Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RBDHA:2023:12909 ECLI:NL:RBDHA:2023:12909 AI generated

ECLI:NL:RBDHA:2023:12909 · Rechtbank Den Haag

Case Number ECLI:NL:RBDHA:2023:12909
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

uitspraak RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL22.20944 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , eiser V-nummer: [V-nummer] (gemachtigde: mr. W.C. Boelens), en de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. N. Hamzaoui). Inleiding en procesverloop Eiser heeft de Iraanse nationaliteit. Op 8 november 2021 heeft hij bij verweerder een aanvraag ingediend om hem uitstel van vertrek te verlenen op medische gronden1 (de aanvraag). In het besluit van 21 januari 2022 heeft verweerder deze aanvraag afgewezen.

Legislator headnote

AI generated

ECLI:NL:RBDHA:2023:12909 · Rechtbank Den Haag: Volgens vaste jurisprudentie strekt de vergewisplicht van verweerder niet zo ver dat de fysieke overdracht ten tijde van het nemen van het bestreden besluit al geheel geregeld en gegarandeerd dient te zijn.2 6. In de enkele omstandigheid dat de feitelijke overdracht van eiser nog niet is geregeld en gegarandeerd, ligt geen aanleiding voor het oordeel dat eiser aannemelijk heeft gemaakt dat hij in Iran geen toegang zal hebben tot de benodigde zorg. Daarmee is er evenmin aanleiding voor het oordeel dat uitzetting van eiser naar Iran in strijd komt met het bepaalde in artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.

Keywords

AI generated
asylum for iranian nationals deportation despite health issues unreasonableness of return to Afghanistan unfit notwithstanding health condition removal to northern Iraq provision of medical care

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:RVS:2018:4314
201803891/1/V1. Datum uitspraak: 27 december 2018 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van: de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem, van 9 april 2018 in zaak nr. 17/16215 in het geding tussen: [de vreemdeling] en de staatssecretaris. Procesverloop Bij besluit van 2 oktober 2017 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om krachtens artikel 64 van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) te bepalen dat zijn uitzetting achterwege blijft, afgewezen.
ECLI:NL:RVS:2021:1425
202004434/1/V1. Datum uitspraak: 1 juli 2021 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: [de vreemdeling], appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 14 juli 2020 in zaak nr. 19/3013 in het geding tussen: de vreemdeling en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Procesverloop Bij besluit van 14 februari 2018 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om krachtens artikel 64 van de Vw 2000 te bepalen dat zijn uitzetting achterwege blijft, afgewezen.
ECLI:NL:RVS:2022:1530
202101991/1/V3. Datum uitspraak: 8 juni 2022 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats 's-­Hertogenbosch, van 15 maart 2021 in zaak nr. NL18.7421 in het geding tussen: [de vreemdeling] en de staatssecretaris. Inleiding Het oordeel van de rechtbank De grieven van de staatssecretaris Volgorde van bespreking Voorvraag De momenten waarop er een terugkeerbesluit voor de vreemdeling gold De betekenis van de vormen van rechtmatig verblijf naar nationaal recht onder de Terugkeerrichtlijn Het verblijf in verband met medische uitzettingsbeletselen (artikel 8, aanhef en onder j, van de Vw 2000) Het verblijf in afwachting van de beslissing op het beroepschrift (artikel 8, aanhef en onder h, van de Vw 2000) 9 Tussenconclusie Het arrest TQ Het onderzoek naar adequate opvang Het leeftijdsonderscheid De fase tussen het nemen van het terugkeerbesluit en de fysieke verwijdering Toepassing van het arrest TQ en vervolgvragen De meeromvattende beschikking Het onderzoek naar adequate opvang in de praktijk De mogelijkheid om het onderzoek naar adequate opvang voort te zetten na het afwijzen van de asielaanvraag en de verplichting tot voortvarend handelen De asielprocedure opdelen in twee fasen Het asielbesluit en het terugkeerbesluit opsplitsen bij de derde situatie Rechtmatig verblijf naar nationaal recht bij de derde situatie Voortvarend handelen, ook na het besluit over de materiële asielaanspraken Toepassing in deze zaak Zelf voorzien Conclusie Samenvatting Procesverloop Bij besluit van 23 maart 2018 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen, geweigerd hem een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen en hem opgedragen om Nederland binnen vier weken na afloop van het voorlopig verleende uitstel van vertrek te verlaten (dit laatste hierna: het terugkeerbesluit).
ECLI:NL:RVS:2022:3102
202104237/1/V2.Datum uitspraak: 27 oktober 2022 AFDELINGBESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van: [de vreemdeling], appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Middelburg, van 3 juni 2021 in zaak nr. 20/1958 in het geding tussen: de vreemdeling en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Procesverloop Bij besluit van 17 januari 2020 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem krachtens artikel 64 van de Vw 2000 uitstel van vertrek te verlenen, afgewezen.
AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

uitspraak RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL22.20944 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , eiser V-nummer: [V-nummer] (gemachtigde: mr. W.C. Boelens), en de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. N. Hamzaoui). Inleiding en procesverloop Eiser heeft de Iraanse nationaliteit. Op 8 november 2021 heeft hij bij verweerder een aanvraag ingediend om hem uitstel van vertrek te verlenen op medische gronden1 (de aanvraag). In het besluit van 21 januari 2022 heeft verweerder deze aanvraag afgewezen.

Dit besluit omvat tevens een terugkeerbesluit, gericht op vertrek naar Iran. Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 21 januari 2022. In het besluit van 19 september 2022 (het bestreden besluit) heeft verweerder dit bezwaar ongegrond verklaard. Eiser heeft vervolgens beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Tevens heeft hij verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Dit verzoek is geregistreerd onder zaaknummer NL23.22095. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. De rechtbank heeft het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening op 20 april 2023 op zitting behandeld.

Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.K. Ruijzendaal. De rechtbank heeft het onderzoek geschorst om verweerder in de gelegenheid te stellen vragen van de rechtbank te beantwoorden. Op 3 mei 2023 heeft verweerder een reactie gegeven, waarna eiser en verweerder schriftelijk nadere standpunten hebben uitgewisseld. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting op 29 juni 2023 hervat. Partijen zijn vertegenwoordigd door hun gemachtigden. De rechtbank heeft het onderzoek vervolgens 1 Op grond van artikel 64 van de Vreemdelingenwet 2000. gesloten.

Standpunten van partijen 1. Naar aanleiding van de aanvraag van eiser heeft verweerder advies gevraagd van het Bureau Medische Advisering (BMA). Het BMA heeft dit advies op 14 december 2021 uitgebracht. Samengevat is in dit advies aangegeven dat voor eiser de noodzakelijke medische behandeling in Iran beschikbaar is en dat eiser in staat is om te reizen als een fysieke overdracht is geregeld. Aangegeven is dat eiser bij aankomst in Iran mogelijk kan worden overgedragen aan [instelling 1] in [plaats] ( [instelling 1] ) en dat aansluitend opname kan plaatsvinden in [instelling 2] in [plaats] ( [instelling 2] ).

Op basis van dit advies stelt verweerder zich op het standpunt dat de benodigde zorg voor eiser in Iran aanwezig en toegankelijk is. Om die reden wijst verweerder de aanvraag af.

2. Eiser betwist dat de benodigde zorg in Iran voor hem toegankelijk is. Hij voert daartoe aan dat verweerder de feitelijke overdracht niet heeft geregeld. Zo is er geen toezegging van [instelling 1] dat deze instantie eiser bij aankomst in [plaats] zal opvangen en vervolgens voor opname zal overdragen aan [instelling 2] . Vanwege zijn medische toestand en het gebrek aan een netwerk in Iran kan eiser de toegang tot benodigde zorg in Iran niet zelf regelen. Volgens eiser dient verweerder hem uitstel van vertrek te verlenen, zolang verweerder niet heeft geregeld dat is voldaan aan de reisvoorwaarden die het BMA heeft gesteld.

Beoordeling door de rechtbank 3. Op basis van het dossier en het verhandelde ter zitting van 20 april 2023 verkeerde de rechtbank in de veronderstelling dat verweerder had aangegeven dat het voor hem niet mogelijk was om contact te leggen met [instelling 1] . Dit vanwege de moeizame contacten die verweerder met Iran heeft. Om die reden heeft de rechtbank aan verweerder gevraagd welke concrete acties verweerder diende te ondernemen om de uitzetting van eiser te kunnen effectueren en op welke termijn deze uitzetting zou kunnen plaatsvinden. Uit het verhandelde ter zitting van 29 juni 2023 is de rechtbank duidelijk geworden dat haar aanvankelijke veronderstelling onjuist was.

Verweerder heeft afdoende toegelicht dat hij (nog) geen contact met [instelling 1] heeft gelegd. Dat maakt evenwel niet dat in dit stadium geconcludeerd moet worden dat dit contact niet tot stand zal kunnen komen. Van een situatie waarin nu al kan worden vastgesteld dat verweerder niet kan voldoen aan de reisvoorwaarden die het BMA heeft gesteld, is derhalve geen sprake.

4. Tegen deze achtergrond komt de rechtbank thans tot het volgende. Uit het bestreden besluit, dat is gebaseerd op het advies van het BMA, blijkt afdoende dat verweerder zich ervan heeft vergewist dat de feitelijke overdracht van eiser naar Iran kan geschieden met inachtneming van de vereisten die het BMA daaraan heeft gesteld. Verweerder heeft inzichtelijk gemaakt dat met [instelling 1] contact kan worden opgenomen om de feitelijke overdracht van eiser te organiseren en dat deze instantie ervoor kan zorgdragen dat eiser vervolgens wordt overgedragen aan [instelling 2] .

Volgens vaste jurisprudentie strekt de vergewisplicht van verweerder niet zo ver dat de fysieke overdracht ten tijde van het nemen van het bestreden besluit al geheel geregeld en gegarandeerd dient te zijn.2 6. In de enkele omstandigheid dat de feitelijke overdracht van eiser nog niet is geregeld en gegarandeerd, ligt geen aanleiding voor het oordeel dat eiser aannemelijk heeft gemaakt dat hij in Iran geen toegang zal hebben tot de benodigde zorg. Daarmee is er evenmin aanleiding voor het oordeel dat uitzetting van eiser naar Iran in strijd komt met het bepaalde in artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.

Aldus verschilt de situatie van eiser op dit wezenlijke onderdeel van de situaties die geleid hebben tot de arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie2 en de uitspraken van de ABRvS3 die eiser heeft aangehaald. De toezegging die verweerder heeft gedaan om eiser niet uit te zetten alvorens zijn fysieke overdracht is geregeld, heeft verweerder er dan ook niet toe hoeven brengen om de aanvraag van eiser in te willigen.

7. De beroepsgronden van eiser treffen geen doel. Het beroep is dus ongegrond. Het bestreden besluit blijft overeind. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.A. Schaaf, rechter, in aanwezigheid van mr. M.M. van Luijk-Salomons, griffier. 2 ECLI:EU:C:2021:9 (TQ tegen Nederland) en ECLI:EU:C:2022:913 (X tegen Nederland) 3 ECLI:NL:RVS:2018:4314, ECLI:NL:RVS:2021:1425, ECLI:NL:RVS:2022:1530 en ECLI:NL:RVS:2022:3102. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: 19 juli 2023 Documentcode: [documentcode] Bent u het niet eens met deze uitspraak? Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.