Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RBDHA:2022:7972 ECLI:NL:RBDHA:2022:7972 AI generated

ECLI:NL:RBDHA:2022:7972 · Rechtbank Den Haag

Case Number ECLI:NL:RBDHA:2022:7972
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: NL21.20434 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [Naam], eiser V-nummer: [Nummer] (gemachtigde: mr. F. Boone), en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. C. van der Zijde). Procesverloop Bij besluit van 3 september 2021 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser afgewezen als kennelijk ongegrond. Het daartegen ingestelde beroep (zaaknummer 21.14418) heeft deze rechtbank en zittingsplaats bij uitspraak van 23 november 2021 ongegrond verklaard.

Legislator headnote

AI generated

artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht; ECLI:NL:RBDHA:2022:7972 · Rechtbank Den Haag: Bij bericht van 23 juni 2022 heeft verweerder de rechtbank laten weten dat eiser op 14 januari 2022 via de Internationale Organisatie voor Migratie (IOM) is vertrokken naar Armenië.

Keywords

AI generated
departure from a country unreasonableness of return to Afghanistan deportation in asylum proceedings Iraqi asylum application return migration recognition of refugee status

Cited Legislation

AI generated
artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht
De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht uitspraak zonder zitting.

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:RBDHA:2021:13101
RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Middelburg Bestuursrecht zaaknummer: NL21.14418 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [Naam], eiser V-nummer: [Nummer] (gemachtigde: mr.
ECLI:NL:RVS:2022:1589
202107415/1/V2. Datum uitspraak: 7 juni 2022 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: [de vreemdeling], appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Middelburg, van 23 november 2021 in zaak nr. NL21.14418 in het geding tussen: de vreemdeling en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Procesverloop Bij besluit van 3 september 2021 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
ECLI:NL:RVS:2018:4014
201801474/1/V2. Datum uitspraak: 6 december 2018 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van: [de vreemdeling], appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 12 februari 2018 in zaak nr. NL18.974 in het geding tussen: de vreemdeling en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Procesverloop Bij besluit van 9 januari 2018 heeft de staatssecretaris, voor zover thans van belang, een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen en een inreisverbod tegen hem uitgevaardigd.
ECLI:NL:RVS:2022:797
202001985/1/V2. Datum uitspraak: 18 maart 2022 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: [de vreemdeling], appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 27 februari 2020 in zaak nr. 19/4567 in het geding tussen: de vreemdeling en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Procesverloop Bij besluit van 10 april 2018 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: NL21.20434 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [Naam], eiser V-nummer: [Nummer] (gemachtigde: mr. F. Boone), en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. C. van der Zijde). Procesverloop Bij besluit van 3 september 2021 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser afgewezen als kennelijk ongegrond. Het daartegen ingestelde beroep (zaaknummer 21.14418) heeft deze rechtbank en zittingsplaats bij uitspraak van 23 november 2021 ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 7 juni 2022 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) het door eiser ingestelde hoger beroep gegrond verklaard, de uitspraak van 23 november 2021 vernietigd en de zaak terugverwezen naar de rechtbank. Op 14 juni 2022 heeft de rechtbank partijen bericht dat de behandeling van de terugverwezen zaak wordt voortgezet onder zaaknummer NL21.20434. De rechtbank heeft verweerder in de gelegenheid gesteld te reageren op de uitspraak van de Afdeling van 7 juni 2022. Verweerder heeft op 23 juni 2022 van deze gelegenheid gebruik gemaakt.

De rechtbank heeft eiser in de gelegenheid gesteld te reageren op de brief van verweerder van 23 juni 2022, hetgeen hij heeft gedaan bij brief van 30 juni 2022 Verweerder heeft op 11 juli 2022 een verweerschrift ingediend. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht uitspraak zonder zitting. Overwegingen 1. Eiser stelt dat hij is geboren op [Geboortedatum] en dat hij de Armeense nationaliteit bezit.

2. Bij bericht van 23 juni 2022 heeft verweerder de rechtbank laten weten dat eiser op 14 januari 2022 via de Internationale Organisatie voor Migratie (IOM) is vertrokken naar Armenië.

3. Eiser voert allereerst aan dat uit de door hem ondertekende vertrekverklaring niet blijkt dat, in een voor hem begrijpelijke taal, is uitgelegd wat in de vertrekverklaring staat en waarvoor hij tekent. Aangezien hij geen Nederlands of Engels spreekt, heeft hij de verklaring zonder uitleg in het Armeens niet begrepen.

4. Uit de overgelegde vertrekverklaring blijkt dat eiser met behulp van de IOM vrijwillig is vertrokken naar zijn land van herkomst, Armenië. Uit de verklaring blijkt verder dat hij met de ondertekening daarvan heeft ingestemd dat de openstaande verblijfsrechtelijke procedures worden beëindigd. Eiser heeft niet onderbouwd of aannemelijk gemaakt dat hij de vertrekverklaring onvrijwillig of zonder kennis van de inhoud heeft ondertekend. Hieruit leidt de rechtbank af dat eiser niet langer aanspraak wenst te maken op een verblijfsvergunning asiel.

5. De rechtbank volgt eiser ook niet in de stelling dat de IOM eiser niet in de gelegenheid heeft gesteld zijn gemachtigde op de hoogte te stellen van de vertrekverklaring, nu deze stelling in het geheel niet is onderbouwd.

6. Verweerder heeft zich tot slot onder verwijzing naar vaste Afdelingsjurisprudentie terecht op het standpunt gesteld dat vreemdelingen door ondertekening van een vertrekverklaring lopende verblijfsprocedures bij de IND kunnen intrekken. De stelling van eiser dat de ondertekende verklaring geen gevolg heeft voor de asielprocedure, omdat het een overeenkomst tussen de IOM en eiser betreft, slaagt daarom niet.

7. De rechtbank overweegt dat eiser geen procesbelang meer heeft bij het beroep. Het beroep is daarom kennelijk niet-ontvankelijk.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk. Deze uitspraak is gedaan door mr. K.M. de Jager, rechter, in aanwezigheid van mr. N.H. de Zeeuw, griffier en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. De uitspraak is bekendgemaakt op: Bent u het niet eens met deze uitspraak? Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden. ECLI:NL:RBDHA:2021:13101. ECLI:NL:RVS:2022:1589. Zie de uitspraken van de Afdeling van 6 december 2018, ECLI:NL:RVS:2018:4014 en 18 maart 2022, ECLI:NL:RVS:2022:797.