Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RBDHA:2023:13445 ECLI:NL:RBDHA:2023:13445 AI generated

ECLI:NL:RBDHA:2023:13445 · Rechtbank Den Haag

Case Number ECLI:NL:RBDHA:2023:13445
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: SGR 22/7747 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 augustus 2023 in de zaak tussen [eiseres], uit [woonplaats], eiseres (gemachtigde: mr. S. van der Eijk), en het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, verweerder (gemachtigde: mr. T.M.T. Konings). Inleiding 1. Bij besluit van 20 april 2022 heeft verweerder een dwangsom van € 7000,- ingevorderd van eiseres. 1.1. Met het bestreden besluit van 24 oktober 2022 op het bezwaar van eiseres is verweerder bij dat besluit gebleven. 1.2. De rechtbank heeft het beroep op 25 juli 2023 op zitting behandeld.

Legislator headnote

AI generated

ECLI:NL:RBDHA:2023:13445 · Rechtbank Den Haag: Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Dit is in strijd met artikel 21, onder c, van de Huisvestingswet 2014 in samenhang met artikel 5:1, eerste lid, en artikel 5:2, onder b, van de huisvestingsverordening Den Haag 2019 en artikel 7.18 van het Bouwbesluit.

Keywords

AI generated
periodic penalty payment extortion of excessive official fees enforcement costs charging of fees objection to debt enforcement formal demand for payment

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:RVS:2023:2071
202106120/2/A3. Datum uitspraak: 31 mei 2023 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellant], wonend te [woonplaats] [land], appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 5 augustus 2021 in zaak nr. 19/6539 in het geding tussen: [appellant] en het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam. Procesverloop Bij besluit van 27 mei 2019 heeft het college aan [appellant] een bestuurlijke boete opgelegd van € 20.500,00 op grond van de Huisvestingsverordening Amsterdam 2016. Bij besluit van 28 oktober 2019 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
ECLI:NL:RVS:2019:466
201801114/1/A1. Datum uitspraak: 27 februari 2019 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellante], wonend te Sint Philipsland, gemeente Tholen, tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 22 december 2017 in zaak nr. 17/1379 in het geding tussen onder meer: [appellante] en het college van burgemeester en wethouders van Tholen. Procesverloop Bij besluit van 19 juli 2016 heeft het college besloten tot invordering van door [appellante] verbeurde dwangsommen van in totaal € 35.700,00. Bij besluit van 17 januari 2017 heeft het college, voor zover hier van belang, het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
ECLI:NL:RVS:2021:1405
202001526/1/R4. Datum uitspraak: 30 juni 2021 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellant A] en [appellant B] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant]), wonend te Beltrum, gemeente Berkelland, appellanten, tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Gelderland (hierna: de rechtbank) van 24 januari 2020 in zaken nrs. 19/7371 en 19/7372 in het geding tussen: [appellant] en het college van burgemeester en wethouders van Berkelland. Procesverloop Bij besluit van 21 maart 2019 heeft het college een dwangsom van € 10.000,00 bij [appellant] ingevorderd.
ECLI:NL:RVS:2023:2501
202202482/1/R1. Datum uitspraak: 28 juni 2023 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellant], wonend te [woonplaats], appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland­-West-­Brabant van 15 maart 2022 in zaak nr. 20/7504 en 20/9870 in het geding tussen: [appellant] en het college van burgemeester en wethouders van Schouwen-Duiveland. Procesverloop Bij besluit van 16 januari 2020 heeft het college [appellant] onder oplegging van een dwangsom gelast om het gebruik van de woning aan het [locatie] in Noordwelle voor het huisvesten van meer dan één huishouden te beëindigen en beëindigd te houden.
ECLI:NL:RVS:2014:1361
201308339/1/A4. Datum uitspraak: 16 april 2014 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak in het geding tussen: [appellante], wonend te Den Haag, en het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, verweerder. Procesverloop Bij besluit van 23 april 2013 heeft het college zijn beslissing om op 18 april 2013 spoedeisende bestuursdwang toe te passen wegens het door [appellante] in strijd met de Afvalstoffenverordening 2010 van de gemeente Den Haag (hierna: de Afvalstoffenverordening) aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen, op schrift gesteld.
AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: SGR 22/7747 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 augustus 2023 in de zaak tussen [eiseres], uit [woonplaats], eiseres (gemachtigde: mr. S. van der Eijk), en het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, verweerder (gemachtigde: mr. T.M.T. Konings). Inleiding 1. Bij besluit van 20 april 2022 heeft verweerder een dwangsom van € 7000,- ingevorderd van eiseres. 1.1. Met het bestreden besluit van 24 oktober 2022 op het bezwaar van eiseres is verweerder bij dat besluit gebleven. 1.2. De rechtbank heeft het beroep op 25 juli 2023 op zitting behandeld.

Eiseres en verweerder hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden. Beoordeling door de rechtbank Waar gaat deze zaak over? 2. Eiseres is eigenaar van de woning [adres] [nummer] in [plaats]. Op 2 december 2021 heeft verweerder aan eiseres een last onder dwangsom opgelegd in verband met niet vergunde onzelfstandige bewoning en overbewoning. Op 20 maart 20 april 2022 heeft verweerder een bedrag van € 7000,- ingevorderd, omdat bij een hercontrole op 24 maart 2022 door toezichthouders is geconstateerd dat sprake was van niet vergunde onzelfstandige bewoning en dat er in de woning in ieder geval 8 personen woonachtig waren.

Wat vindt eiseres in beroep? 3. Gezien een recente uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) kan eiseres niet aangemerkt worden als functioneel dader. Daarnaast miskent verweerder dat ten aanzien van de personen die ten tijde van de controle in de woning zijn aangetroffen niet stuk voor stuk geconcludeerd kan worden dat zij op dit adres hun hoofdverblijf hadden. De bevindingen maken onvoldoende aannemelijk dat de overtreding is begaan. Wat is het oordeel van de rechtbank? 4. Vaststaat dat eiseres geen rechtsmiddelen heeft aangewend tegen de oplegging van de last onder dwangsom van 2 december 2021.

Volgens rechtspraak van de Afdeling kan eiseres in beginsel niet met succes gronden naar voren brengen die zij tegen de last onder dwangsom naar voren had moeten brengen. Slechts in uitzonderlijke gevallen, bijvoorbeeld wanneer evident is dat er geen overtreding gepleegd en/of betrokkene geen overtreder is en/of betrokkene niet aan de last kan voldoen, slaagt een dergelijk beroep.

5. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling kan in bepaalde gevallen degene die de overtreding niet zelf feitelijk heeft begaan, maar aan wie de gedraging is toe te rekenen, voor de overtreding verantwoordelijk worden gehouden en derhalve als overtreder worden aangemerkt. In dat laatste geval moet vast komen te staan dat degene aan wie de gedraging wordt toegerekend de beschikkingsmacht had over of de gedraging al dan niet zou plaatsvinden en daarnaast de gedraging ook heeft aanvaard. Onder aanvaarden is mede begrepen het niet betrachten van de zorg die in redelijkheid van de verdachte kon worden gevergd met het oog op de voorkoming van de gedraging.

6. De rechtbank is van oordeel dat niet evident is dat eiseres niet als functioneel dader aanmerkt kon worden. Eiseres had als eigenaar van de woning beschikkingsmacht over het gebruik van de woning. Eiseres had deze beschikkingsmacht kunnen uitoefenen door een bruikleenovereenkomst met de bewoners op te stellen. Daarnaast heeft eiseres geen concrete maatregelen, bijvoorbeeld via een controle, genomen om eventuele overbewoning tegen te gaan. Gelet op het feit dat in een seperate procedure door verweerder eerder al overbewoning in de woning is geconstateerd, de verklaring dat de woning kosteloos ter beschikking is gesteld en de omstandigheid dat de woning geschikt was voor bewoning door meerdere bewoners heeft eiseres niet de zorg betracht die in redelijkheid van haar kon worden gevergd met het oog op de voorkoming van de gedraging. Zij heeft daarmee het wederrechtelijk gebruik van de woning aanvaard.

7. Naar het oordeel van de rechter heeft verweerder zich op goede gronden op het standpunt gesteld dat eiseres niet heeft voldaan aan de last onder dwangsom van 2 december 2021. Bij de controle in de woning van eiseres op 24 maart 2022 heeft de handhavingsinspecteur geconstateerd dat acht personen in de woning woonachtig waren. Volgens vaste rechtspraak van de hoogte bestuursrechter mag een bestuursorgaan in beginsel uitgaan van een op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakt proces-verbaal. De rechtbank ziet verder geen aanleiding om aan de juistheid van de rapportage te twijfelen.

Uit de rapporten is voldoende af te leiden dat meerdere personen ten tijde van de controle in de woning woonachtig waren. Dat deze personen een duurzaam gezamenlijk huishouden (bijvoorbeeld een stel of gezin) zouden vormen is niet aannemelijk gemaakt. Hierbij overweegt de rechtbank dat uit de rapportage volgt dat de heer [naam] heeft verklaard dat de broer van zijn echtgenote in de woning woont. Deze persoon is geen familie in rechte lijn en wordt daarom niet gerekend tot hetzelfde huishouden. Verder behoren de twee vrienden van de heer [naam] ook niet tot het duurzaam gemeenschappelijk huishouden.

Voldoende aannemelijk is dat zij niet slechts enkele dagen in de woning verbleven, nu op hun kamer kookgerei, waaronder een frituurpan, is aangetroffen en zij geen concreet alternatief woonadres hebben opgegeven. De identiteit van eventuele andere bewoners kon verder niet worden vastgesteld. De rechtbank is van oordeel dat verweerder, op basis deze rapportage, de geconstateerde overtreding voldoende zorgvuldig heeft vastgesteld. Nu niet is voldaan aan de last onder dwangsom, mocht verweerder overgaan tot invordering van een bedrag van € 7000,-.

Wat is de conclusie? 8. Het beroep is ongegrond.

9. Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. G.P. Kleijn, rechter, in aanwezigheid van mr. T. Verschoor, griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 augustus 2023. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak.

Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Dit is in strijd met artikel 21, onder c, van de Huisvestingswet 2014 in samenhang met artikel 5:1, eerste lid, en artikel 5:2, onder b, van de huisvestingsverordening Den Haag 2019 en artikel 7.18 van het Bouwbesluit.

Eiseres verwijst naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 31 mei 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2071. Uitspraak van de Afdeling van 27 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:466 en uitspraak van de Afdeling van 30 juni 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1405. Zie uitspraak van de Afdeling van 31 mei 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2071, r.o.

9. Zie artikel 5:1, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Zie uitspraak van de Afdeling van 23 juni 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2501, r.o. 5.1. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 16 april 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1361.