Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RBDHA:2023:12349 ECLI:NL:RBDHA:2023:12349 AI generated

ECLI:NL:RBDHA:2023:12349 · Rechtbank Den Haag

Case Number ECLI:NL:RBDHA:2023:12349
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Arnhem Bestuursrecht zaaknummer: NL23.20864 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 augustus 2023 in de zaak tussen [eiser] , v-nummer: [nummer] , eiser (gemachtigde: mr. S.C. van Paridon), en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid (gemachtigde: mr. D.J. Tigelaar). Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het bestreden besluit van 19 juli 2023, waarin de staatssecretaris aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) heeft opgelegd. Dit beroep moet ook worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.

Legislator headnote

AI generated

ECLI:NL:RBDHA:2023:12349 · Rechtbank Den Haag: Eiser betoogt dat in zijn geval de staatssecretaris geen bijzondere omstandigheden heeft gesteld waardoor hij meer tijd nodig zou hebben om uitzettingshandelingen te verrichten. De bewaring van eiser duurt daarom langer dan noodzakelijk is. 5.1. Deze beroepsgrond slaagt niet. In wat eiser aanvoert ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat de staatssecretaris onvoldoende voortvarend werkt aan de overdracht. Eiser is op 19 juli 2023 in bewaring gesteld. Op 21 juli 2023, dus twee dagen na de inbewaringstelling, is een vertrekgesprek gehouden.

Keywords

AI generated
illegal departure grounds unreasonableness of return to Afghanistan prolonged absence abroad serious defect in foreign proceedings undue delay in asylum risk of overstaying

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:RVS:2009:BK2770
Zoals bedoeld in de door de staatssecretaris aangehaalde jurisprudentie van de Afdeling van 8 april 2009, ECLI:NL:RVS:2009:BK2770.
ECLI:NL:RBDHA:2020:8480
RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats 's-Hertogenbosch Bestuursrecht zaaknummer: NL20.15924 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , geboren op [geboortedag] 2000, van Guinee-Bissause nationaliteit, eiser, V-nummer: [V-nummer] , (gemachtigde: mr. S.C. van Paridon), en de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder, (gemachtigde: mr. K. Bruin). Procesverloop Bij besluit van 24 augustus 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd.
ECLI:NL:RVS:2021:352
202006503/1/V3. Datum uitspraak: 23 februari 2021 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, van 2 december 2020 in zaak nr. NL20.20167 in het geding tussen: [de vreemdeling] en de staatssecretaris. Procesverloop Bij besluit van 21 november 2020 is de vreemdeling in vreemdelingenbewaring gesteld. Bij uitspraak van 2 december 2020 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, de opheffing van de maatregel van bewaring met ingang van die dag bevolen en de vreemdeling schadevergoeding toegekend.
AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Arnhem Bestuursrecht zaaknummer: NL23.20864 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 augustus 2023 in de zaak tussen [eiser] , v-nummer: [nummer] , eiser (gemachtigde: mr. S.C. van Paridon), en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid (gemachtigde: mr. D.J. Tigelaar). Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het bestreden besluit van 19 juli 2023, waarin de staatssecretaris aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) heeft opgelegd. Dit beroep moet ook worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.

2. De rechtbank heeft het beroep op 1 augustus 2023 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de staatssecretaris. Beoordeling door de rechtbank 3. De rechtbank beoordeelt of de staatssecretaris aan eiser de maatregel van bewaring mocht opleggen. Zij doet dat onder meer aan de hand van de beroepsgronden van eiser.

4. Het beroep is ongegrond. Het opleggen van de maatregel van bewaring is rechtmatig. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Werkt de staatssecretaris voldoende voortvarend aan de overdracht van eiser? 5. Eiser voert als enige grond aan dat de staatssecretaris onvoldoende voortvarend aan zijn overdracht werkt. Eiser stelt dat er weliswaar jurisprudentie bestaat waaruit kan worden opgemaakt dat een eerste vertrekhandeling binnen zeven dagen na inbewaringstelling in zijn algemeenheid nog voldoende voortvarend is , maar dit neemt niet weg dat de staatssecretaris steeds zo snel als redelijkerwijs mogelijk moet handelen.

Eiser betoogt dat in zijn geval de staatssecretaris geen bijzondere omstandigheden heeft gesteld waardoor hij meer tijd nodig zou hebben om uitzettingshandelingen te verrichten. De bewaring van eiser duurt daarom langer dan noodzakelijk is. 5.1. Deze beroepsgrond slaagt niet. In wat eiser aanvoert ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat de staatssecretaris onvoldoende voortvarend werkt aan de overdracht. Eiser is op 19 juli 2023 in bewaring gesteld. Op 21 juli 2023, dus twee dagen na de inbewaringstelling, is een vertrekgesprek gehouden.

Dit gesprek heeft te gelden als een eerste uitzettingshandeling. Daarmee is op zichzelf voortvarend gehandeld. De rechtbank stelt vervolgens vast dat op 26 juli 2023 een overdracht was gepland. Vanwege een incident op 21 juli 2023, waarbij eiser brand heeft gesticht in zijn cel en een strop heeft gemaakt door middel van een deken, is die overdracht geannuleerd. Een nieuwe overdacht is gepland op 8 augustus 2023. Voor zover eiser betoogt dat de staatssecretaris na het annuleren van de overdracht, onvoldoende voortvarend heeft gehandeld, volgt de rechtbank dat betoog niet.

De rechtbank oordeelt dat het aan het handelen van eiser op 21 juli 2023 is te wijten dat de eerdere geplande overdracht van 26 juli 2023 is geannuleerd. Nadien heeft de staatssecretaris voortvarend gehandeld door de overdracht te annuleren op 24 juli 2023, de Duitse autoriteiten hiervan op de hoogte te stellen op 25 juli 2023 en vervolgens door op 26 juli 2023 een nieuwe overdracht in te plannen voor 8 augustus 2023. Daarbij komt dat uit het claimakkoord van 13 april 2023 volgt dat de Duitse autoriteiten een aanzegtermijn van tien werkdagen vereisen bij medische of psychische omstandigheden, naast een fit to travel-keuring.

Ook moet een escort worden geregeld bij de overdracht van eiser. Gelet op het bovenstaande is met een geplande overdracht op 8 augustus 2023 voldoende voortvarend gehandeld. Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel? 6. Los van de door eiser aangevoerde beroepsgrond, ziet de rechtbank in de door de staatssecretaris en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden van deze maatregel niet is voldaan. Conclusie en gevolgen 7. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep ongegrond;- wijst het verzoek om schadevergoeding af. Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A. van Hoof, rechter, in aanwezigheid van mr. S.M. Hampsink, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking. Zoals bedoeld in de door de staatssecretaris aangehaalde jurisprudentie van de Afdeling van 8 april 2009, ECLI:NL:RVS:2009:BK2770.

Zoals bedoeld in de uitspraak van rechtbank Den Bosch van 1 september 2020, ECLI:NL:RBDHA:2020:8480. Zie de uitspraak van de Afdeling van 23 februari 2021, ECLI:NL:RVS:2021:352. Vergelijk HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858.