Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RBDHA:2022:977 ECLI:NL:RBDHA:2022:977 AI generated

ECLI:NL:RBDHA:2022:977 · Rechtbank Den Haag

Case Number ECLI:NL:RBDHA:2022:977
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

Rechtbank den haag Team Handel - voorzieningenrechter zaak- / rolnummer: C/09/621121 / KG ZA 21-1119 Vonnis in kort geding van 7 februari 2022 in de zaak van SMELT EUROPE B.V. te Zwolle, eiseres, advocaat mr. F.R.H. Kuiper en D.F. Linnartz te Hattem, tegen: DE STAAT DER NEDERLANDEN (Ministerie van Justitie en Veiligheid) te Den Haag, gedaagde, advocaat mr. M.S.A. Smith en mr. G. van Til te Den Haag, waarin is tussengekomen: KONING & HARTMAN B.V. te Delft, advocaat mr. M.M. Fimerius te Rijswijk. Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘SMELT’, ‘DJI’ en ‘Koning & Hartman’. 1De procedure 1.1.

Legislator headnote

AI generated

ECLI:NL:RBDHA:2022:977 · Rechtbank Den Haag: Zie hiertoe de Eigen Verklaring, deel III, onderdeel V.” 3.8. Voor de Opdracht hebben zich meerdere partijen ingeschreven, waaronder SMELT en Koning & Hartman. SMELT heeft zich via TenderNed ingeschreven voor beide percelen. SMELT heeft daarbij voor beide percelen niet het Uniforme Europees Aanbestedingsdocument (hierna: UEA) geüpload in TenderNed. In de checklists bij haar inschrijvingen heeft SMELT bij de vraag naar het UEA (zie 3.6) “ja” ingevuld. In TenderNed heeft SMELT bij de sectie Eisen (zie 3.7) steeds ingevuld “Ja, ik voldoe”. 3.9.

Keywords

AI generated
submission of tenders unsuccessful bidder notice of competition unsuccessful tender procedure exclusion from procurement procedure vacancy notice

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:RBAMS:2018:6753
vonnis RECHTBANK AMSTERDAM Afdeling privaatrecht, voorzieningenrechter civiel zaaknummer / rolnummer: C/13/652279 / KG ZA 18-838 FB/JvS Vonnis in kort geding van 13 september 2018 in de zaak van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid INFRA DAM AMSTERDAM B.V., gevestigd te Amstelveen, eiseres bij dagvaarding van 3 augustus 2018, advocaten mrs. J. Haest en R.D. Chee te 's-Gravenhage, tegen de publiekrechtelijke rechtspersoon DE GEMEENTE AMSTERDAM, zetelend te Amsterdam, gedaagde, advocaat mr. K. Imaalitane-Koster te Amsterdam. Partijen zullen hierna Infra Dam en de Gemeente worden genoemd. 1De procedure Ter zitting van 30 augustus 2018 heeft Infra Dam gesteld en gevorderd overeen-komstig de in kopie aan dit vonnis gehechte dagvaarding. de Gemeente heeft verweer gevoerd met conclusie tot weigering van de gevraagde voorziening. Beide partijen hebben producties en een pleitnota in het geding gebracht. Na verder debat hebben partijen verzocht vonnis te wijzen. Ter zitting waren aanwezig: aan de zijde van Infra Dam: [naam directeur] (directeur), mr. Haest en mr. Chee ; aan de zijde van de Gemeente: [naam 1] ( [functie] ) en mr. Imaalitane-Koster . 2De feiten 2.1. De Gemeente heeft een aanbesteding georganiseerd voor het aangaan van een raamovereenkomst met één opdrachtnemer voor het verrichten van kleine onderhoudswerkzaamheden aan verhardingen en straatmeubilair binnen stadsdeel Centrum op basis van de standaard RAW bepalingen 2015 en de UAV 2012. In de raamovereenkomst is bepaald dat de aanbesteding geschiedt volgens het ARW 2016. Daarnaast is de Aw 2012 van toepassing. De opdracht wordt gegund op basis van de laagste fictieve inschrijfprijs conform artikel 7 van deel ‘Totstandkoming van de overeenkomst’ van het Bestek. 2.2. Partijen hebben met elkaar gecommuniceerd via het digitale aanbestedingsplatform Tenderned. 2.3. Infra Dam en [naam 2] (hierna: [naam 2] ) hebben tijdig ingeschreven. [naam 2] heeft in het UEA (Uniform Europees Aanbestedingsdocument) – voor zover van belang – het volgende ingevuld: 2.4. Op 28 mei 2018 heeft de Gemeente het proces-verbaal van opening van de inschrijvingen op Tenderned gepubliceerd. Hieruit bleek dat [naam 2] met de laagste fictieve prijs had ingeschreven en dat Infra Dam de opvolgend laagste fictieve inschrijfprijs had ingediend. In het proces-verbaal is – voor zover van belang – het volgende opgenomen: Citaat proces-verbaal verwijderd. 2.5. De Gemeente heeft [naam 2] vervolgens de mogelijkheid geboden om alsnog het UEA van de onderaannemer in te dienen. 2.6. Bij brief van 16 juli 2018 heeft de Gemeente aan Infra Dam meegedeeld dat zij voornemens was om de opdracht aan [naam 2] te gunnen. 2.7. Bij brief van 26 juli 2018 heeft Infra Dam haar bezwaar geuit tegen de voorlopige gunning aan [naam 2] , omdat uit het proces-verbaal blijkt dat [naam 2] het UEA van haar onderaannemer niet had overgelegd, hetgeen volgens Infra Dam inhoudt dat [naam 2] een ongeldige inschrijving heeft gedaan. 2.8. Bij brief van 31 juli 2018 heeft de Gemeente aan Infra Dam meegedeeld dat er sprake was van een herstelbaar gebrek, omdat het indienen van het UEA slechts een formaliteit was. 2.9. Bij brief van 2 augustus 2018 heeft Infra Dam de Gemeente er nogmaals op gewezen dat herstel niet is toegestaan. Daarnaast heeft zij aangevoerd dat de inschrijving van [naam 2] ook op basis van het foutief invullen van het UEA ongeldig moet worden verklaard. 2.10. Bij brief van 2 augustus 2018 heeft de Gemeente aan Infra Dam meegedeeld dat zij bij het door haar ingenomen standpunt blijft. 3Het geschil 3.1. Infra Dam vordert het volgende: Primair de Gemeente te verbieden uitvoering te geven aan het door haar geuite gunningsvoornemen aan [naam 2] , en de Gemeente te gebieden – voor zover zij het werk nog wenst op te dragen – het werk aan geen ander dan Infra Dam op te dragen zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom ter hoogte van € 500.000,00 althans een in goede justitie te bepalen bedrag, te vermeerderen met een bedrag van € 5.000,00 per dag dat de overtreding voortduurt. Subsidiair de Gemeente te verbieden de opdracht op basis van de thans voorliggende gunningsbeslissing te gunnen aan [naam 2] en de Gemeente te gebieden – voor zover de Gemeente het onderhavige werk nog wenst aan te besteden – over te gaan tot heraanbesteding, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom ter hoogte van € 500.000,00 te vermeerderen met een bedrag van € 5.000,00 per dag dat de overtreding voortduurt. Meer subsidiair Die maatregelen te treffen die in het kader van de beslechting van dit geschil in goede justitie geraden worden geacht, zo nodig op straffe van een door de Gemeente te verbeuren dwangsom van € 500.000,00, althans een in goede justitie te bepalen bedrag, voor elke gehele of gedeeltelijke overtreding van die maatregelen. Zowel primair, subsidiair en meer subsidiair de Gemeente te veroordelen in de kosten van deze procedure, de nakosten daaronder begrepen, te vermeerderen met de wettelijke rente. 3.2. Ter onderbouwing van haar vordering stelt Infra Dam – samengevat – dat een inschrijver een beroep mag doen op de ervaring en kunde van een derde, maar dat zij dit dan wel dient te melden onder Deel IIC van de UEA (‘Informatie over beroep op draagkracht van andere entiteiten’). [naam 2] heeft in haar UEA onder deel IIC geen melding gemaakt van het beroep op de draagkracht van een andere entiteit, maar onder Deel IID (‘Informatie betreffende onderaannemers op wier draagkracht de onder-nemer geen beroep doet’). De andere entiteit (in dit geval: Eijkelboom B.V.) wordt in de UEA van [naam 2] derhalve genoemd als onderaannemer waarop zij géén beroep doet ten aanzien van draagkracht. Nu [naam 2] zelfstandig niet aan de door de Gemeente gestelde geschiktheidseisen voldoet en zij bij inschrijving niet kenbaar heeft gemaakt dat zij voor deze eis een beroep doet op onderaannemer Eijkelboom, diende [naam 2] te worden uitgesloten. Dat [naam 2] het Groenkeurcertificaat van onderaannemer Eijkelboom zou hebben bijgevoegd bij inschrijving, maakt het vorenstaande niet anders. Voor zover [naam 2] wel een geldig beroep zou hebben gedaan op de middelen (meer in het bijzonder: het Groenkeurcertificaat) van haar onderaannemer Eijkelboom, heeft zij nagelaten de UEA van Eijkelboom bij inschrijving in te dienen, hetgeen een grond is voor ongeldigverklaring van haar inschrijving. Ten slotte heeft Infra Dam aangevoerd dat van herstel van een kennelijke materiële fout, of eenvoudige precisiering, geen sprake is. Herstel is in het onderhavige geval ook uitgesloten, omdat de UEA van de onderaannemer op straffe van uitsluiting diende te worden verstrekt. 3.3. De Gemeente heeft daartegen – samengevat – aangevoerd dat zij te maken heeft met een inschrijving waarvan objectief kon worden vastgesteld dat de inschrijver een vergissing heeft gemaakt bij het invullen van het UEA. [naam 2] heeft in het UEA bij vraag IIC immers geantwoord dat zij géén beroep doet op de draagkracht van een andere entiteit, terwijl uit de bij de inschrijving ingediende stukken blijkt dat zij wél een beroep doet op de draagkracht van een andere entiteit, namelijk voor wat betreft het bezit van het Groenkeurcertificaat dat op naam staat van Eijkelboom. Ook kon volgens de Gemeente objectief worden vastgesteld dat [naam 2] het uitvoeren van de groenwerkzaamheden in onderaanneming zal opdragen aan Eijkelboom, omdat dit blijkt uit de beantwoording van vraag IID in het UEA. Dit is volgens de Gemeente informatie die reeds bij eerste inzage van de inschrijving (in de kluis van TenderNed) bekend en duidelijk was, zodat zij [naam 2] in de gelegenheid mocht stellen om alsnog het UEA van onderaannemer Eijkelboom in te dienen. 3.4. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. 4De beoordeling 4.1. Het spoedeisend belang vloeit voort uit de aard van de zaak. 4.2. De discussie spitst zich in deze zaak toe op de vraag of de Gemeente het herstellen van het gebrek – het ontbreken van het UEA van de onderaannemer – onder de gegeven omstandigheden terecht heeft gekwalificeerd als een gebrek dat voor herstel in aanmerking kwam. 4.3. Als uitgangspunt heeft te gelden dat een aanbestedende dienst bij de beoordeling van de inschrijving moet uitgaan van de inschrijvingen zoals die bij het sluiten van de termijn zijn ontvangen. Het beginsel van gelijke behandeling en het daarvan afgeleide transparantiebeginsel verzetten zich in beginsel tegen de mogelijk-heid dat een inschrijver zijn inschrijving nadien nog wijzigt of aanvult. Volgens vaste rechtspraak van het Europese Hof van Justitie kan slechts in uitzonderlijke geval-len een uitzondering op voormeld uitgangspunt worden gemaakt (HvJ EU 29 maart 2012, zaak C-599/10 (SAG)). Een inschrijving kan alleen dan – na de inschrijfdatum – nog worden verbeterd of aangevuld in geval deze een klaarblijkelijke eenvoudige precisering behoeft of als het om het rechtzetten van een kennelijke materiële fout gaat. Een dergelijke wijziging mag er echter niet toe leiden dat in werkelijkheid een nieuwe inschrijving wordt voorgesteld. Het maken van een dergelijke uitzondering is uitgesloten in geval van een ontbrekend stuk dat, of ontbrekende informatie die op straffe van uitsluiting moet worden verstrekt (HvJ EU 10 oktober 2013, zaak C-336/12 (Manova)). 4.4. Gelet op het vorenstaande moet worden beoordeeld of de inschrijving van [naam 2] , zoals door de Gemeente aangetroffen in de kluis van TenderNed, door het geboden herstel rechtens ontoelaatbaar is aangevuld. Dit is niet het geval. Uit de inschrijving zelf bleek immers dat [naam 2] , om aan de door de Gemeente gestelde eisen te voldoen, wel degelijk mede een beroep deed op “de draagkracht van een andere entiteit”, namelijk Eijkelboom, van wie bovendien al wel aanstonds het Groenkeurcertificaat was overgelegd. Uit de inschrijving zelf bleek dus niet alleen dat [naam 2] de desbetreffende vraag IIC foutief had beantwoord maar ook wat, naar haar uit dat stuk kenbare bedoeling, het antwoord had behoren te zijn. Uit die fout vloeide vervolgens ook de tweede fout voort, namelijk dat [naam 2] de UEA betreffende Eijkelboom niet bij haar inschrijving had gevoegd. Onder de gegeven omstandigheden mocht dit door de Gemeente worden aangemerkt als een evidente fout in de zin van de hiervoor in 4.3 vermelde rechtspraak, die voor eenvoudig herstel vatbaar was. Door [naam 2] deze mogelijkheid van herstel te bieden, werd zij niet in werkelijkheid in de gelegenheid gesteld een nieuwe inschrijving voor te stellen. Evenmin was door die gang van zaken sprake van concurrentievervalsing of strijd met het gelijkheidsbeginsel. Ten slotte is gesteld noch gebleken dat de aanbestedingsvoorwaarden mede inhielden dat een op enig onderdeel incomplete of foutieve inschrijving zonder meer werd uitgesloten (zie HvJEU 14 juni 2016, ECLI:EU:C:2016:948). De Gemeente heeft dus, zonder een open en transparante mededinging in gevaar te brengen, [naam 2] in de gelegenheid mogen stellen alsnog het UEA van haar onderaannemer Eijkelboom in te dienen. De vorderingen zijn dan ook niet toewijsbaar. 4.5. Infra Dam zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van de Gemeente worden begroot op: - griffierecht € 626,00 - salaris advocaat € 980,00 -------------- + Totaal € 1.606,00 4.6. De nakosten zullen worden toegewezen op de wijze zoals in de beslissing vermeld. 5De beslissing De voorzieningenrechter 5.1. weigert de gevraagde voorzieningen, 5.2. veroordeelt Infra Dam in de kosten van het geding gevallen aan de zijde van de Gemeente en tot op heden begroot op € 1.606,00, 5.3. veroordeelt Infra Dam in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 157,00 voor salaris advocaat, te vermeerderen met € 82,00 en de kosten van het betekeningsexploot ingeval betekening van dit vonnis plaatsvindt, 5.4. verklaart deze kostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad. Dit vonnis is gewezen door mr. F.B. Bakels, voorzieningenrechter, bijgestaan door mr. J. van Sintemaartensdijk, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 13 september 2018. type: JvS coll: EB
ECLI:NL:HR:2010:BL1116
Het geding in feitelijke instanties [Eiser] heeft bij exploot van 7 juni 2007 de Staat in kort geding gedagvaard voor de rechtbank 's-Gravenhage en gevorderd, kort gezegd, de Staat te bevelen om binnen twee weken na het in deze te wijzen vonnis uitvoering te geven aan de tussenbeslissing van 3 mei 2006 van de Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming, middels het aanwijzen van een transcultureel psychiater die [eiser] moet gaan bezoeken en aan de Landelijke Adviescommissie Plaatsing zal rapporteren. De Staat heeft de vordering bestreden.
NJ 2011/237
HR 19 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL1116, NJ 2011/237).
AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

Rechtbank den haag Team Handel - voorzieningenrechter zaak- / rolnummer: C/09/621121 / KG ZA 21-1119 Vonnis in kort geding van 7 februari 2022 in de zaak van SMELT EUROPE B.V. te Zwolle, eiseres, advocaat mr. F.R.H. Kuiper en D.F. Linnartz te Hattem, tegen: DE STAAT DER NEDERLANDEN (Ministerie van Justitie en Veiligheid) te Den Haag, gedaagde, advocaat mr. M.S.A. Smith en mr. G. van Til te Den Haag, waarin is tussengekomen: KONING & HARTMAN B.V. te Delft, advocaat mr. M.M. Fimerius te Rijswijk. Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘SMELT’, ‘DJI’ en ‘Koning & Hartman’. 1De procedure 1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding van 21 november 2021, met producties; - de incidentele conclusie tot tussenkomst (primair) en voeging (subsidiair); - de conclusie van antwoord, met producties; - de incidentele conclusie van antwoord van DJI; - de wijziging van eis van SMELT; 1.2. De mondelinge behandeling is gehouden op 24 januari 2022 waarbij door alle partijen pleitnota’s zijn overgelegd. Ter zitting is vonnis bepaald op heden. 2Het incident tot tussenkomst 2.1. Koning & Hartman heeft gevorderd te mogen tussenkomen in de procedure tussen SMELT en DJI dan wel zich te mogen voegen aan de zijde van DJI.

Ter zitting hebben DJI en SMELT verklaard geen bezwaar te hebben tegen de tussenkomst. Koning & Hartman is vervolgens toegelaten als tussenkomende partij, aangezien zij aannemelijk heeft gemaakt dat zij daarbij voldoende belang heeft. Voorts is niet gebleken dat de tussenkomst aan een voortvarende afdoening van dit kort geding in de weg staat. Hierdoor ontstaat er ook geen strijd met de goede procesorde in het algemeen.

3De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan. 3.1. In augustus 2021 heeft (het Inkoop Uitvoeringscentrum) DJI de aankondiging gedaan voor de Europese openbare aanbestedingsprocedure voor een opdracht voor de levering van en onderhoud aan portofonie-apparatuur en aanverwante dienstverlening (hierna: de Opdracht). Op de aanbestedingsprocedure is de Aanbestedingswet 2012 (Aw 2012) van toepassing. 3.2. De Opdracht is omschreven in het Beschrijvend Document van 3 september 2021 (hierna: het Beschrijvend Document) en in de vier Nota’s van Inlichtingen.

De aanbesteding werd geheel digitaal uitgevoerd, via TenderNed. 3.3. De Opdracht is verdeeld in twee percelen. 3.4. In 2.7.1.b van het Beschrijvend Document staat het volgende vermeld: “De Inschrijving van Inschrijver dient volledig te zijn. Een volledige Inschrijving bestaat uit: Het door Inschrijver ingevulde Inschrijfformulier (Bijlage 1); De door Inschrijver ingevulde Uniform Europees Aanbestedingsdocument (UEA) (Bijlage 2); De Uniform Europees Aanbestedingsdocument (UEA) (Bijlage 2) van Derden op wie Inschrijver een beroep doet in het kader van de geschiktheidseisen;

Alle overige door het IUC DJI In het kader van deze aanbesteding gevraagde en door Inschrijver in te vullen Bijlagen en documenten. Voor een overzicht van de bij de Inschrijving te overleggen Bijlagen wordt gewezen op de in Bijlage 1, onder deel 4A opgenomen " Checklist Inschrijving". Een volledige Inschrijving bevat voorts alle antwoorden op de door het IUC DJI in het kader van deze aanbesteding gestelde en door de Inschrijver te beantwoorden vragen. Een Inschrijving die niet volledig is wordt door het IUC DJI terzijde gelegd, tenzij het IUC DJI van mening is dat het geconstateerde gebrek in de Inschrijving – in overeenstemming met de geldende jurisprudentie – voor herstel vatbaar is.

Inschrijver wordt er op gewezen dat het risico op het ontbreken van documenten, informatie en/of antwoorden, berust bij de Inschrijver.” 3.5. In 3.2 van het Beschrijvend Document staat het volgende vermeld: “U dient in de Eigen verklaring antwoord te geven op alle gestelde vragen en deze rechtsgeldig te ondertekenen. Het onjuist of onvolledig invullen van de Eigen verklaring leidt tot uitsluiting van de Inschrijving.” 3.6. Onderdeel van het inschrijfformulier was een checklist met daarin een overzicht van de in TenderNed te uploaden documenten.

In 3.2 van deze checklist staat het volgende vermeld: 3.7. Op TenderNed had DJI in de sectie ‘Eisen’ aan de inschrijvers de mogelijkheid geboden om aan te geven of zij voldeden aan de eisen. Voor de facultatieve uitsluitingsgronden luidde dit formulier als volgt: “Beschrijving De ondernemer is eerder betrokken geweest bij de voorbereiding van de aanbestedingsprocedure en als gevolg hiervan heeft zich een vervalsing van de mededinging voorgedaan (...) Bewijsstuk: Eigen Verklaring Toelichting op De onderneming dient in zijn Eigen Verklaring aan te geven (door middel bewijsstuk van ‘nee’ of ‘ja’ en indien van toepassing, vervolgvragen te beantwoorden) of één of meer van deze uitsluitingsgronden van toepassing zijn.

Zie hiertoe de Eigen Verklaring, deel III, onderdeel V.” 3.8. Voor de Opdracht hebben zich meerdere partijen ingeschreven, waaronder SMELT en Koning & Hartman. SMELT heeft zich via TenderNed ingeschreven voor beide percelen. SMELT heeft daarbij voor beide percelen niet het Uniforme Europees Aanbestedingsdocument (hierna: UEA) geüpload in TenderNed. In de checklists bij haar inschrijvingen heeft SMELT bij de vraag naar het UEA (zie 3.6) “ja” ingevuld. In TenderNed heeft SMELT bij de sectie Eisen (zie 3.7) steeds ingevuld “Ja, ik voldoe”. 3.9.

Bij brieven van 5 november 2021 heeft DJI aan SMELT meegedeeld dat het UEA in de inschrijvingen van SMELT ontbreekt en dat hij daarom genoodzaakt is haar inschrijvingen terzijde te leggen. In deze brief schrijft DJI – met verwijzing naar paragraaf 2.7.1.b. van het Beschrijvend Document – dat het ontbreken van het UEA gelet op de bestaande jurisprudentie niet als een bagatel kan worden gezien en dat daarom herstel van de omissie niet aan de orde is. 3.10. De beide percelen zijn voorlopig gegund aan Koning & Hartman. 4Het geschil 4.1. Na wijziging van eis vordert SMELT, zakelijk weergegeven: primair:

DJI te veroordelen om de gunningsbeslissingen van 5 november 2021 in te trekken en hem te gebieden, zo hij de Opdracht nog wenst te gunnen, deze te gunnen aan SMELT; subsidiair: DJI te veroordelen om de gunningsbeslissingen van 5 november 2021 in te trekken en hem te gebieden de inschrijving van SMELT geldig te verklaren en om – met inachtneming van dit vonnis – nader onderzoek te doen naar de inschrijvingen en op basis van dit onderzoek een gemotiveerde hernieuwde gunningsbeslissing aan inschrijvers te zenden; primair en subsidiair, met veroordeling van DJI in de proceskosten, waaronder de nakosten, te vermeerderen met rente. 4.2.

Aan deze vordering legt SMELT het volgende ten grondslag. Ten tijde van haar inschrijving had SMELT alle benodigde documenten, inclusief de UEA-formulieren klaar staan. Aangezien zij allemaal groene vinkjes kreeg en de mededeling “U heeft zich ingeschreven” dacht SMELT, ten onrechte, dat haar inschrijving volledig was. Anders dan DJI stelt, geeft de jurisprudentie ruimte om deze vergissing te herstellen. Dit volgt onder meer uit een uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam (ECLI:NL:RBAMS:2018:6753) en de niet gepubliceerde uitspraak van 11 juni 2021 van de voorzieningenrechter van de rechtbank Gelderland met zaak- en rolnummer C/05/386328 / KG ZA 21-114)).

Het UEA heeft geen materiele meerwaarde voor de inschrijving; een redelijke uitleg van de rest van de inschrijving brengt mee dat SMELT voldoet aan de geschiktheidseisen en dat op haar geen uitsluitingsgronden van toepassing zijn. Dat volgt uit onder meer uit haar antwoorden op de checklists en uit de door SMELT gekregen groene vinkjes. 4.3. DJI en Koning & Hartman concluderen ieder voor zich tot afwijzing van het gevorderde en voeren daartoe gemotiveerd verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken. 4.4. Koning & Hartman vordert – zakelijk weergegeven – DJI te gebieden om de Opdracht aan haar te gunnen, voor zover DJI de Opdracht nog altijd wenst te gunnen, en subsidiair een in goede justitie te bepalen voorziening te treffen, een en ander met veroordeling van SMELT of de Staat in de proceskosten. 4.5.

Verkort weergegeven stelt Koning & Hartman daartoe dat zij er belang bij heeft dat de opdracht definitief aan haar gegund wordt en dat zij daarom belang heeft bij afwijzing van de vorderingen van SMELT, nu die definitieve gunning daardoor in gevaar kan komen. 4.6. Voor zover nodig zullen de standpunten van SMELT en de Staat met betrekking tot de vorderingen van Koning & Hartman hierna worden besproken. 5De beoordeling van het geschil 5.1. Tussen partijen is in geschil of DJI SMELT terecht heeft uitgesloten van verdere deelname aan de aanbesteding in verband met het ontbreken van het UEA in haar inschrijving en, meer in het bijzonder, of DJI SMELT – binnen de ruimte die de jurisprudentie daarvoor geeft – een mogelijkheid tot herstel moet of mag geven. 5.2.

Tussen partijen is niet (langer) in geschil dat SMELT zich ervan bewust was dat zij het UEA moest indienen en dat zij dat – om niet opgehelderde redenen – domweg is vergeten. Zoals ook in 2.7.1.b. van het Beschrijvend Document is bepaald, ligt dit in de risicosfeer van SMELT. Hoewel een controlesysteem dat meldt wanneer er geen UEA is geüpload prettig was geweest, kan SMELT zich niet verschuilen achter vinkjes en de mededeling over de succesvolle inschrijving. 5.3. Bij de beoordeling van de vraag of DJI SMELT een gelegenheid tot herstel diende te geven, staat ingevolge vaste jurisprudentie voorop dat een aanbestedende dienst bij de beoordeling van de inschrijving moet uitgaan van de inschrijvingen zoals die bij het sluiten van de termijn zijn ontvangen.

Het beginsel van gelijke behandeling en het daarvan afgeleide transparantiebeginsel verzetten zich in beginsel tegen de mogelijkheid dat een inschrijver zijn inschrijving nadien nog wijzigt of aanvult. Slechts in uitzonderlijke gevallen kan op dit uitgangspunt een uitzondering worden gemaakt. Een inschrijving kan alleen dan – na de inschrijfdatum – nog worden verbeterd of aangevuld in geval deze een klaarblijkelijke eenvoudige precisering behoeft of als het om het rechtzetten van een kennelijke materiële fout gaat. Een dergelijke wijziging mag er echter niet toe leiden dat in werkelijkheid een nieuwe inschrijving wordt voorgesteld.

Het maken van een dergelijke uitzondering is uitgesloten in geval van een ontbrekend stuk dat, of ontbrekende informatie die op straffe van uitsluiting moet worden verstrekt. (Vgl HvJ EU 29 maart 2012, zaak C-599/10 (SAG) en HvJ EU 10 oktober 2013, zaak C-336/12 (Manova)). 5.4. In het Beschrijvend Document is bepaald dat het onjuist of onvolledig invullen van het UEA leidt tot uitsluiting van de inschrijving. Een woordelijke uitleg van deze bepaling brengt mee dat dit niet geldt voor het in het geheel niet indienen van het UEA. Voor die situatie moet worden teruggevallen op paragraaf 2.7.1.b. van het Beschrijvend Document. 5.5.

Bij de beslissing om de inschrijving van SMELT uit te sluiten, heeft DJI verwezen naar ‘vaste jurisprudentie’, waaruit zou volgen dat het ontbreken van het UEA niet als voor herstel vatbare omissie kan worden beschouwd. Aan SMELT moet worden toegegeven dat het niet-indienen van een UEA niet in alle gevallen tot uitsluiting hoeft te leiden. In de door SMELT aangehaalde jurisprudentie is immers – onder de daar relevante omstandigheden – wel een mogelijkheid tot herstel gegeven. In die zin was de motivering van de gunningsbeslissing misschien niet volledig.

Dit leidt er echter niet toe dat het SMELT alsnog moet worden toegestaan om een UEA in te dienen. Hiertoe overweegt de voorzieningenrechter als volgt. 5.6. Uit het feit dat SMELT heeft ingeschreven en dat zij in de checklists heeft aangevinkt dat zij een UEA heeft ingediend, kan worden afgeleid dat SMELT de bedoeling had om dat te doen. Dat neemt niet weg dat niet geheel kan worden uitgesloten dat SMELT het UEA bewust niet heeft ingediend. De bedoeling van SMELT kan in dit geval evenwel in het midden blijven, aangezien niet achteraf objectief, op basis van de wel ingediende gegevens, kan worden vastgesteld wat de inhoud van de niet-ingediende UEA precies zou zijn geweest.

Dat die identiek zou zijn met het door SMELT in dit kort geding overgelegde UEA kan noch door DJI, noch door de voorzieningenrechter met zekerheid worden vastgesteld. 5.7. Het UEA bevat gegevens over de inschrijver, een verklaring met betrekking tot uitsluitingsgronden en geschiktheidseisen, een verklaring over de juistheid van de ingevulde eigen verklaring en de bevoegdheid van de ondertekenaar. Deze informatie kan – anders dan door SMELT is bepleit – niet zonder meer worden ondervangen door kennisname van de rest van de inschrijving, aangezien het UEA meer behelst dan de som van de rest van de inschrijving.

SMELT heeft weliswaar aangevinkt dat zij “voldoet” aan de geschiktheidseisen en de uitsluitingsgronden, maar de antwoorden op deze vragen zijn niet compleet, zonder de bijbehorende vragen in het UEA te beantwoorden. Vraag en antwoord verwijzen immers naar de inhoud van het UEA. Uit de antwoorden in TenderNed kan bovendien niet worden afgeleid dat de bevoegde persoon heeft verklaard met betrekking tot de juistheid van de gegeven antwoorden. Omdat de inhoud van het UEA die SMELT (mogelijk) had willen indienen niet objectief uit de inhoud van de inschrijving kan worden vastgesteld, is het gebrek niet te beschouwen als de in 5.3 bedoelde uitzondering, waarbij herstel van een kennelijke fout mogelijk is.

Indien DJI in dit geval SMELT de mogelijkheid tot herstel zou geven, zou hij handelen in strijd met het gelijkheidsbeginsel en het transparantiebeginsel. 5.8. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de vorderingen van SMELT moeten worden afgewezen. 5.9. Nu DJI voornemens is de Opdracht ook definitief te gunnen aan Koning & Hartman, brengt voormelde beslissing mee dat Koning & Hartman geen belang (meer) heeft bij toewijzing van haar vorderingen, zodat deze worden afgewezen. Koning & Hartman wordt veroordeeld in de kosten van DJI, welke kosten worden begroot op nihil, nu niet is gebleken dat DJI als gevolg van deze vorderingen extra kosten heeft moeten maken.

Ondanks de afwijzing moet SMELT in haar verhouding tot Koning & Hartman worden aangemerkt als de in het ongelijk gestelde partij. Het doel van Koning & Hartman was immers te voorkomen dat de opdracht aan SMELT zou worden gegund, welk doel is bereikt. SMELT wordt dan ook veroordeeld in de proceskosten van Koning & Hartman. Voorts zal SMELT, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van DJI. 5.10. De kosten worden begroot zoals in de beslissing vermeld en zoals gevorderd vermeerderd met de wettelijke rente.

Voor veroordeling in de nakosten bestaat geen grond, nu de kostenveroordeling ook voor deze nakosten een executoriale titel oplevert (vgl. HR 19 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL1116, NJ 2011/237).

6De beslissing

De voorzieningenrechter: 6.1. wijst het gevorderde af; 6.2. veroordeelt Koning & Hartman voor wat betreft de door haar ingestelde vorderingen jegens DJI in de kosten van DJI, tot op heden begroot op nihil; 6.3. veroordeelt SMELT in de overige proceskosten, tot op heden aan de zijde van DJI begroot op € 1.683,--, waarvan € 1.016,-- aan salaris advocaat en € 667,-- aan griffierecht en aan de zijde van Koning & Hartman begroot op € 1.692,--, waarvan € 1.016,-- aan salaris advocaat en € 676,-- aan griffierecht; 6.4. bepaalt dat de verschuldigde proceskosten dienen te worden voldaan binnen veertien dagen na de betekening van dit vonnis en dat – bij gebreke daarvan – daarover de wettelijke rente verschuldigd is; 6.5. verklaart dit vonnis wat betreft de proceskosten uitvoerbaar bij voorraad. Dit vonnis is gewezen door mr. S.J. Hoekstra-van Vliet en in het openbaar uitgesproken op 7 februari 2022. WJ