Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RBDHA:2022:9028 ECLI:NL:RBDHA:2022:9028 AI generated

ECLI:NL:RBDHA:2022:9028 · Rechtbank Den Haag

Case Number ECLI:NL:RBDHA:2022:9028
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Middelburg Bestuursrecht zaaknummer: NL22.15316 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [naam], eiseres V-nummer: [V-nummer] (gemachtigde: mr. N. Vollebergh), en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. C.W.M. van Breda). Procesverloop Bij besluit van 8 augustus 2022 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiseres niet in behandeling genomen op de grond dat Polen verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. De rechtbank heeft het beroep, tezamen met de zaak NL22.15317, op 31 augustus 2022 op zitting behandeld te Breda. Eiseres heeft deelgenomen aan de zitting via een telefonisch verbinding. Fysiek aanwezig waren de gemachtigde van eiseres, tolk K. Panasjan, en de gemachtigde van verweerder. Overwegingen 1. Eiseres is geboren op [geboortedatum] 1987 en heeft de Belarussische nationaliteit. Op 16 december 2021 heeft zij in Nederland een asielaanvraag ingediend.

Legislator headnote

AI generated

ECLI:NL:RBDHA:2022:9028 · Rechtbank Den Haag: Niet in geschil is dat Polen in beginsel verantwoordelijk is voor de behandeling van eiseres’ verzoek om internationale bescherming. Het uitgangspunt is dat verweerder er op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel van uit mag gaan dat Polen zijn verdragsverplichtingen nakomt. Er kan alleen dan niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel worden uitgaan als bij overdracht een reëel risico bestaat op schending van artikel 4 van het Handvest.

Keywords

AI generated
immigration and asylum policy Nigerian asylum application removal under immigration law risk of overstaying entry into a country applicability of immigration law

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:RBDHA:2022:5724
RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats 's-Hertogenbosch Bestuursrecht zaaknummer: NL22.6989 VERWIJZINGSUITSPRAAK uitspraak van de meervoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , geboren op [geboortedag] 1992 in Saudi-Arabië, van Syrische nationaliteit, eiser, (gemachtigde: mr. A. Khalaf), en de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. A. Hadfy-Kovacs). Verzoek aan het Hof van Justitie van de Europese Unie tot het beantwoorden van prejudiciële vragen in een versnelde procedure (PPA) I Dient de Dublinverordening, gelet op punten 3, 32 en 39 van de considerans en gelezen in samenhang met artikelen 1, 4, 18, 19 en 47 van het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie, aldus te worden uitgelegd en toegepast dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel niet deelbaar is, zodat ernstige en stelselmatige schendingen van het Unierecht die door de mogelijk verantwoordelijke lidstaat worden begaan vóór overdracht ten aanzien van derdelanders die (nog) geen Dublinterugkeerder zijn absoluut in de weg staan aan overdracht aan deze lidstaat? II Dient artikel 3, tweede lid, van de Dublinverordening, indien de vorige vraag ontkennend wordt beantwoord, gelezen in samenhang met artikelen 1, 4, 18, 19 en 47 van het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie, aldus te worden uitgelegd dat indien de mogelijk verantwoordelijke lidstaat op ernstige en stelselmatige wijze het Unierecht schendt, de overdragende lidstaat in het kader van de Dublinverordening niet voetstoots van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan uitgaan, maar elke twijfel moet wegnemen dan wel aannemelijk moet maken dat de verzoeker na overdracht niet in een situatie zal geraken die in strijd is met artikel 4 van het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie? III Met welke bewijsmiddelen kan de verzoeker zijn argumenten dat artikel 3, tweede lid, van de Dublinverordening, aan zijn overdracht in de weg staat staven en welke bewijsmaatstaf dient hierbij te worden gehanteerd? Heeft de overdragende lidstaat, gelet op de verwijzingen naar het Unieacquis in de considerans van de Dublinverordening, een samenwerkingsplicht en/of vergewisplicht, dan wel dienen er, indien sprake is van ernstige en stelselmatige schendingen van grondrechten ten aanzien van derdelanders, individuele garanties te worden verkregen van de verantwoordelijke lidstaat dat na overdracht de grondrechten van de verzoeker (wel) worden geëerbiedigd? Luidt de beantwoording van deze vraag anders als de verzoeker in bewijsnood verkeert indien hij zijn consistente en gedetailleerde verklaringen niet met documenten kan staven, terwijl dit gelet op de aard van de verklaringen niet kan worden verwacht? IV Luidt de beantwoording van de voorgaande vragen onder III anders indien de verzoeker aannemelijk maakt dat klagen bij de autoriteiten en/of het aanwenden van rechtsmiddelen in de verantwoordelijke lidstaat niet mogelijk en/of niet effectief zal zijn? Verzoek aan het Hof van Justitie tot het behandelen en beantwoorden van de prejudiciële vragen in een versnelde procedure op grond van artikel 105 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof van Justitie ( PPA ) .
ECLI:NL:RBDHA:2022:5327
RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Arnhem Bestuursrecht zaaknummer: NL21.17979 uitspraak van de meervoudige kamer van 2 juni 2022 in de zaak tussen [eiser] , v-nummer: [nummer] , eiser (gemachtigde: mr.
ECLI:NL:RBDHA:2022:6488
RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Arnhem Bestuursrecht zaaknummer: NL21.13546 uitspraak van de meervoudige kamer van 1 juli 2022 in de zaak tussen [eiser] , v-nummer [nummer] , eiser (gemachtigde: mr.
ECLI:NL:RBDHA:2022:3789
ECLI:NL:RBDHA:2022:6488 en ECLI:NL:RBDHA:2022:3789.
AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Middelburg Bestuursrecht zaaknummer: NL22.15316 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [naam], eiseres V-nummer: [V-nummer] (gemachtigde: mr. N. Vollebergh), en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. C.W.M. van Breda). Procesverloop Bij besluit van 8 augustus 2022 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiseres niet in behandeling genomen op de grond dat Polen verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. De rechtbank heeft het beroep, tezamen met de zaak NL22.15317, op 31 augustus 2022 op zitting behandeld te Breda. Eiseres heeft deelgenomen aan de zitting via een telefonisch verbinding. Fysiek aanwezig waren de gemachtigde van eiseres, tolk K. Panasjan, en de gemachtigde van verweerder. Overwegingen 1. Eiseres is geboren op [geboortedatum] 1987 en heeft de Belarussische nationaliteit. Op 16 december 2021 heeft zij in Nederland een asielaanvraag ingediend.

2. Gebleken is dat Polen een visum aan eiseres heeft verleend voor de periode van 23 maart 2021 tot 7 mei 2022. Omdat het visum nog geldig was op het moment dat eiseres haar asielaanvraag indiende, heeft verweerder de Poolse autoriteiten verzocht eiseres over te nemen op grond van artikel 12, tweede lid, van de Dublinverordening. Zij hebben hiermee ingestemd op 8 april 2022. Polen is daarom verantwoordelijk voor de asielaanvraag van eiseres. Verweerder heeft de asielaanvraag van eiseres op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vw niet in behandeling genomen.

3. Eiseres voert aan dat overdracht aan Polen achterwege zou moeten blijven en dat verweerder op grond van artikel 17 van de Dublinverordening de aanvraag inhoudelijk zou moeten behandelen. Ten aanzien van Polen bestaan ernstige zorgen over grondrechten en waarborgen zoals deze uit het Unierecht voortvloeien, in het bijzonder de onafhankelijke rechtspraak. De Poolse autoriteiten hebben zich schuldig gemaakt aan illegale pushbacks, waarbij asielzoekers zonder toegang te hebben gehad tot de asielprocedure de grens met Belarus zijn over gezet. Dit zou gevolgen moeten hebben voor het interstatelijk vertrouwen jegens Polen. Subsidiair verzoekt eiseres de rechtbank haar zaak aan te houden in afwachting van de antwoorden van het HvJEU op de prejudiciële vragen die deze rechtbank, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, in de verwijzingsuitspraak van 15 juni 2022 heeft gesteld. De rechtbank oordeelt als volgt.

4. Niet in geschil is dat Polen in beginsel verantwoordelijk is voor de behandeling van eiseres’ verzoek om internationale bescherming. Het uitgangspunt is dat verweerder er op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel van uit mag gaan dat Polen zijn verdragsverplichtingen nakomt. Er kan alleen dan niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel worden uitgaan als bij overdracht een reëel risico bestaat op schending van artikel 4 van het Handvest.

5. Niet in geschil is dat er ten aanzien van Polen zorgen bestaan over de onafhankelijkheid van de rechtspraak en over illegale pushbacks, onder andere aan de grens met Belarus. Deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, heeft in een uitspraak van 2 juni 2022 echter geoordeeld dat ten aanzien van Polen in zijn algemeenheid nog steeds van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag worden uitgegaan. Dit is bevestigd in uitspraken van diezelfde zittingsplaats van 1 juli 2022, 21 juli 2022 en 4 augustus 2022. De rechtbank ziet geen aanleiding om in deze zaak hierover anders te oordelen.

De Poolse autoriteiten hebben het verzoek om overname van eiseres geaccepteerd, waarmee zij verantwoordelijk zijn geworden voor de behandeling van haar asielaanvraag met inachtneming van de internationale verdragen waarbij zij aangesloten zijn. Gesteld noch gebleken is dat de aanvraag van eiseres niet naar behoren zal worden behandeld. Eiseres heeft bovendien geen op haarzelf of op haar specifieke zaak betrekking hebbende feiten en omstandigheden naar voren gebracht waaruit geconcludeerd kan worden dat zij een reëel risico loopt op een onmenselijke of vernederende behandeling in de zin van artikel 4 van het Handvest.

Verweerder heeft dan ook geen aanleiding hoeven zien om de asielaanvraag van eiseres op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening aan zich te trekken.

6. De rechtbank ziet geen aanleiding de behandeling van de zaak van eiseres aan te houden in afwachting van de beantwoording door het HvJEU van de prejudiciële vragen van deze rechtbank, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch. De zaak waar de verwijzingsuitspraak betrekking op heeft, ziet op een vreemdeling die in Polen slachtoffer was geworden van pushbacks en pas bij zijn vierde inreis in de gelegenheid werd gesteld een verzoek om internationale bescherming in te dienen. Eiseres heeft echter nooit te maken gehad met pushbacks. Zij zal gereguleerd worden overgedragen aan Polen en gesteld noch gebleken is dat Polen derdelanders die in het kader van de Dublinverordening worden overgedragen door middel van pushbacks terugstuurt zonder hen in de gelegenheid te stellen een asielaanvraag in te dienen.

7. Het beroep is ongegrond.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. B.F.Th. de Roos, rechter, in aanwezigheid van mr. A.J.J. Sterks, griffier en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. De uitspraak is bekendgemaakt op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking. Verordening (EU) No. 604/2013. Vreemdelingenwet 2000. Het Hof van Justitie van de Europese Unie. ECLI:NL:RBDHA:2022:5724. Het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. ECLI:NL:RBDHA:2022:5327. ECLI:NL:RBDHA:2022:6488 en ECLI:NL:RBDHA:2022:3789. Deze uitspraak is nog niet gepubliceerd op www.rechtspraak.nl.