Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RBDHA:2022:833 ECLI:NL:RBDHA:2022:833 AI generated

ECLI:NL:RBDHA:2022:833 · Rechtbank Den Haag

Case Number ECLI:NL:RBDHA:2022:833
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: AWB 20/7422 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 31 januari 2022 in de zaak tussen [eiser] , uit Libanon, eiser V-nummer: [V-nummer] (gemachtigde: mr. A. Orhan), en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. R.S Hogendoorn - Matthijssen). Procesverloop Bij besluit van 12 juni 2020 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag tot afgifte van een verblijfsdocument EU/EER afgewezen. Bij besluit van 1 oktober 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

Legislator headnote

AI generated

ECLI:NL:RBDHA:2022:833 · Rechtbank Den Haag: Zorgvuldigheid 7. De rechtbank volgt eiser niet in zijn betoog dat het bestreden besluit onzorgvuldig tot stand is gekomen. Los van het feit dat verweerder met het bestreden besluit een volledige heroverweging heeft gemaakt, heeft eiser niet onderbouwd waarom een kort tijdbestek tussen het gehoor en het primaire besluit zou hebben geleid tot een onzorgvuldig tot stand gekomen besluit. Hoorplicht 8. Ten aanzien van de gestelde schending van de hoorplicht overweegt de rechtbank dat van het horen in bezwaar slechts met toepassing van artikel 7:3, aanhef, en onder b, van de Awb mag worden afgezien, indien op voorhand redelijkerwijs geen twijfel mogelijk is dat de bezwaren niet kunnen leiden tot een andersluidend besluit.

Keywords

AI generated
implausible testimony credible explanation credibility requirements false declaration credibility of asylum claims hearing or examination

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:RVS:2019:1279
201709700/1/V3. Datum uitspraak: 18 april 2019 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van: [de vreemdeling], appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam, van 10 november 2017 in zaak nr. 17/1332 in het geding tussen: de vreemdeling en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Procesverloop Bij besluit van 14 september 2016 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om afgifte van een document als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000), waaruit rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan blijkt, afgewezen.
ECLI:NL:RBDHA:2016:10519
RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Roermond Bestuursrecht zaaknummer: AWB 16 / 16528 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 augustus 2016 in de zaak tussen [eiser] , eiser (gemachtigde: mr.
ECLI:NL:RVS:2020:1604
voordat het ontwerpbestemmingsplan "Oranjestraat 100 - 3 woningen" door kan naar de gemeenteraad, met de initiatiefnemer in overleg wordt gegaan op welke wijze aan de zienswijze van de provincie Noord-Brabant kan worden voldaan; […] 4. nu bij de uitwerking blijkt dat het bestemmingsplan "Oranjestraat 100 - 6 woningen" niet haalbaar is, concluderen dat de eerder genomen positieve besluiten omtrent deze zes woningen niet uitvoerbaar zijn, de initiatiefnemer te kennen geven dat geen verdere medewerking wordt verleend aan het realiseren van woningen op het achterterrein van Oranjestraat 100.
ECLI:NL:RVS:2017:2434
de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, 2.
AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: AWB 20/7422 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 31 januari 2022 in de zaak tussen [eiser] , uit Libanon, eiser V-nummer: [V-nummer] (gemachtigde: mr. A. Orhan), en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. R.S Hogendoorn - Matthijssen). Procesverloop Bij besluit van 12 juni 2020 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag tot afgifte van een verblijfsdocument EU/EER afgewezen. Bij besluit van 1 oktober 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. De rechtbank heeft het beroep op 11 januari 2022 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door referente en zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Ook zijn de partner en een vriend van eiser (die als tolk heeft opgetreden) verschenen. Overwegingen Waar gaat deze zaak over? 1. Eiser heeft de Libanese nationaliteit. Hij beoogt verblijf bij zijn gestelde partner (referente). Referente heeft de Duitse nationaliteit.

2. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen, omdat geen sprake zou zijn van een duurzame relatie, maar van een schijnrelatie. Volgens verweerder zijn eiser en referente een relatie aangegaan met als enig doel om het recht van vrij verkeer en verblijf, neergelegd in de Verblijfsrichtlijn, te kunnen genieten. Daartoe is redengevend dat eiser en referente tijdens de hoorzitting uiteenlopende, vage, tegenstrijdige en ronduit onware verklaringen hebben afgelegd over essentiële onderdelen van hun gestelde relatie.. Wat vindt eiser in beroep? 3. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit.

Er is wel degelijk sprake van een duurzame relatie. De door eiser en referente afgelegde verklaringen tijdens de hoorzitting zijn niet tegenstrijdig maar bevatten slechts kleine nuanceverschillen. Bovendien kan verweerder redelijkerwijs niet van hem en referente verwachten dat zij exact dezelfde verklaringen afleggen. Verder moeten, gezien het tijdsverloop en de stukken die in beroep zijn overlegd, eiser en referente opnieuw gehoord worden. Daartoe is van belang dat in het tijdsbestek tussen de hoorzitting en het heden altijd nog een oprechte relatie kan ontstaan, hetgeen door verweerder moet worden onderzocht.

Eiser verwijst hierbij naar een uitspraak van de hoogste bestuursrechter en drie uitspraken van de rechtbank. Eiser voert verder aan dat er sprake is van een onzorgvuldig tot stand gekomen besluit, omdat het primaire besluit heel snel na het gehoor is genomen. Tot slot heeft verweerder ten onrechte afgezien van het horen in bezwaar. Wat is het oordeel van de rechtbank? Herhaling gronden van bezwaar 4. Eiser heeft verzocht zijn bezwaargronden als herhaald en ingelast te beschouwen. Uit het in algemene zin herhalen en inlassen van bezwaargronden kan de rechtbank niet afleiden waarom eiser van mening is dat het bestreden besluit onjuist is.

Daarom ziet de rechtbank hierin geen aanleiding dat besluit te vernietigen. Schijnrelatie 5.1. In geschil is of verweerder heeft kunnen concluderen dat tussen eiser en referente sprake is van een schijnrelatie. 5.2. Uit vaste rechtspraak van de hoogste bestuursrechtervolgt dat van een vreemdeling en de gestelde partner mag worden verwacht dat zij over belangrijke/essentiële gebeurtenissen in hun leven, ook al hebben die zich al langere tijd geleden afgespeeld, eenduidige verklaringen afleggen. Daarvan is in het onderhavige geval niet gebleken. De rechtbank stelt met verweerder vast dat eiser en verweerder op essentiële punten verschillend en tegenstrijdig hebben verklaard, onder andere over de personalia van de kinderen van referente, de ziekenhuisbezoeken, de littekens op het lichaam van eiser, of eiser kinderen heeft en hoe vaak zij getrouwd dan wel gescheiden zijn.

De enkele stelling van eiser dat het hier slechts gaat om kleine nuances, is niet onderbouwd en kan gelet op voorgaande niet slagen. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerder heeft mogen concluderen dat sprake is van een schijnrelatie. Overgelegde stukken in beroep en aangehaalde uitspraken 6.1. Eiser heeft in beroep aanvullende stukken overgelegd. Deze stukken zijn van na het bestreden besluit en konden door verweerder dus niet meegewogen worden in het bestreden besluit. Gelet hierop laat de rechtbank deze stukken buiten beschouwing. Bovendien zeggen ze niets over de aannemelijkheid van de relatie ten tijde van de aanvraag of het primaire besluit.

Overigens is ter zitting gebleken dat eiser, met deze nieuwe stukken, inmiddels een nieuwe verblijfsaanvraag heeft ingediend. 6.2. Het beroep van eiser op de aangehaalde uitspraken kan niet slagen, nu in die zaken de schijnrelatie al in rechte was komen vast te staan, waardoor verweerder bij de opvolgende aanvraag gehouden was om te onderzoeken of sprake was van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden. In deze procedure gaat het niet om een herhaalde aanvraag, zodat verweerder niet gehouden was om lopende deze procedure nogmaals onderzoek te verrichten.

Zorgvuldigheid 7. De rechtbank volgt eiser niet in zijn betoog dat het bestreden besluit onzorgvuldig tot stand is gekomen. Los van het feit dat verweerder met het bestreden besluit een volledige heroverweging heeft gemaakt, heeft eiser niet onderbouwd waarom een kort tijdbestek tussen het gehoor en het primaire besluit zou hebben geleid tot een onzorgvuldig tot stand gekomen besluit. Hoorplicht 8. Ten aanzien van de gestelde schending van de hoorplicht overweegt de rechtbank dat van het horen in bezwaar slechts met toepassing van artikel 7:3, aanhef, en onder b, van de Awb mag worden afgezien, indien op voorhand redelijkerwijs geen twijfel mogelijk is dat de bezwaren niet kunnen leiden tot een andersluidend besluit.

Gelet op het gehoor, de motivering van het primaire besluit en de gronden in het bezwaarschrift is in dit geval aan deze maatstaf voldaan, zodat verweerder van het horen heeft mogen afzien. Wat is de conclusie? 9. Het beroep is ongegrond.

10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M. Meijers, rechter, in aanwezigheid van mr. C.M. van den Berg, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 31 januari 2022. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Bent u het niet eens met deze uitspraak? Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent.

Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Zoals bedoeld in artikel 9 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Zie artikel 8.7, vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb). Richtlijn 2004/38/EG. Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 18 april 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1279. Zie de uitspraken van rechtbank Den Haag van 30 augustus 2016, ECLI:NL:RBDHA:2016:10519, 14 augustus 2017, ECLI:NL:RBDHA:9297 en 23 maart 2018, ECLI:NLRBDHA:2018:3384.

Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 8 juli 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1604. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 6 september 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2434.