Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RBDHA:2022:8166 ECLI:NL:RBDHA:2022:8166 AI generated

ECLI:NL:RBDHA:2022:8166 · Rechtbank Den Haag

Case Number ECLI:NL:RBDHA:2022:8166
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Middelburg Bestuursrecht zaaknummer: NL22.7250 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [naam], eiser v-nummer: [nummer] (gemachtigde: mr. M.S. Yap), en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. J. Visschers). Procesverloop In het besluit van 12 januari 2022 (primaire besluit) heeft verweerder eisers aanvraag tot vaststellen van rechtmatig verblijf op grond van het EU-recht afgewezen. In het besluit van 28 maart 2022 (bestreden besluit) heeft verweerder het primaire besluit gehandhaafd.

Legislator headnote

AI generated

artikel 8 EVRM; ECLI:NL:RBDHA:2022:8166 · Rechtbank Den Haag: De rechtbank stelt vast dat eiser eerst in beroep heeft verwezen naar artikel 8 EVRM. Gelet op de ex-tunc toetsing in beroep, hoeft verweerder de stukken die eiser ter onderbouwing van zijn gestelde gezinsleven heeft overgelegd dan ook niet alsnog te beoordelen. Daarnaast heeft verweerder terecht opgemerkt dat eiser bij zijn aanvraag noch in bezwaar een impliciet of expliciet beroep heeft gedaan op artikel 8 EVRM. Daarom heeft verweerder in het primaire besluit en bestreden besluit terecht niet getoetst aan artikel 8 EVRM. Dit is volgens de rechtbank in lijn met de uitspraak van de Afdeling van 20 januari 2022. Conclusie 11. Het beroep is ongegrond.

Keywords

AI generated
leave on personal grounds expatriation and foreign residence allowances expired residence permit Albanian asylum request foreign pension revocation of refugee status

Cited Legislation

AI generated
artikel 8 EVRM
Verder stelt eiser dat verweerder ten onrechte niet getoetst heeft aan artikel 8 EVRM.

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:RVS:2019:2504
201806272/1/V3.Datum uitspraak: 25 juli 2019 AFDELINGBESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [de vreemdelingen], appellanten, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam, van 12 juli 2018 in zaak nr. 17/16746 in het geding tussen: de vreemdelingen en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Procesverloop Bij besluit van 7 juni 2017 heeft de staatssecretaris vastgesteld dat de vreemdelingen geen rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan in Nederland hebben gehad. Bij besluit van 22 december 2017 heeft de staatssecretaris het daartegen door de vreemdelingen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
ECLI:NL:RBDHA:2018:13567
Uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Middelburg, van 14 november 2018, ECLI:NL:RBDHA:2018:13567.
ECLI:NL:RVS:2022:187
202100279/1/V1. Datum uitspraak: 20 januari 2022 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: [de vreemdeling], appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, van 18 december 2020 in zaak nr. 19/9934 in het geding tussen: de vreemdeling en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Procesverloop Bij besluit van 10 juli 2019 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om afgifte van een document als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Vw 2000, waaruit rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan blijkt, afgewezen.
AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Middelburg Bestuursrecht zaaknummer: NL22.7250 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [naam], eiser v-nummer: [nummer] (gemachtigde: mr. M.S. Yap), en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. J. Visschers). Procesverloop In het besluit van 12 januari 2022 (primaire besluit) heeft verweerder eisers aanvraag tot vaststellen van rechtmatig verblijf op grond van het EU-recht afgewezen. In het besluit van 28 maart 2022 (bestreden besluit) heeft verweerder het primaire besluit gehandhaafd.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. De rechtbank heeft het beroep op 4 augustus 2022 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Overwegingen Inleiding 1. Eiser stelt de Bulgaarse nationaliteit te hebben en te zijn geboren op [geboortedatum]. Eiser heeft op 1 februari 2021 een aanvraag tot vaststellen van rechtmatig verblijf op grond van het EU-recht ingediend. Standpunt verweerder 2.

Verweerder heeft de aanvraag afgewezen, omdat eiser niet heeft aangetoond dat hij over voldoende middelen van bestaan beschikt. Eiser ontvangt naast zijn AOW-uitkering een AIO-aanvulling. Hiermee doet eiser een beroep op de algemene middelen. Standpunt eiser 3. Eiser stelt dat hij met zijn beroep op AOW-uitkering en een AIO-aanvulling geen onredelijke beroep doet op de algemene middelen. Eiser heeft inmiddels de pensioengerechtigde leeftijd en kan op dit moment ook niet werken. Verder stelt eiser dat verweerder ten onrechte niet getoetst heeft aan artikel 8 EVRM.

Oordeel van de rechtbank Voldoende middelen van bestaan 4. Verweerder stelt zich terecht op het standpunt dat niet is gebleken dat eiser over voldoende middelen van bestaan beschikt om te kunnen worden aangemerkt als economisch niet-actieve EU-onderdaan. De rechtbank legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel is gekomen.

5. Een gemeenschapsonderdaan heeft langer dan drie maanden na inreis rechtmatig verblijf in Nederland als hij voor zichzelf en zijn familieleden beschikt over voldoende middelen van bestaan. De bewijslast om aan te tonen dat aan deze voorwaarde wordt voldaan ligt bij eiser.

6. Niet in geschil is dat eiser een klein deel AOW-uitkering ontvangt (€ 139,95) en voor het overgrote deel een AIO-aanvulling (€ 1019,53). AIO is een aanvulling vanuit de Participatiewet voor mensen die geen volledige AOW-uitkering ontvangen. De AIO vult het inkomen aan tot het sociaal minimum. Dit zijn dus algemene middelen en geen middelen van bestaan op grond waarvan eiser als economisch niet-actieve EU-onderdaan kan worden aangemerkt. Onredelijk beroep op algemene middelen 7. Vervolgens heeft verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat niet is gebleken dat eiser met zijn beroep op de AIO-aanvulling geen onredelijk beroep doet op de algemene middelen. De rechtbank legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel is gekomen.

8. Verweerder heeft alle door eiser aangevoerde persoonlijke omstandigheden betrokken in zijn belangenafweging. Daarbij is van belang dat de rechtbank in een vorige procedure over de beëindiging van het verblijfsrecht al heeft geoordeeld dat niet is gebleken dat het beroep op algemene middelen van tijdelijke duur was. Verder heeft eiser slechts een zeer korte periode rechtmatig verblijf gehad. Eiser heeft niet substantieel bijgedragen aan premies op grond van de Nederlandse sociale verzekeringswetgeving. Tot slot wordt terugkeer naar Bulgarije niet onevenredig bezwarend bevonden. Eiser heeft immers de Bulgaarse nationaliteit, spreekt de Bulgaarse taal en heeft een lange periode in Bulgarije gewoond en gewerkt. Artikel 8 EVRM 9. De rechtbank is van oordeel dat verweerder terecht niet heeft getoetst aan artikel 8 EVRM. De rechtbank legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel is gekomen.

10. De rechtbank stelt vast dat eiser eerst in beroep heeft verwezen naar artikel 8 EVRM. Gelet op de ex-tunc toetsing in beroep, hoeft verweerder de stukken die eiser ter onderbouwing van zijn gestelde gezinsleven heeft overgelegd dan ook niet alsnog te beoordelen. Daarnaast heeft verweerder terecht opgemerkt dat eiser bij zijn aanvraag noch in bezwaar een impliciet of expliciet beroep heeft gedaan op artikel 8 EVRM. Daarom heeft verweerder in het primaire besluit en bestreden besluit terecht niet getoetst aan artikel 8 EVRM. Dit is volgens de rechtbank in lijn met de uitspraak van de Afdeling van 20 januari 2022. Conclusie 11. Het beroep is ongegrond.

12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. A.C.J. van Dooijeweert, rechter, in aanwezigheid van mr. M. van Andel, griffier en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Bent u het niet eens met deze uitspraak? Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent.

Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Algemene Ouderdomswet. Aanvullende inkomensvoorziening ouderen. Verdrag inzake de Rechten van de Mens en fundamentele vrijheden. Artikel 8.12, lid 1, aanhef en onder b, Vreemdelingenbesluit 2000. Uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 25 juli 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2504. Artikel 34, lid 1, onder a, Participatiewet. Uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Middelburg, van 14 november 2018, ECLI:NL:RBDHA:2018:13567.

ECLI:NL:RVS:2022:187.