turkije), appellanten, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 14 juni 2018 in zaak nr. 17/6553 in het geding tussen: [appellant A] [lees: [appellant A], mede voor [appellant B]], en de minister van Buitenlandse Zaken. Procesverloop Bij besluiten van 26 april 2017 heeft de minister aanvragen om afgifte van nationale paspoorten aan [appellant A] en [appellant B] niet in behandeling genomen.
ECLI:NL:RVS:2020:1270
201803684/1/A3. Datum uitspraak: 20 mei 2020 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellante], tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 12 maart 2018 in zaak nr. 17/5633 in het geding tussen: [appellante] en de minister van Buitenlandse Zaken. Procesverloop Bij besluit van 18 mei 2017 heeft de minister een aanvraag om afgifte van een nationaal paspoort aan [appellante] niet in behandeling genomen. Bij besluit van 3 juli 2017 heeft de minister het daartegen door [appellante] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
ECLI:NL:RVS:2022:1074
202005274/1/A3. Datum uitspraak: 13 april 2022 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak in het geding tussen: [appellante], wonend te [woonplaats] ([land]), appellante, en de minister van Buitenlandse Zaken, verweerder. Procesverloop Bij besluit van 2 juli 2015 heeft de minister de aanvraag van [appellante] om een nationaal paspoort buiten behandeling gesteld. Bij besluit van 10 september 2020 heeft de minister opnieuw besloten op het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar en dat ongegrond verklaard. Tegen dit besluit heeft [appellante] beroep ingesteld. [appellante] heeft een nader stuk ingediend.
AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: SGR 22/3591 RWNL uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 oktober 2023 in de zaak tussen [eiser], te [woonplaats], Suriname, eiser (gemachtigde: mr. A. Jankie), en de minister van Buitenlandse Zaken, verweerder (gemachtigde: mr. I.M. Wissenburgh). Inleiding De rechtbank doet uitspraak op het beroep van eiser tegen het besluit van verweerder van 23 maart 2022 (het bestreden besluit), waarbij zijn bezwaar tegen het besluit van 15 oktober 2020 (het primaire besluit) - houdende de weigering om zijn aanvraag van 12 maart 2020 om afgifte van een Nederlands paspoort in behandeling te nemen - ongegrond is verklaard.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 juli 2023. Eiser is verschenen bij gemachtigde. Voorts is verschenen [naam 1] (de zus van eiser). Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Beoordeling door de rechtbank 1. Eiser is op [geboortedag] 1986 geboren in [geboorteplaats], Suriname, en heeft sinds zijn geboorte onafgebroken hoofdverblijf gehad in Suriname. Eiser is op [geboortedag] 2004 meerderjarig geworden. Eiser heeft twee zussen die reeds in Nederland wonen en de Nederlandse nationaliteit hebben. Voor het overige bestaat het gezin waartoe eiser behoort uit zijn vader, moeder en twee zussen ([naam 2] (de zus) en [naam 3] (het zusje).

Voorgeschiedenis 1.1. De vader ([naam 4]) en de moeder van eiser ([naam 5]), die beide in Suriname zijn geboren, hebben door geboorte het Nederlanderschap verkregen. Ten tijde van de inwerkingtreding van de Toescheidingsovereenkomst inzake nationaliteiten tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Suriname (TOS) op 25 november 1975 hadden de vader en de moeder woonplaats in Nederland en daarom hebben zij het Nederlanderschap behouden. 1.2. Op 31 augustus 1981 heeft de vader de Surinaamse nationaliteit gekregen en hierdoor heeft hij het Nederlanderschap verloren.

Eiser heeft door geboorte uit een Surinaamse vader de Surinaamse nationaliteit verkregen. 1.3. De moeder heeft de Surinaamse nationaliteit verkregen gedurende haar verblijf in Suriname van 14 juni 1976 tot 24 juli 1980 en hierdoor heeft zij het Nederlanderschap verloren. Op 19 augustus 1980 heeft de moeder de Surinaamse nationaliteit verloren, omdat zij het Nederlanderschap heeft verkregen. Zij heeft op die datum de kennisgeving ter verkrijging van het Nederlanderschap afgelegd ten overstaan van de burgemeester van Amsterdam. Op 16 november 1982 werd zij uitgeschreven wegens emigratie naar Suriname.

Zij was ten tijde van de geboorte van eiser in het bezit van het Nederlanderschap. 1.4. In de beschikking van de ambassadeur van het Koninkrijk der Nederlanden in Paramaribo van 12 januari 1989 is vermeld dat het Nederlandse paspoort van de moeder op die datum werd ingehouden en is besloten dit niet meer terug te geven. Dit op de grond dat de moeder niet meer voldoet aan het vereiste dat een nationaal paspoort alleen aan Nederlanders kan worden verstrekt, aan welk vereiste de moeder niet meer voldoet. 1.5. Op 9 december 2018 heeft de zus aan de IND gevraagd om gegevens omtrent verkrijging van het Nederlanderschap door de moeder te verstrekken.

Bij dit verzoek is een op 21 augustus 2018 aan de moeder verstrekt Surinaams paspoort overgelegd. De IND heeft op 31 december 2018 bevestigd dat de moeder de Nederlandse nationaliteit op 19 augustus 1980 had verkregen op grond van artikel 7, eerste lid, van de TOS. Het CBB heeft vervolgens op 30 januari 2019 het Surinaamse paspoort van de moeder ingetrokken en bevestigd dat de moeder de Surinaamse nationaliteit nimmer heeft herkregen. Op 25 februari 2019 is aan de moeder een Nederlands paspoort verstrekt. 1.6. Eiser, de zus en het zusje hebben op 11 april 2019 een optieverzoek ingediend bij de ambassade.

De optieverklaringen van de zussen (beide geboren vóór 1 januari 1985) werden op 5 september 2019 bevestigd. 1.7. Bij besluit van 5 september 2019 is de optie-aanvraag van eiser afgewezen. Eiser voldoet niet aan de eis geboren zijn vóór 1 januari 1985 en hij verkreeg - achteraf gezien - het Nederlanderschap bij zijn geboorte door afstamming van zijn Nederlandse moeder. Hij heeft daarna het Nederlanderschap verloren op [geboortedag] 2014, omdat in zijn geval de tienjaarstermijn van toepassing is. Bij besluit van 31 oktober 2019 heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het besluit van 5 september 2019 ongegrond verklaard.

Tegen deze beslissing op bezwaar zijn geen rechtsmiddelen aangewend. 1.8. Eiser heeft op 12 maart 2020 verzocht om afgifte van een Nederlands paspoort. 1.9. Op 7 september 2020 heeft de IND met het oog op de Unierechtelijke evenredigheidstoets een advies uitgebracht. 1.10. Met het primaire besluit is geweigerd om de aanvraag van eiser van 12 maart 2020 in behandeling te nemen. 1.11. In de bezwaarprocedure heeft de IND op 24 september 2021 een aanvullend advies uitgebracht, mede met het oog op de beschikking van de rechtbank Den Haag van 16 maart 2021 in een zaak van een andere betrokkene. 1.12.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder de weigering om de aanvraag van eiser voor een Nederlands paspoort in behandeling te nemen gehandhaafd. Standpunten van partijen 2. Verweerder heeft erkend dat de ambassadeur ten onrechte had vastgesteld dat de moeder het Nederlanderschap had verloren. Op 25 februari 2019 is daarom alsnog aan de moeder een Nederlands paspoort verstrekt, waarin zijn oordeel ligt besloten dat de moeder het Nederlanderschap nooit verloren heeft. Eiser had daarom naast de Surinaamse nationaliteit tevens de Nederlandse nationaliteit.

Hij heeft als meerderjarige van [geboortedag] 2004 tot en met [geboortedag] 2014 onafgebroken hoofdverblijf gehad in Suriname, niet zijnde de in artikel 15, eerste lid, onder c, van de RWN genoemde landen/gebieden. Niet gebleken is dat aan eiser in deze periode een Nederlands reisdocument of een verklaring omtrent bezit Nederlanderschap is verstrekt, hetgeen zou hebben geleid tot de stuiting van de tienjaarstermijn. Eiser heeft de Nederlandse nationaliteit van rechtswege verloren op [geboortedag] 2014. In het kader van de Unierechtelijke evenredigheidstoets is geoordeeld dat geen sprake is van onevenredige gevolgen.

3. Eiser heeft aangevoerd dat het onrechtmatig handelen in 1989 bij het innemen van het paspoort van zijn moeder grote impact heeft gehad op het gezin. Als zijn moeder en haar kinderen hadden geweten dat zij in het bezit waren van het Nederlanderschap, dan waren zij naar Nederland of de Europese Unie gekomen. Hij had dan ook binnen de tienjaarstermijn actie ondernomen. Hij was, net als in de andere zaak waarin de rechtbank heeft geoordeeld, niet in de gelegenheid om de tienjaarstermijn te stuiten, omdat hij niet wist dat hij in het bezit was van het Nederlanderschap.

Hij wordt vanwege zijn beperkingen opgevangen door de zus en hij is niet in staat om zichzelf te onderhouden als hij achterblijft. Het hele gezin, ook de zus, woont in het ouderlijk huis. De zus ondersteunt het gezin financieel en emotioneel. Eiser doet een beroep op artikel 8, eerste lid, van het EVRM met verwijzing naar de banden tussen de meerderjarige familieleden. Overwegingen 4.1. Verweerder heeft bij het primaire besluit meegedeeld dat de aanvraag om een paspoort niet in behandeling wordt genomen, omdat eiser niet over de Nederlandse nationaliteit beschikt.

Verweerder heeft zich in navolging van rechtspraak van de hoogste bestuursrechter op het standpunt gesteld dat een aanvraag die op grond van artikel 52, eerste lid, van de Paspoortuitvoeringsregeling Buitenland 2001 (Pub 2001) niet in behandeling wordt genomen, wel degelijk inhoudelijk is behandeld. Van een buitenbehandelingstelling in de zin van artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is dan ook geen sprake. 4.2. Niet in geschil is dat eiser, na de gevolgen van de onrechtmatige beschikking van 12 januari 1989 (zie 1.4) voor zijn moeder en daarmee ook voor hem en zijn zussen - welke gevolgen eerst op 25 januari 2019 worden geacht te zijn hersteld -, achteraf gezien werd geacht nog altijd in het bezit te zijn geweest van het Nederlanderschap.

Evenmin is in geschil dat met deze vaststelling tegelijkertijd de situatie is ontstaan dat eiser op de peildatum [geboortedag] 2014 feitelijk voldeed aan de tienjaarstermijn, waardoor het Nederlanderschap van eiser van rechtswege (alsnog) verloren is gegaan. 4.3. In geschil is of het verlies van de Nederlandse nationaliteit in het geval van eiser de Unierechtelijke evenredigheidstoets doorstaat zoals die voortvloeit uit het Tjebbes-arrest. Het Hof oordeelde dat de verliesgrond zoals vastgelegd in artikel 15, eerste lid, aanhef en onder c, van de RWN in beginsel niet in strijd is met het Unierecht, maar dat het wel mogelijk moet zijn om achteraf de proportionaliteit van het mogelijke verlies te toetsen in het licht van het Europese recht.

In het kader van die evenredigheidstoetsing dienen met name de bevoegde nationale autoriteiten en in voorkomend geval de nationale rechterlijke instanties zich ervan te vergewissen dat het nationaliteitsverlies verenigbaar is met de door het Handvest gewaarborgde grondrechten, waarvan het Hof de eerbiediging verzekert, en in het bijzonder met het recht op eerbiediging van het familie- en gezinsleven zoals dat is neergelegd in artikel 7 van het Handvest, waarbij dit artikel moet worden gelezen in samenhang met de verplichting tot inachtneming van het in artikel 24, lid 2, van het Handvest erkende belang van het kind (arrest van 10 mei 2017, Chavez-Vilchez e.a.).

Wat betreft de omstandigheden die verband houden met de individuele situatie van de betrokkene en die relevant kunnen zijn voor de beoordeling die de bevoegde nationale autoriteiten en de nationale rechterlijke instanties in het onderhavige geval moeten verrichten, dient met name het feit te worden vermeld dat de betrokkene ten gevolge van het verlies van rechtswege van het Nederlanderschap en van het burgerschap van de Unie zou worden geconfronteerd met beperkingen in de uitoefening van zijn recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten, wat in voorkomend geval leidt tot bijzondere moeilijkheden om zich naar Nederland of een andere lidstaat te blijven begeven teneinde daadwerkelijke en regelmatige banden met gezinsleden te onderhouden dan wel aldaar zijn beroepsactiviteiten te verrichten of de noodzakelijke stappen te ondernemen om er dergelijke activiteiten te verrichten.

Voor het aannemen van beschermenswaardig familie- of gezinsleven in de zin van artikel 7 van het Europees Handvest en artikel 8 van het EVRM tussen meerderjarige kinderen en andere familieleden moet sprake zijn van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie (de zogenoemde more than the normal emotional ties). Verweerder volgt de adviezen van de IND, waarin tevens is vermeld dat geen sprake is geweest van een beschermenswaardig familie- of gezinsleven in Nederland of in een andere lidstaat en dat daarom het verlies van het Nederlanderschap niet in strijd is met artikel 7 van het Handvest. 4.4.

Bij de hoorzitting op 29 juni 2021 in het kader van het bezwaar is (nogmaals) uiteengezet dat eiser twee (andere) zussen heeft die al langere tijd in Nederland wonen en de Nederlandse nationaliteit hebben. De zus heeft verklaard dat de rest van het gezin in Suriname woont. Zij is zelf vanuit haar echtelijke woning naar de ouderlijke woning verhuisd. Zij voorziet in het bestaan van het hele gezin, heeft alle zorg voor het gezin op zich genomen en zal dit ook voortzetten. Eiser is volledig afhankelijk van haar voor de middelen van zijn bestaan. Het zusje heeft een verstandelijke beperking.

De zus is arts en zij wilde zich gaan specialiseren in Nederland. In een medische verklaring van een psychiater van 13 juli 2021 is vermeld dat er bij eiser duidelijke aanwijzingen zijn voor een matige sociaal cognitieve ontwikkeling (mogelijk zwakbegaafd). Ter zitting van de rechtbank heeft de zus toegelicht dat ook de moeder verstandelijk beperkt is en dat zij de gezinssituatie jarenlang niet kon bolwerken. De zus en het zusje wonen inmiddels in Nederland. 4.5. De rechtbank is van oordeel dat het bestreden besluit niet is voorzien van een deugdelijke motivering en overweegt daartoe als volgt.

De rechtbank stelt vast dat eiser, net als de overige gezinsleden, ten gevolge van het onjuiste standpunt van de ambassadeur (als vertegenwoordiger van de Staat) tot jaren na het verstrijken van de tienjaarstermijn in de veronderstelling verkeerde dat hij de Nederlandse nationaliteit niet meer bezat. Daarom kon eiser, mede gelet op zijn beperking, überhaupt niet weten dat hij acties moest ondernemen om de verliestermijn te stuiten. Verweerder heeft ter zitting de vraag opgeworpen waarom, als familieleden zwakbegaafd zijn en twee dochters al in Nederland woonden, niet eerder hulp is gezocht om na te gaan of het standpunt van de ambassadeur juist was.

De rechtbank overweegt dat dit in redelijkheid niet van eiser kon worden gevergd, te meer omdat verweerder ter zitting heeft meegedeeld dat ook van de kant van verweerder de TOS (die ten grondslag lag aan de beschikking van de ambassadeur) best ingewikkeld wordt geacht. Omstandigheden en wat gezinsleden al dan niet hebben gedaan kunnen ook meewegen, ook al heeft eiser zijn eigen positie niet verder met stukken onderbouwd. Verweerder heeft ter zitting te kennen gegeven niet bekend te zijn geweest met de verstandelijke beperking van de moeder en de problemen binnen het gezin en heeft dit als zodanig niet betwist.

Van belang is ook dat de moeder door de jaren heen afwisselend jarenlang in Nederland en in Suriname heeft gewoond en dat twee andere zussen van eiser al in Nederland woonden. Dit is, samen met de plannen van de zus om te gaan specialiseren en de verstandelijke beperking van eiser, van belang voor de vraag of het redelijkerwijs voorzienbaar was dat eiser zich daadwerkelijk in Nederland of de Unie had willen vestigen. Voorts heeft eiser gesteld dat er een visumplicht gold voor mensen met de Surinaamse nationaliteit en dat hij, evenals de rest van het gezin, niet zonder meer toegang tot Nederland of andere lidstaten had gekregen.

Het was voorzienbaar dat een dergelijk visum zou zijn geweigerd wegens vestigingsgevaar. Dit is niet betwist door verweerder en dit maakt dat eiser niet kan worden tegengeworpen dat hij ten tijde hier van belang heeft afgezien van deze mogelijkheid. Nu verweerder niet geheel op de hoogte was van alle omstandigheden en dit in de adviezen evenmin terugkomt, dient verweerder met het oog op de Unierechtelijke beoordeling eiser in de gelegenheid te stellen om zijn standpunt nader te onderbouwen. Verweerder dient vervolgens in zijn afweging ook in te gaan op de samenhang van de diverse aspecten.

Indien tot het oordeel wordt gekomen dat op basis van eisers individuele situatie moet worden geoordeeld dat het verlies van het burgerschap van de Unie onevenredig is, dan dient artikel 15, eerste lid, aanhef en onder a, van de RWN, in eisers concrete situatie buiten toepassing te blijven. Het herkrijgen van het Nederlanderschap en daarmee opnieuw het Unieburgerschap kan aan artikel 20 van het VWEU worden ontleend. Conclusie en gevolgen 5. Het beroep dient gegrond te worden verklaard en het bestreden besluit komt voor vernietiging in aanmerking.

De rechtbank ziet geen aanleiding om een bestuurlijke lus toe te passen of zelf in de zaak te voorzien. Verweerder dient opnieuw op het bezwaar van eiser te beslissen met inachtneming van deze uitspraak.

6. Omdat het beroep gegrond wordt verklaard, moet verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoeden.

7. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.674,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, waarde per punt € 837,- en wegingsfactor 1). Beslissing De rechtbank - verklaart het beroep gegrond; - vernietigt het bestreden besluit; - bepaalt dat verweerder een nieuw besluit neemt op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak; - draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 184,- aan eiser te vergoeden; - veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.674,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.D. Gunster, rechter, in aanwezigheid van A.J. van Rossum, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 2 oktober 2023. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.

Verklaring van nationaliteit van het Centraal Bureau voor Burgerzaken (CBB) in Paramaribo van 30 januari 2019 Verklaring van het CBB van 30 januari 2019 Artikel 6, eerste lid, aanhef en onder i, van de Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN) Artikel 3, eerste lid, van de RWN Artikel 15, eerste lid, aanhef en onder c, van de RWN Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) van 12 maart 2019 inzake Tjebbes (ECLI:EU:C:2019:189), uitspraak van de Afdeling bestuursrecht van de Raad van State (de Afdeling) Vervolg voetnoot 6: van 12 februari 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:423) en de Werkinstructie Evenredigheidstoets op verlies Unieburgerschap na van rechtswege verlies Nederlanderschap (WI 2020/7) ECLI:NL:RBDHA:2021:4678 Artikel 15, vierde lid, van de RWN Voetnoot 7 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden Uitspraak van de Afdeling van 17 februari 2010 (ECLI:NL:RVS:2010:BL4166) Uitspraak van de Afdeling van 12 februari 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:423) r.o. 11.2 Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) van 12 maart 2019 inzake Tjebbes e.a. (het Tjebbes-arrest, ECLI:EU:C:2019:189), r.o. 39 e.v. en zie voorts de uitspraak van de Afdeling in voetnoot 12 ECLI:EU:C:2017:354 Vergelijk de beschikking in voetnoot 7, Vergelijk de uitspraken van de Afdeling van 20 mei 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:1269 en ECLI:NL:RVS:2020:1270) en van 13 april 2022 (ECLI:NL:RVS:2022:1074)