Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RBDHA:2022:8558 ECLI:NL:RBDHA:2022:8558 AI generated

ECLI:NL:RBDHA:2022:8558 · Rechtbank Den Haag

Case Number ECLI:NL:RBDHA:2022:8558
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Middelburg Bestuursrecht zaaknummers: NL21.14048 en NL21.14050 uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen [Naam 1], verzoeker [Naam 2] , verzoekster, Gezamenlijk: verzoekers, V-nummers: [Nummer 1] en [Nummer 2] (gemachtigde: mr. M.C.M.E. Schijvenaars), en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. J. Visschers). Procesverloop Bij twee afzonderlijke besluiten van 30 maart 2021 (de primaire besluiten) heeft verweerder de aanvragen van verzoeker en verzoekster om een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met als verblijfsdoel ‘arbeid als zelfstandige’ respectievelijk ‘verblijf als familie- of gezinslid bij S.J.

Legislator headnote

AI generated

artikel 8:81 van de Awb; ECLI:NL:RBDHA:2022:8558 · Rechtbank Den Haag: Warburton’ afgewezen. Bij twee afzonderlijke besluiten van 4 augustus 2021 (de bestreden besluiten) heeft verweerder het bezwaar van verzoekers daartegen kennelijk ongegrond verklaard. Verzoekers hebben tegen de bestreden besluiten beroep ingesteld. Zij hebben de voorzieningenrechter verzocht om voorlopige voorzieningen te treffen. Overwegingen 1. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), voor zover hier van belang, kan de voorzieningenrechter van de rechtbank een voorlopige voorziening treffen indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld.

Keywords

AI generated
inactivity after procedural stay procedural nullity timeliness of recusal request procedural requirement gap in legal protection lack of prosecutorial standing

Cited Legislation

AI generated
artikel 8:81 van de Awb
Bij uitspraak van 27 november 2021, kenmerk NL21.14048 en NL21.14050 heeft de rechtbank uitspraak gedaan op het beroep, zodat niet langer wordt voldaan aan het in artikel 8:81 van de Awb neergelegde connexiteitsvereiste.
AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Middelburg Bestuursrecht zaaknummers: NL21.14048 en NL21.14050 uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen [Naam 1], verzoeker [Naam 2] , verzoekster, Gezamenlijk: verzoekers, V-nummers: [Nummer 1] en [Nummer 2] (gemachtigde: mr. M.C.M.E. Schijvenaars), en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. J. Visschers). Procesverloop Bij twee afzonderlijke besluiten van 30 maart 2021 (de primaire besluiten) heeft verweerder de aanvragen van verzoeker en verzoekster om een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met als verblijfsdoel ‘arbeid als zelfstandige’ respectievelijk ‘verblijf als familie- of gezinslid bij S.J.

Warburton’ afgewezen. Bij twee afzonderlijke besluiten van 4 augustus 2021 (de bestreden besluiten) heeft verweerder het bezwaar van verzoekers daartegen kennelijk ongegrond verklaard. Verzoekers hebben tegen de bestreden besluiten beroep ingesteld. Zij hebben de voorzieningenrechter verzocht om voorlopige voorzieningen te treffen. Overwegingen 1. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), voor zover hier van belang, kan de voorzieningenrechter van de rechtbank een voorlopige voorziening treffen indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld.

2. Op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Awb, voor zover hier van belang, kan de voorzieningenrechter uitspraak doen zonder het verzoek ter zitting te hebben behandeld, indien het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk, kennelijk ongegrond of kennelijk gegrond is.

3. De voorzieningenrechter acht in dit geval termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:83, derde lid, van de Awb en overweegt daartoe het volgende.

4. Bij uitspraak van 27 november 2021, kenmerk NL21.14048 en NL21.14050 heeft de rechtbank uitspraak gedaan op het beroep, zodat niet langer wordt voldaan aan het in artikel 8:81 van de Awb neergelegde connexiteitsvereiste. De verzoeken zijn om die reden kennelijk niet-ontvankelijk.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De voorzieningenrechter verklaart de verzoeken om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk. Deze uitspraak is gedaan door mr. E.F. Bethlehem, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr.S.D.C.J. Verheezen, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. De uitspraak is bekendgemaakt op: Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.