Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RBDHA:2023:12367 ECLI:NL:RBDHA:2023:12367 AI generated

ECLI:NL:RBDHA:2023:12367 · Rechtbank Den Haag

Case Number ECLI:NL:RBDHA:2023:12367
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Arnhem Bestuursrecht zaaknummer: NL23.22277 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 augustus 2023 in de zaak tussen [eiser] , v-nummer: [nummer] , eiser (gemachtigde: mr. J. van Appia), en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het voortduren van de aan hem opgelegde maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) en het verzoek om schadevergoeding. Deze maatregel is opgelegd op 22 mei 2023. 1.1.

Legislator headnote

AI generated

artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht; ECLI:NL:RBDHA:2023:12367 · Rechtbank Den Haag: Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A. van Hoof, rechter, in aanwezigheid van mr. A.M. van Gerwen, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open. Rb. Den Haag (zp. Arnhem) 29 juni 2023, NL23.16839 (niet gepubliceerd). Dit is mogelijk op grond van artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 96, eerste lid, van de Vw 2000. Artikel 106, eerste lid van de Vw 2000. Vergelijk HvJEU, 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858.

Keywords

AI generated
extension of detention deportation departure deadline removal periodic review of detention duration of judicial expulsion temporary protection

Cited Legislation

AI generated
artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht
Dit is mogelijk op grond van artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 96, eerste lid, van de Vw 2000.
AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Arnhem Bestuursrecht zaaknummer: NL23.22277 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 augustus 2023 in de zaak tussen [eiser] , v-nummer: [nummer] , eiser (gemachtigde: mr. J. van Appia), en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het voortduren van de aan hem opgelegde maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) en het verzoek om schadevergoeding. Deze maatregel is opgelegd op 22 mei 2023. 1.1.

De rechtbank heeft deze maatregel van bewaring eerder getoetst bij uitspraak van 29 juni 2023. 1.2. De staatssecretaris heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hier niet op gereageerd. 1.3. De maatregel is opgeheven op 4 juli 2023 vanwege de tenuitvoerlegging van een aan eiser opgelegd strafrechtelijk vonnis. 1.4. De rechtbank heeft het vooronderzoek op 10 augustus 2023 gesloten en bepaald dat de zaak niet op zitting zal worden behandeld. Beoordeling door de rechtbank 2. De rechtbank beoordeelt of het voortduren van de maatregel van bewaring rechtmatig was.

Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.

3. Het beroep is ongegrond. Het voortduren van de maatregel van bewaring was niet onrechtmatig. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Toetsingskader 4. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. De rechtbank kan een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen als de bewaring is opgeheven vóórdat de zitting heeft plaatsgevonden. In dat verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. 4.1.

Uit de uitspraak van 29 juni 2023 volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom beoordeelt de rechtbank nu alleen of de maatregel van bewaring sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek (op 20 juni 2023) tot aan de opheffing van de maatregel op 4 juli 2023 rechtmatig is. Was het voortduren van de maatregel onrechtmatig? 5. De rechtbank stelt vast dat eiser niet heeft gereageerd op de voortgangsrapportage en dat eiser geen beroepsgronden heeft ingediend.

In zoverre ziet de rechtbank geen reden dat het voortduren van de maatregel van bewaring onrechtmatig was. Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel? 6. De rechtbank ziet in de door de staatssecretaris en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet was voldaan. 6.1. De voortgangsrapportage die is overgelegd bevat informatie tot 9 juni 2023, daarin ontbreekt het vertrekgesprek van 23 juni 2023 en de opheffing van de maatregel op 4 juli 2023. De staatssecretaris heeft wel het verslag van het vertrekgesprek van 23 juni 2023 overgelegd.

Hieruit blijkt dat de staatssecretaris voldoende voortvarend handelt omdat er iedere maand een vertrekgesprek is gevoerd. Eiser heeft van 20 juni 2023 tot 4 juli 2023 dus niet onrechtmatig in bewaring gezeten. Conclusie en gevolgen 7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het voortduren van de maatregel van bewaring rechtmatig was. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. De staatssecretaris hoeft de proceskosten van eiser niet te vergoeden. Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep ongegrond; - wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A. van Hoof, rechter, in aanwezigheid van mr. A.M. van Gerwen, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open. Rb. Den Haag (zp. Arnhem) 29 juni 2023, NL23.16839 (niet gepubliceerd). Dit is mogelijk op grond van artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 96, eerste lid, van de Vw 2000. Artikel 106, eerste lid van de Vw 2000. Vergelijk HvJEU, 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858.