Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RBDHA:2022:8583 ECLI:NL:RBDHA:2022:8583 AI generated

ECLI:NL:RBDHA:2022:8583 · Rechtbank Den Haag

Case Number ECLI:NL:RBDHA:2022:8583
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: NL20.21315 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , eiser, V-nummer [v-nummer] (gemachtigde: mr. K. Yousef), en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder. Procesverloop Op 12 december 2020 heeft eiser beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit door verweerder op zijn asielaanvraag van 22 november 2019. Verweerder heeft op 24 december 2020 een verweerschrift ingediend. Bij besluit van 8 januari 2021 heeft verweerder de aanvraag van eiser ingewilligd en aan hem een verblijfsvergunning asiel verleend. Op 2 maart 2021 heeft eiser gereageerd op het besluit van 8 januari 2021 en het beroep gehandhaafd. Op 2 maart 2021 heeft verweerder een dwangsombesluit genomen. Overwegingen 1. De rechtbank doet in deze zaak uitspraak zonder zitting, omdat een zitting niet nodig is. De rechtbank legt hierna uit waarom.

Legislator headnote

AI generated

artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht; ECLI:NL:RBDHA:2022:8583 · Rechtbank Den Haag: De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Bent u het niet eens met deze uitspraak? Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden. Op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Keywords

AI generated
prolongation of tutelage extension of lease building permit extension extension of therapeutic measures prorogation of jurisdiction extension of a collective agreement

Cited Legislation

AI generated
artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht
Op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:RVS:2022:1810
202102128/1/V1. Datum uitspraak: 6 juli 2022 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: [de vreemdeling], appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Middelburg, van 23 maart 2021 in zaak nr. NL20.18836 in het geding tussen: de vreemdeling en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Procesverloop De vreemdeling heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op de aanvraag om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen.
ECLI:NL:RVS:2019:3348
201805537/1/V1 en 201805537/3/V1.
ECLI:NL:RVS:2020:2949
202003986/1/V1. Datum uitspraak: 16 december 2020 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 22 juni 2020 in zaak nr. NL20.10208 in het geding tussen: [de vreemdeling] en de staatssecretaris. Procesverloop De vreemdeling heeft tegen het uitblijven van een besluit op zijn aanvraag om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen beroep ingesteld bij de rechtbank.
ECLI:NL:RVS:2020:3020
202005098/1/V1. Datum uitspraak: 16 december 2020 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: [de vreemdeling], appellante, tegen de mondelinge uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 14 september 2020 in zaak nr. NL20.13201 in het geding tussen: de vreemdeling en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Procesverloop De vreemdeling heeft tegen het uitblijven van een besluit op haar aanvraag om haar een verblijfsvergunning asiel te verlenen beroep ingesteld bij de rechtbank.
AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: NL20.21315 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , eiser, V-nummer [v-nummer] (gemachtigde: mr. K. Yousef), en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder. Procesverloop Op 12 december 2020 heeft eiser beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit door verweerder op zijn asielaanvraag van 22 november 2019. Verweerder heeft op 24 december 2020 een verweerschrift ingediend. Bij besluit van 8 januari 2021 heeft verweerder de aanvraag van eiser ingewilligd en aan hem een verblijfsvergunning asiel verleend. Op 2 maart 2021 heeft eiser gereageerd op het besluit van 8 januari 2021 en het beroep gehandhaafd. Op 2 maart 2021 heeft verweerder een dwangsombesluit genomen. Overwegingen 1. De rechtbank doet in deze zaak uitspraak zonder zitting, omdat een zitting niet nodig is. De rechtbank legt hierna uit waarom.

2. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op zijn aanvraag, kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag (de ingebrekestelling). Als er na die twee weken nog steeds geen besluit is genomen, dan kan de betrokkene beroep instellen.

3. In de Tijdelijke wet opschorting dwangsommen IND, zoals deze gold van 11 juli 2020 tot 10 juli 2021, werd de mogelijkheid tot het instellen van beroep bij de rechter tegen het niet tijdig beslissen op asielaanvragen uitgesloten. Op 6 juli 2022 heeft de hoogste bestuursrechter geoordeeld dat het uitsluiten van de mogelijkheid tot het instellen van beroep in deze zaken onverbindend is, omdat het in strijd is met het Unierechtelijk doeltreffendheidsbeginsel en met artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. Dit betekent dat de rechtbank bevoegd is van het beroep van eiser kennis te nemen.

4. Op 8 januari 2021 heeft verweerder alsnog een besluit op de aanvraag van eiser genomen en op 2 maart 2021 heeft verweerder een beslissing over de verschuldigdheid van een dwangsom genomen. Volgens vaste rechtspraak betekent dit dat eiser geen belang meer heeft bij de beoordeling van het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit. De rechtbank verklaart het beroep voor zover dat gericht is tegen het niet tijdig beslissen daarom kennelijk niet-ontvankelijk.

5. Tenzij geheel aan het beroep tegemoetgekomen wordt, heeft het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit mede betrekking op het alsnog genomen besluit. De rechtbank overweegt dat verweerder niet volledig aan het beroep van eiser tegemoet is gekomen. Eiser is het er namelijk niet mee eens dat verweerder aan hem geen bestuurlijke dwangsom heeft uitgekeerd. Het beroep richt zich daarom mede tegen de besluiten van 8 januari 2021 en 2 maart 2021.

6. De rechtbank stelt vast dat eiser op 22 november 2019 een asielaanvraag heeft ingediend. Dit betekent dat de zes maanden termijn voor verweerder om te beslissen op de aanvraag in beginsel op 22 mei 2020 zou zijn geëindigd. Eiser heeft op 24 november 2020 een ingebrekestelling aan verweerder gestuurd.

7. In de periode van 16 maart 2020 tot 16 mei 2020 was echter sprake van een situatie van overmacht, waarin verweerder niet in staat was een besluit te nemen. Overmacht heeft in die periode de termijn voor het nemen van een besluit zelfstandig opgeschort. In het geval van eiser is overmacht op 16 maart 2020 ingetreden, toen de termijn voor het nemen van een besluit nog niet was verstreken, en is op 16 mei 2020 geëindigd. Dat betekent dat overmacht de termijn voor het nemen van een besluit met twee maanden heeft opgeschort.

8. Bij besluit van 15 mei 2020 heeft verweerder de beslistermijn voor asielaanvragen met zes maanden verlengd, voor alle aanvragen waarbij die termijn op 20 mei 2020 nog niet was verstreken. Aangezien de termijn om een besluit te nemen op de aanvraag van eiser op 20 mei 2020 nog niet was verstreken, is deze met zes maanden verlengd. De beslistermijn eindigde op 22 januari 2021. Dit betekent dat verweerder op 8 januari 2021 tijdig op de aanvraag van eiser heeft beslist. Verweerder is aan eiser dan ook geen dwangsom voor het niet-tijdig beslissen op zijn aanvraag verschuldigd.

9. De rechtbank verklaart het beroep voor zover het gericht is tegen het niet-toekennen van een bestuurlijke dwangsom kennelijk ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep voor zover het gericht is tegen het niet tijdig nemen van een besluit niet-ontvankelijk; - verklaart het beroep voor zover het gericht is tegen de besluiten van 8 januari 2021 en 2 maart 2021 ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M. Meijers, rechter, in aanwezigheid van mr. J.C. de Grauw, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Bent u het niet eens met deze uitspraak? Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden. Op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Zie de artikelen 6:2, aanhef en onder b, van de Awb en 6:12, eerste en tweede lid, van de Awb. Uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) (ECLI:NL:RVS:2022:1810). Zie de uitspraak van de Afdeling van 4 oktober 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:3348). Artikel 6:20, derde lid, van de Awb. Uitspraak van de Afdeling van 16 december 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:2949). Ingevolge artikel 4:15, tweede lid, aanhef en onder c, van de Awb. Besluit met nummer WBV 2020/12, houdende wijziging van de Vreemdelingencirculaire 2000, (Stct. 2020, nr. 26964).

De Afdeling heeft deze verlenging van de beslistermijn rechtmatig gevonden (ECLI:NL:RVS:2020:3020).