Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RBDHA:2022:911 ECLI:NL:RBDHA:2022:911 AI generated

ECLI:NL:RBDHA:2022:911 · Rechtbank Den Haag

Case Number ECLI:NL:RBDHA:2022:911
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

Rechtbank DEN HAAG Team belastingrecht zaaknummer: SGR 20/5514 proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 januari 2022 in de zaak tussen [eiseres] B.V., gevestigd te [woonplaats] , eiseres(gemachtigde: mr. S.M. Bothof), en de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder. De bestreden uitspraak op bezwaar De uitspraak van verweerder van 12 augustus 2020 op het bezwaar van eiseres tegen de aan eiseres opgelegde naheffingsaanslag belasting van personenauto’s en motorrijwielen (Bpm) (de naheffingsaanslag) voor een Ferrari 812 Superfast met kenteken [kenteken] (de auto).

Legislator headnote

AI generated

ECLI:NL:RBDHA:2022:911 · Rechtbank Den Haag: Het discriminatieverbod brengt mee dat die reële waardedaling of die werkelijke waarde zo goed mogelijk moet worden benaderd. Artikel 10, leden 1 en 2, van de Wet, waarin is bepaald dat voor gebruikte personenauto’s de verschuldigde Bpm wordt berekend met inachtneming van een vermindering (de afschrijving), moet met inachtneming hiervan worden uitgelegd en toegepast (vgl. HR 21 februari 2020, nr. 18/01641, ECLI:NL:HR:2020:323). Producten als auto’s zijn gelijksoortig in vorenbedoelde zin wanneer zij zich door hun eigenschappen en door de behoeften waarin zij voorzien, in een concurrentieverhouding bevinden.

Keywords

AI generated
expert assessment of value loss offset obligation to quantify claims purchase price reduction value of sales manifest error of assessment

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:HR:2020:323
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN BELASTINGKAMER Nummer 18/01641 Datum 21 februari 2020 ARREST in de zaak van [X] te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen 1.
ECLI:NL:HR:2017:2822
10 november 2017 nr. 16/05289 Arrest gewezen op het beroep in cassatie van [X] te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 20 september 2016, nr. 14/00903, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Noord-Holland (nr. HAA 14/1269) betreffende een aan belanghebbende opgelegde naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
ECLI:NL:GHSHE:2017:1529
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Team belastingrecht Meervoudige Belastingkamer Kenmerk: 16/00279 Uitspraak op het hoger beroep van de inspecteur van de Belastingdienst, hierna: de Inspecteur, tegen de uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant te Breda (hierna: de Rechtbank) van 7 april 2016, nummer BRE 14/477, in het geding tussen [belanghebbende] B.V., gevestigd te [vestigingsplaats] , hierna: belanghebbende, en de Inspecteur, betreffende de hierna vermelde naheffingsaanslag en beschikking belastingrente. 1Ontstaan en loop van het geding 1.1.
ECLI:NL:HR:2005:AO9006
Navorderingsaanslag, beschikking, bezwaar en geding voor het Hof Aan belanghebbende is voor het jaar 1995 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen van ƒ 284.594, waarvan ƒ 225.000 belast naar het tarief van artikel 57a, lid 2, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964. Vervolgens is hem over dat jaar een navorderingsaanslag opgelegd naar een belastbaar inkomen van ƒ 410.465, waarvan ƒ 225.000 belast naar het tarief van artikel 57a, lid 2, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964, met een verhoging van de nagevorderde belasting van honderd percent, van welke verhoging de Inspecteur bij het vaststellen van de aanslag een kwijtschelding heeft verleend van vijftig percent, waardoor een verhoging van ƒ 35.698 resteerde.
AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

Rechtbank DEN HAAG Team belastingrecht zaaknummer: SGR 20/5514 proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 januari 2022 in de zaak tussen [eiseres] B.V., gevestigd te [woonplaats] , eiseres(gemachtigde: mr. S.M. Bothof), en de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder. De bestreden uitspraak op bezwaar De uitspraak van verweerder van 12 augustus 2020 op het bezwaar van eiseres tegen de aan eiseres opgelegde naheffingsaanslag belasting van personenauto’s en motorrijwielen (Bpm) (de naheffingsaanslag) voor een Ferrari 812 Superfast met kenteken [kenteken] (de auto).

Zitting Het onderzoek ter zitting heeft via een videoverbinding plaatsgevonden op 12 januari 2022. Namens eiseres heeft haar gemachtigde daaraan deelgenomen, vergezeld door [A] en [B] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [C] en [D] . Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Overwegingen 1. Eiseres heeft op 29 augustus 2018 aangifte Bpm gedaan voor de auto met als datum van eerste toelating 2 mei 2018. Eiseres heeft bij de aangifte een taxatierapport van [B.V.] B.V. gevoegd dat is opgemaakt op 29 augustus 2018. Hierbij is de handelsinkoopwaarde van de auto in onbeschadigde staat vastgesteld op € 300.446.

Het in aanmerking genomen afschrijvingspercentage (37,17%) is bepaald op basis van het gemiddelde afschrijvingspercentage van een viertal referentievoertuigen (een Mercedes S65 AMG Coupe, een Bentley Continental GT 6.0 W12, een Porsche 911 3.8 Turbo S en een Audi R8 5.2 FSI Quattro Plus) zoals dat volgt uit de koerslijst van X-Ray. De verschuldigde Bpm heeft eiseres berekend op € 59.133.

2. Verweerder heeft ten aanzien van de auto een bedrag van € 16.493 nageheven. Daarbij heeft verweerder zich met betrekking tot de auto gebaseerd op een hertaxatie van [E] , werkzaam bij Domeinen Roerende Zaken (DRZ), van 5 september 2018. Hierbij is de handelsinkoopwaarde van de auto in onbeschadigde staat vastgesteld op € 399.740.

3. In geschil is of de naheffingsaanslag terecht en tot het juiste bedrag is opgelegd. Daarbij spitst het geschil zich toe op de vraag of de daarbij toegepaste vermindering (afschrijving) als bedoeld in artikel 10, tweede lid, van de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 (de Wet) te laag is. Daarnaast is in geschil of de door verweerder ingeschakelde taxateur deskundig en onafhankelijk is.

4. Het in artikel 110 VWEU neergelegde discriminatieverbod brengt mee dat de heffing van Bpm ter zake van een uit een andere lidstaat afkomstige gebruikte personenauto niet hoger mag zijn dan het restbedrag aan Bpm dat is vervat in de waarde van een gelijksoortige gebruikte personenauto die al in het binnenland is geregistreerd. Daarom moet de als belastbare grondslag gehanteerde waarde van het ingevoerde tweedehands voertuig een weergave zijn van de waarde van een vergelijkbaar voertuig dat al op het nationale grondgebied is geregistreerd. Om dat te bereiken moet bij de heffing van Bpm ter zake van een uit een andere lidstaat afkomstige gebruikte personenauto een reële waardedaling in aanmerking worden genomen, dan wel moet een waarde worden geschat die de werkelijke waarde zeer sterk benadert.

Het discriminatieverbod brengt mee dat die reële waardedaling of die werkelijke waarde zo goed mogelijk moet worden benaderd. Artikel 10, leden 1 en 2, van de Wet, waarin is bepaald dat voor gebruikte personenauto’s de verschuldigde Bpm wordt berekend met inachtneming van een vermindering (de afschrijving), moet met inachtneming hiervan worden uitgelegd en toegepast (vgl. HR 21 februari 2020, nr. 18/01641, ECLI:NL:HR:2020:323). Producten als auto’s zijn gelijksoortig in vorenbedoelde zin wanneer zij zich door hun eigenschappen en door de behoeften waarin zij voorzien, in een concurrentieverhouding bevinden.

De mededinging tussen twee modellen hangt af van de mate waarin zij voldoen aan een aantal vereisten op het punt van, onder meer, prijs, afmetingen, comfort, prestaties, verbruik, duurzaamheid en betrouwbaarheid (vgl. HR 10 november 2017, nr. 16/05289, ECLI:NL:HR:2017:2822).

5. Een redelijke verdeling van de bewijslast brengt mee dat de belastingplichtige die stelt recht te hebben op een vermindering van de Bpm, de daarvoor benodigde feiten moet stellen en bij gemotiveerde betwisting aannemelijk moet maken. Tussen partijen is niet in geschil dat deze bewijslastverdeling eveneens geldt met betrekking tot de handelsinkoopwaarde van de te hanteren referentieauto’s. De rechtbank ziet in deze zaak geen aanleiding voor een ander oordeel. De omstandigheid dat het te dezen gaat om een procedure inzake een door verweerder opgelegde naheffingsaanslag, doet hieraan niet af.

6. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder de door eiseres bepleite in aanmerking te nemen handelsinkoopwaarden van referentievoertuigen, anders dan eiseres stelt, voldoende gemotiveerd betwist. Verweerder heeft hiertoe onder meer aangevoerd dat het door eiseres gebruikte taxatierapport niet kan dienen als onderbouwing voor de door haar voorgestane handelsinkoopwaarde omdat de in het taxatierapport gehanteerde referentievoertuigen, gelet op onder meer het grote verschil in nieuwprijs, vermogen, land van herkomst en exclusiviteit, niet gelijksoortig zijn aan de auto. Daarom rust op eiseres de last de door haar bepleite handelsinkoopwaarde aannemelijk te maken.

7. Naar het oordeel van de rechtbank is eiseres niet geslaagd in het leveren van het van haar verlangde bewijs. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

8. Eiseres heeft bij het doen van aangifte voor het vaststellen van de afschrijving gebruik gemaakt van een taxatierapport, dat is opgemaakt door een taxateur van [B.V.] B.V. De taxateur heeft de handelsinkoopwaarde van de auto bepaald aan de hand van een koerslijst van X-Ray. De rechtbank stelt vast dat de taxateur in zijn rapport ter onderbouwing van de handelsinkoopwaarde verkoopgegevens van vier – onder 1. genoemde – referentievoertuigen heeft opgenomen. Van deze referentievoertuigen kan niet worden gezegd dat ze gelijksoortig zijn aan de auto, alleen al omdat de referentievoertuigen een gemiddelde nieuwprijs hebben van € 283.739 (tegenover de door eiseres gehanteerde nieuwprijs van de auto van € 478.165).

Daar komt bij dat de CO2-uitstoot en het vermogen van de referentievoertuigen aanzienlijk lager is dan de CO2-uitstoot en het vermogen van de auto. Gelet daarop maakt eiseres met het taxatierapport de door haar voorgestane handelsinkoopwaarde niet aannemelijk. Dat de referentievoertuigen van alle voertuigen in de X-Ray koerslijst het meest vergelijkbaar zijn, doet daaraan niet af omdat de opgevoerde referentievoertuigen daarmee nog niet als gelijksoortig kunnen worden beschouwd.

9. Verweerder heeft zich ter zitting nader op het standpunt gesteld dat er op het door hem overgelegde taxatierapport van DRZ in dit geval ook wel wat is af te dingen. De rechtbank is het met verweerder eens dat de door verweerder gehanteerde gemiddelde vraagprijs van de door hem gehanteerde referentievoertuigen evenmin een geschikt aanknopingspunt vormt. Immers, zoals volgt uit de uitspraak van Gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 6 april 2017 (ECLI:NL:GHSHE:2017:1529) kunnen vraagprijzen van (gelijksoortige) auto’s niet als referentie dienen, ook niet indien rekening wordt gehouden met een handelsmarge. Een vraagprijs kan immers afwijken van wat daadwerkelijk betaald wordt en de handelsmarge is geen vaststaand gegeven.

10. Gelet op het voorgaande moet de afschrijving van de auto, nu vaststaat dat geen in de handel algemeen toegepaste koerslijst bestaat voor het onderhavige type auto, met gebruikmaking van de in artikel 8, vijfde lid, van de Uitvoeringsregeling bedoelde tabel worden vastgesteld en bedraagt 19 procent. Gelet op al het overwogene en hetgeen partijen over en weer naar voren hebben gebracht, is niet aannemelijk geworden dat de aldus bepaalde handelsinkoopwaarde ter zake van de onderhavige auto niet de – onder 5. bedoelde – reële waardedaling of de werkelijke waarde zo goed mogelijk benadert.

11. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de naheffingsaanslag niet te hoog is vastgesteld. Het beroep is daarom ongegrond verklaard.

12. Eiseres heeft nog verzocht om vergoeding van immateriële schade ontstaan door termijnoverschrijding. Bij de beoordeling van de vraag of de redelijke termijn is overschreden, moet worden aangesloten bij de uitgangspunten die zijn neergelegd in het arrest van de Hoge Raad van 22 april 2005 (ECLI:NL:HR:2005:AO9006). Behoudens in geval van bijzondere omstandigheden wordt een periode van twee jaar voor de bezwaar- en beroepsfase in dit verband als redelijk beschouwd. Hiervan komt een half jaar toe aan de bezwaarfase.

13. Verweerder heeft het bezwaarschrift ontvangen op 29 november 2019 en heeft op12 augustus 2020 uitspraak op bezwaar gedaan. Vervolgens is door de rechtbank op 26 januari 2022 uitspraak gedaan. Vanaf het indienen van het bezwaarschrift tot de uitspraakdatum is een periode van twee jaar en (afgerond) twee maanden verstreken. Echter, in het kader van maatregelen tegen het coronavirus hebben in 2020 gedurende een aantal maanden bij de rechtbank geen zittingen kunnen plaatsvinden. Daarmee doet zich een bijzondere omstandigheid voor die verlenging van de redelijke termijn met vier maanden rechtvaardigt. Als gevolg hiervan is geen sprake van overschrijding van de redelijke termijn. Derhalve heeft eiseres geen recht op een vergoeding voor immateriële schade.

14. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Deze uitspraak is gedaan door mr. A.E. Dutrieux, rechter, in aanwezigheid van mr. M.B.K. Stroosnier, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 26 januari 2022. De rechter is verhinderd de uitspraak mede te ondertekenen. griffier rechter Afschrift verzonden aan partijen op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (team belastingrecht), Postbus 20302, 2500 EH Den Haag.