Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RBDHA:2022:8618 ECLI:NL:RBDHA:2022:8618 AI generated

ECLI:NL:RBDHA:2022:8618 · Rechtbank Den Haag

Case Number ECLI:NL:RBDHA:2022:8618
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

Rechtbank DEN HAAG Team belastingrecht zaaknummer: SGR 21/6185 proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 augustus 2022 in de zaak tussen [eiser] , wonende te [woonplaats] , eiser(gemachtigde: B.P.H. de Jeu), en de heffingsambtenaar van belastingsamenwerking Gouwe-Rijnland, verweerder. De bestreden uitspraak op bezwaar De uitspraak van verweerder van 23 augustus 2021 op het bezwaar van eiser tegen na te noemen beschikking en aanslag. Zitting Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 augustus 2022. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde.

Legislator headnote

AI generated

ECLI:NL:RBDHA:2022:8618 · Rechtbank Den Haag: De rechtbank overweegt dat voor de heffing van OZB een onroerende zaak wordt aangemerkt als woning indien die als hoofdzaak tot woning dient dan wel volledig dienstbaar is aan woondoeleinden (artikel 220a van de Gemeentewet). Bij het vaststellen van het percentage van de heffingsmaatstaf wordt onderscheiden naar onroerende zaken die in hoofzaak tot woning dienen en onroerende zaken die niet in hoofdzaak tot woning dienen (artikel 220f van de Gemeentewet). Uit de parlementaire geschiedenis blijkt dat een woning in aanbouw reeds kwalificeert als woning.

Keywords

AI generated
obligation to build construction costs zoning violation construction cost overruns building police regulations building permit conditions

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:HR:2022:49
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN BELASTINGKAMER Nummer 20/02285 Datum 21 januari 2022 ARREST in de zaak van [X] te [Z] (hierna: belanghebbende) op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 16 juni 2020, nr. 19/00654, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Gelderland (nr. 18/6380), betreffende de aan belanghebbende opgelegde aanslag in de onroerendezaakbelastingen van de gemeente Nijmegen voor het jaar 2018 betreffende de onroerende zaak [a-straat 1] te [Q].
ECLI:NL:HR:2005:AU0874
Aanslagen, bezwaar en geding voor het Hof Aan belanghebbende zijn voor het jaar 2002 wegens genot krachtens eigendom en wegens het gebruik van de onroerende zaak a-straat 1 te Z twee op één aanslagbiljet verenigde aanslagen in de onroerendezaakbelastingen van de gemeente Spijkenisse opgelegd naar een heffingsgrondslag van € 172.437, welke aanslagen, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van het hoofd van de afdeling belastingen en heffingen van de gemeente Spijkenisse (hierna: het hoofd) zijn gehandhaafd. Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof. Het Hof heeft het beroep gegrond verklaard, de uitspraak van het hoofd vernietigd en de aanslagen verminderd tot respectievelijk € 269,80 en € 215,84. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
ECLI:NL:HR:2014:2872
3 oktober 2014 nr. 13/00471 Arrest gewezen op het beroep in cassatie van [X] te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 24 april 2013, nr. BK-11/00862, betreffende een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen. Aan belanghebbende is voor het jaar 2007 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd. De Rechtbank te ’s-Gravenhage (nr. AWB 11/2562) heeft het tegen die uitspraak ingestelde beroep gegrond verklaard, de uitspraak van de Inspecteur vernietigd en de aanslag verminderd. De Inspecteur heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. Het Hof heeft de uitspraak van de Rechtbank vernietigd en de uitspraak van de Inspecteur bevestigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

Rechtbank DEN HAAG Team belastingrecht zaaknummer: SGR 21/6185 proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 augustus 2022 in de zaak tussen [eiser] , wonende te [woonplaats] , eiser(gemachtigde: B.P.H. de Jeu), en de heffingsambtenaar van belastingsamenwerking Gouwe-Rijnland, verweerder. De bestreden uitspraak op bezwaar De uitspraak van verweerder van 23 augustus 2021 op het bezwaar van eiser tegen na te noemen beschikking en aanslag. Zitting Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 augustus 2022. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde.

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. P.L.M. Eijgermans. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Overwegingen 1. Verweerder heeft bij beschikking van 30 juni 2021 (de beschikking) de waarde van de onroerende zaak, plaatselijk bekend als [adres] te [plaatsnaam] (het object), op de voet van artikel 22 van de Wet waardering onroerende zaken (de Wet WOZ) op waardepeildatum 1 januari 2019 (de waardepeildatum) voor het kalenderjaar 2020 vastgesteld op € 392.000. Met de beschikking is in één geschrift bekendgemaakt en verenigd de aan eiser opgelegde aanslag onroerende-zaakbelastingen (OZB) voor het jaar 2020 (de aanslag).

2. Eiser heeft tegen de beschikking bezwaar gemaakt. Gelet op artikel 30, tweede lid, van de Wet WOZ wordt dit bezwaar geacht mede te zijn gericht tegen de aanslag.

3. Bij uitspraak op bezwaar heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

4. Eiser is eigenaar van het object, dat op waardepeildatum 1 januari 2019 een bouwkavel betrof met een oppervlakte van ongeveer 560 m². Op het bouwkavel rust een woonbestemming.

5. In geschil is of de aanslag OZB terecht is vastgesteld naar het tarief voor niet-woningen. De waarde van het object is niet in geschil.

6. Eiser stelt dat ten onrechte het niet-woningtarief is gehanteerd. Ter onderbouwing van zijn standpunt wijst eiser op het arrest van de Hoge Raad van 21 januari 2022. Volgens eiser stelt de Hoge Raad in dit arrest dat om te bepalen of er is gestart met de feitelijke bouwwerkzaamheden moet worden aangesloten bij wat er in het spraakgebruik daaronder wordt verstaan. Voorts wijst eiser erop dat de bouw van woning volgens hem op 18 december 2019 is aangevangen met het uitzetten van de woning. Volgens eiser is er vanaf dat moment sprake van een woning in aanbouw en dient voor de OZB derhalve het woningtarief te worden toegepast.

7. Verweerder stelt zich op het standpunt dat het beroep ongegrond moet worden verklaard. Volgens verweerder leidt het uitzetten van de woning niet tot een woning in aanbouw. Op 15 januari 2020 is begonnen met het boren van de heipalen volgens verweerder is op dat moment aangevangen met de feitelijke bouwwerkzaamheden en is vanaf dat moment sprake van een woning in aanbouw.

8. De rechtbank overweegt dat voor de heffing van OZB een onroerende zaak wordt aangemerkt als woning indien die als hoofdzaak tot woning dient dan wel volledig dienstbaar is aan woondoeleinden (artikel 220a van de Gemeentewet). Bij het vaststellen van het percentage van de heffingsmaatstaf wordt onderscheiden naar onroerende zaken die in hoofzaak tot woning dienen en onroerende zaken die niet in hoofdzaak tot woning dienen (artikel 220f van de Gemeentewet). Uit de parlementaire geschiedenis blijkt dat een woning in aanbouw reeds kwalificeert als woning.

9. Uit de jurisprudentie volgt dat voor de vraag welk tarief van toepassing is in een geval zoals het onderhavige, een onroerende zaak is te beschouwen als een woning in aanbouw indien tot die onroerende zaak een onvoltooid bouwsel behoort en die onroerende zaak na de voltooiing ervan in de hoofdzaak zal dienen tot woning. Van een ‘woning in aanbouw’ is echter pas sprake vanaf het moment van aanvang van de (feitelijke) bouwkundige werkzaamheden die tot de stichting van die woning leiden. Onbebouwde grond ter zake waarvan enkel de intentie bestaat om daarop in de toekomst een woning te bouwen, of grond waarop een bouwwerk aanwezig is dat de belastingplichtige wil (laten) slopen om daarop vervolgens een woning te (laten) bouwen, kan niet worden aangemerkt als een woning in aanbouw. Gelet hierop is een object als woning in aanbouw aan te merken indien een aanvang is gemaakt met de (feitelijke) bouwkundige werkzaamheden.

10. Naar het oordeel van de rechtbank was in 2019 van bouwkundige werkzaamheden nog geen sprake. Het materiaal dat bij het uitzetten wordt geplaatst vormt geen onderdeel van de te bouwen woning waardoor met het uitzetten van de woning weliswaar sprake is van voorbereidend werk, maar nog niet daadwerkelijk is aangevangen met de feitelijke bouwkundige werkzaamheden. Dat de gemeente 18 december 2019 als startdatum van de bouwwerkzaamheden heeft geregistreerd in de gemeentelijke administratie doet aan dit oordeel niet af. Dit betreft immers een administratieve verwerking bij de gemeente die niets zegt over de feitelijke aanvang van de bouwwerkzaamheden en is bovendien gebaseerd op de informatie die eiser aan de gemeente heeft doorgegeven. Hieruit volgt dat het object niet kwalificeert als een woning in aanbouw en dus ook niet als een woning in de zin van de OZB.

11. Gelet op het voorgaande is de aanslag OZB naar het oordeel van de rechtbank terecht naar het tarief voor een niet-woning opgelegd. Het beroep is ongegrond.

12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Deze uitspraak is gedaan door mr. M.E. Kiers, rechter, in aanwezigheid van mr. P. Jasperse, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 22 augustus 2022. griffier rechter Afschrift verzonden aan partijen op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (team belastingrecht), Postbus 20302, 2500 EH Den Haag. Hoge Raad, 21 januari 2022, ECLI:NL:HR:2022:49 Memorie van toelichting, Kamerstukken II, 1996/97, 25 037, nr. 3, blz. 20 Hoge Raad, 12 augustus 2005, ECLI:NL:HR:2005:AU0874 Hoge Raad, 3 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:2872