Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RBDHA:2023:10752 ECLI:NL:RBDHA:2023:10752 AI generated

ECLI:NL:RBDHA:2023:10752 · Rechtbank Den Haag

Case Number ECLI:NL:RBDHA:2023:10752
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Middelburg Bestuursrecht zaaknummer: NL23.16099 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [naam], eiser V-nummer: [nummer] (gemachtigde: mr. W.C. Boelens), en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. S. Becks). Procesverloop Eiser heeft op 1 juni 2023 beroep ingesteld omdat verweerder volgens hem niet op tijd heeft beslist op het bezwaar van 29 april 2022. De rechtbank nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat op grond van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in deze zaak niet nodig is.

Legislator headnote

AI generated

ECLI:NL:RBDHA:2023:10752 · Rechtbank Den Haag: Op grond van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb kan de bestuursrechter het bestuursorgaan opdragen een nieuw besluit te nemen of een andere handeling te verrichten met inachtneming van zijn aanwijzingen. Op grond van artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb bepaalt de bestuursrechter, indien er nog geen besluit is bekendgemaakt, dat het bestuursorgaan binnen twee weken na de dag waarop de uitspraak wordt verzonden, alsnog een besluit bekendmaakt. In bijzondere gevallen of als dat voor de naleving van andere wettelijke voorschriften nodig is, kan de rechtbank op grond van het derde lid van deze bepaling een andere termijn opleggen of een andere voorziening treffen.

Keywords

AI generated
delayed family reunification undue delay in asylum duration of stay family asylum extension of detention deportation suspension of naturalization

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:RBDHA:2023:6613
RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL22.23472 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , eiser V-nummer: [V-nummer] (gemachtigde: mr.
ECLI:NL:RVS:2018:1025
201703561/1/V1. Datum uitspraak: 29 maart 2018 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op de hoger beroepen van: 1. [de vreemdeling] en 2. het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam, appellanten, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 20 april 2017 in zaak nr. 16/28693 in het geding tussen: de vreemdeling en het college. Procesverloop Bij brief van 14 juni 2016 heeft de vreemdeling opnieuw beroep ingesteld tegen het uitblijven van een reactie op zijn verzoek van 10 juli 2015 om hem onderdak en leefgeld te verstrekken (hierna: het verzoek van 10 juli 2015).
ECLI:NL:RBDHA:2023:3590
RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Arnhem Bestuursrecht zaaknummer: NL23.2362 uitspraak van de meervoudige kamer van 17 maart 2023 in de zaak tussen [eiseres] , v-nummer: [nummer] , eiseres (gemachtigde: mr.
ECLI:NL:RVS:2020:1560
202000935/1/V1.Datum uitspraak: 8 juli 2020 AFDELINGBESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 28 januari 2020 in zaak nr. NL19.29203 in het geding tussen: [de vreemdeling] en de staatssecretaris. Procesverloop De vreemdeling heeft tegen het uitblijven van een besluit op zijn aanvraag om hem een verblijfsvergunning asiel te verlenen beroep ingesteld bij de rechtbank.
AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Middelburg Bestuursrecht zaaknummer: NL23.16099 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [naam], eiser V-nummer: [nummer] (gemachtigde: mr. W.C. Boelens), en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. S. Becks). Procesverloop Eiser heeft op 1 juni 2023 beroep ingesteld omdat verweerder volgens hem niet op tijd heeft beslist op het bezwaar van 29 april 2022. De rechtbank nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat op grond van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in deze zaak niet nodig is.

Overwegingen 1. Tegen het uitblijven van een besluit op zijn bezwaar heeft eiser eerder beroep ingesteld. Deze rechtbank, zittingsplaats Utrecht, heeft dit beroep op 2 maart 2023 gegrond verklaard. Zij heeft het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit vernietigd en een nadere beslistermijn toegekend van twee weken na de bekendmaking van de uitspraak. Ook heeft zij bepaald dat verweerder aan eiser een dwangsom verbeurt van € 100 per dag, voor elke dag waarmee hij de genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 7.500.

2. Op grond van artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Awb wordt voor de toepassing van wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep het niet tijdig nemen van een besluit met een besluit gelijkgesteld. In artikel 6:12, tweede lid, van de Awb is bepaald dat het beroepschrift kan worden ingediend zodra het bestuursorgaan in gebreke is om op tijd een besluit te nemen. Een schriftelijke ingebrekestelling is in een zaak als deze niet vereist, op grond van artikel 6:12, derde lid, van de Awb en de uitleg die de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) daaraan heeft gegeven.

3. De rechtbank stelt vast dat de nadere beslistermijn van twee weken op 16 maart 2023 is verstreken zonder dat er een besluit op het bezwaar is genomen. Het beroep is daarom kennelijk gegrond.

4. Eiser verzoekt de rechtbank om verweerder op te dragen om binnen een door de rechtbank redelijk geachte termijn alsnog een besluit te nemen, verweerder een dwangsom op te leggen van € 200 voor elke dag dat hij in gebreke blijft om deze uitspraak na te leven met een maximum van € 15.000, en verweerder te veroordelen in de door hem gemaakte proceskosten.

5. Op grond van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb kan de bestuursrechter het bestuursorgaan opdragen een nieuw besluit te nemen of een andere handeling te verrichten met inachtneming van zijn aanwijzingen. Op grond van artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb bepaalt de bestuursrechter, indien er nog geen besluit is bekendgemaakt, dat het bestuursorgaan binnen twee weken na de dag waarop de uitspraak wordt verzonden, alsnog een besluit bekendmaakt. In bijzondere gevallen of als dat voor de naleving van andere wettelijke voorschriften nodig is, kan de rechtbank op grond van het derde lid van deze bepaling een andere termijn opleggen of een andere voorziening treffen.

6. De rechtbank is van oordeel dat bij aanvragen om gezinshereniging bij een houder van een asielvergunning op dit moment sprake is van een bijzonder geval. Zij verwijst voor een uitgebreide motivering hiervan naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, van 17 maart 2023. Er is dan ook reden om met toepassing van artikel 8:55d, derde lid, van de Awb een langere termijn dan twee weken op te leggen.

7. Om te bepalen welke termijn verweerder moet worden gegund om alsnog tot een besluit te komen, wordt de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 8 juli 2020, als uitgangspunt genomen. In deze uitspraak is geoordeeld dat de te bepalen nadere beslistermijn niet onnodig lang, maar ook niet onrealistisch kort mag zijn.

8. Verweerder heeft in zijn verweerschrift aangegeven dat hij meent dat een nader onderzoek niet nodig is en dat hij ernaar streeft binnen vier weken op het bezwaarschrift te beslissen. Gezien deze uitleg bepaalt de rechtbank dat verweerder binnen vier weken na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een besluit bekend moet maken.

9. De rechtbank ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb te bepalen dat verweerder een dwangsom verbeurt als hij de hiervoor genoemde termijn van vier weken overschrijdt. De rechtbank stelt de hoogte van deze dwangsom in overeenstemming met het daarvoor geldende landelijke beleid vast op € 200 per dag, met een maximum van € 15.000. De hogere dwangsom is gerechtvaardigd door het gegeven dat verweerder niet tijdig gevolg heeft gegeven aan een opdracht van de rechtbank.

10. De rechtbank ziet aanleiding om verweerder te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep tot aan deze uitspraak redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 418,50, bestaande uit een punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 837 en vermenigvuldigd met een wegingsfactor 0,5 (licht). De rechtbank is van oordeel dat de wegingsfactor ‘licht’ van toepassing is aangezien het beroep alleen ziet op het niet tijdig nemen van een besluit.

Beslissing De rechtbank: verklaart het beroep gegrond; vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit; draagt verweerder op binnen vier weken na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een besluit bekend te maken; bepaalt dat verweerder aan eiser een dwangsom van € 200 (tweehonderd euro) moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000 (vijftienduizend euro); veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 418,50 (vierhonderdachttien euro en vijftig cent).

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.F. Bethlehem, rechter, in aanwezigheid van mr. S.S. van der Velde, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerd publicatie op www.rechtspraak.nl. De uitspraak is bekendgemaakt op: Bent u het niet eens met deze uitspraak? Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.

Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden. ECLI:NL:RBDHA:2023:6613. Zie de uitspraak van 29 maart 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1025. ECLI:NL:RBDHA:2023:3590. ECLI:NL:RVS:2020:1560. Beleid ten aanzien van de beroepen niet tijdig in het vreemdelingenrecht. (rechtspraak.nl)