Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RBDHA:2022:7901 ECLI:NL:RBDHA:2022:7901 AI generated

ECLI:NL:RBDHA:2022:7901 · Rechtbank Den Haag

Case Number ECLI:NL:RBDHA:2022:7901
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Middelburg Bestuursrecht zaaknummer: NL22.11776 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [naam], eiseres V-nummer: [V-nummer] (gemachtigde: mr. W.P.R. Peeters), en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. J. Visschers). Procesverloop Bij besluit van 15 juni 2022 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiseres niet-ontvankelijk verklaard. Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. De rechtbank heeft het beroep, samen met de zaak NL22.11777, op 14 juli 2022 op zitting behandeld. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Als tolk is verschenen F. Farjadnia. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Overwegingen 1. Eiseres is geboren op [geboortedatum] 1998 en heeft de Afghaanse nationaliteit. Ze heeft op 24 mei 2022 in Nederland een asielaanvraag ingediend.

Legislator headnote

AI generated

artikel 3 van het EVRM; ECLI:NL:RBDHA:2022:7901 · Rechtbank Den Haag: Uit de eigen verklaringen van eiseres blijkt niet dat zij problemen heeft ervaren. Daaruit blijkt dat zij in Polen huisvesting had, een financiële toelage kreeg, toegang tot medische zorg had en een werkvergunning heeft gekregen. Eiseres heeft gelet op de door haar beschreven leefomstandigheden en door het overleggen van berichten over de algemene situatie van lhbti’s in Polen niet aannemelijk gemaakt dat voldaan is aan de bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid, zoals genoemd in het arrest Ibrahim. Ook de omstandigheid dat eiseres in Polen niet kan trouwen met een vrouw en kinderen kan krijgen met een vrouw leidt niet tot een situatie waarbij gesproken kan worden van schending op grond van artikel 3 van het EVRM.

Keywords

AI generated
LGBTQ rights international protection asylum for afghan nationals unreasonableness of return to Afghanistan refugee status safe country

Cited Legislation

AI generated
artikel 3 van het EVRM
Alhoewel verweerder erkent dat de omstandigheden in Polen voor lhbti’ers moeilijk zijn, is geen sprake van een situatie als bedoeld in artikel 3 van het EVRM.

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:RBDHA:2022:6488
RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Arnhem Bestuursrecht zaaknummer: NL21.13546 uitspraak van de meervoudige kamer van 1 juli 2022 in de zaak tussen [eiser] , v-nummer [nummer] , eiser (gemachtigde: mr.
ECLI:NL:RBDHA:2021:11115
RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Amsterdam Bestuursrecht zaaknummer: NL21.8894 (beroep) en NL21.8895 (voorlopige voorziening) [V-Nummer] uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen [eiser] , eiser/verzoeker, hierna: eiser (gemachtigde: mr. I.M. Zuidhoek), en de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. J.W. van Deel). Procesverloop Bij besluit van 9 juni 2021 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op de grond dat Polen verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
ECLI:NL:RBDHA:2022:4848
RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Zwolle Bestuursrecht zaaknummer: NL22.4267 uitspraak van de meervoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , eiser V-nummer: [nummer] (gemachtigde: mr.
ECLI:NL:RBDHA:2022:5724
RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats 's-Hertogenbosch Bestuursrecht zaaknummer: NL22.6989 VERWIJZINGSUITSPRAAK uitspraak van de meervoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , geboren op [geboortedag] 1992 in Saudi-Arabië, van Syrische nationaliteit, eiser, (gemachtigde: mr. A. Khalaf), en de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. A. Hadfy-Kovacs). Verzoek aan het Hof van Justitie van de Europese Unie tot het beantwoorden van prejudiciële vragen in een versnelde procedure (PPA) I Dient de Dublinverordening, gelet op punten 3, 32 en 39 van de considerans en gelezen in samenhang met artikelen 1, 4, 18, 19 en 47 van het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie, aldus te worden uitgelegd en toegepast dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel niet deelbaar is, zodat ernstige en stelselmatige schendingen van het Unierecht die door de mogelijk verantwoordelijke lidstaat worden begaan vóór overdracht ten aanzien van derdelanders die (nog) geen Dublinterugkeerder zijn absoluut in de weg staan aan overdracht aan deze lidstaat? II Dient artikel 3, tweede lid, van de Dublinverordening, indien de vorige vraag ontkennend wordt beantwoord, gelezen in samenhang met artikelen 1, 4, 18, 19 en 47 van het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie, aldus te worden uitgelegd dat indien de mogelijk verantwoordelijke lidstaat op ernstige en stelselmatige wijze het Unierecht schendt, de overdragende lidstaat in het kader van de Dublinverordening niet voetstoots van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan uitgaan, maar elke twijfel moet wegnemen dan wel aannemelijk moet maken dat de verzoeker na overdracht niet in een situatie zal geraken die in strijd is met artikel 4 van het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie? III Met welke bewijsmiddelen kan de verzoeker zijn argumenten dat artikel 3, tweede lid, van de Dublinverordening, aan zijn overdracht in de weg staat staven en welke bewijsmaatstaf dient hierbij te worden gehanteerd? Heeft de overdragende lidstaat, gelet op de verwijzingen naar het Unieacquis in de considerans van de Dublinverordening, een samenwerkingsplicht en/of vergewisplicht, dan wel dienen er, indien sprake is van ernstige en stelselmatige schendingen van grondrechten ten aanzien van derdelanders, individuele garanties te worden verkregen van de verantwoordelijke lidstaat dat na overdracht de grondrechten van de verzoeker (wel) worden geëerbiedigd? Luidt de beantwoording van deze vraag anders als de verzoeker in bewijsnood verkeert indien hij zijn consistente en gedetailleerde verklaringen niet met documenten kan staven, terwijl dit gelet op de aard van de verklaringen niet kan worden verwacht? IV Luidt de beantwoording van de voorgaande vragen onder III anders indien de verzoeker aannemelijk maakt dat klagen bij de autoriteiten en/of het aanwenden van rechtsmiddelen in de verantwoordelijke lidstaat niet mogelijk en/of niet effectief zal zijn? Verzoek aan het Hof van Justitie tot het behandelen en beantwoorden van de prejudiciële vragen in een versnelde procedure op grond van artikel 105 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof van Justitie ( PPA ) .
ECLI:NL:RVS:2019:282
201806203/1/V3. Datum uitspraak: 30 januari 2019 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van: de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, appellant, tegen de mondelinge uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Middelburg, van 19 juli 2018 in zaak nr. NL18.12845 in het geding tussen: [de vreemdeling] en de staatssecretaris. Procesverloop Bij besluit van 9 juli 2018 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet-ontvankelijk verklaard.
AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Middelburg Bestuursrecht zaaknummer: NL22.11776 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [naam], eiseres V-nummer: [V-nummer] (gemachtigde: mr. W.P.R. Peeters), en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. J. Visschers). Procesverloop Bij besluit van 15 juni 2022 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiseres niet-ontvankelijk verklaard. Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. De rechtbank heeft het beroep, samen met de zaak NL22.11777, op 14 juli 2022 op zitting behandeld. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Als tolk is verschenen F. Farjadnia. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Overwegingen 1. Eiseres is geboren op [geboortedatum] 1998 en heeft de Afghaanse nationaliteit. Ze heeft op 24 mei 2022 in Nederland een asielaanvraag ingediend.

2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de asielaanvraag van eiseres niet-ontvankelijk verklaard, omdat de Poolse autoriteiten haar met ingang van 24 januari 2022 tot 14 maart 2025 internationale bescherming hebben verleend. Tevens is eiseres opgedragen om zich onmiddellijk naar het grondgebied van Polen te begeven. Verweerder stelt zich op het standpunt dat ten aanzien van Polen van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan en dat Polen zijn internationale verplichtingen nakomt.Verweerder is van mening dat uit de verklaringen van eiseres, die tot de lhbti-gemeenschap behoort, niet blijkt dat zij in een situatie heeft verkeerd die zodanig slecht was dat sprake was van schending van artikel 3 van het EVRM en dat zij als gevolg van haar seksuele gerichtheid persoonlijk problemen heeft ondervonden in Polen.

Alhoewel verweerder erkent dat de omstandigheden in Polen voor lhbti’ers moeilijk zijn, is geen sprake van een situatie als bedoeld in artikel 3 van het EVRM. Verweerder erkent dat de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht onder druk staat, maar er is onvoldoende reden om aan te nemen dat eiseres als lhbti’er geen toegang zal hebben tot onafhankelijke rechtspraak. Verder blijkt uit de verklaringen van eiseres dat zij in Polen huisvesting had, financiële bijstand kreeg, toegang tot medische zorg had en een werkvergunning heeft gekregen.

Er zijn volgens verweerder geen aanwijzingen dat de Poolse autoriteiten eiseres niet zouden willen of kunnen helpen in geval van problemen. Ter zitting heeft verweerder zich beroepen op de uitspraak van de meervoudige kamer van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem van 1 juli 2022 en aangegeven het daarin gegeven oordeel te onderschrijven.

3. Eiseres stelt dat verweerder de aanvraag ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard, omdat zij geen daadwerkelijke bescherming geniet in Polen. Eiseres heeft internationale bescherming in Nederland gevraagd omdat zij lesbisch is. In Polen kan zij niet voor haar seksuele gerichtheid uitkomen omdat die in Polen niet geaccepteerd wordt. Zij ondervindt persoonlijk problemen omdat zij in Polen niet kan trouwen noch kinderen kan krijgen met een vrouw. Eiseres is van mening dat de lhbti-gemeenschap in Polen gediscrimineerd wordt. Omdat Polen de grondrechten van lhbti’s niet respecteert, kan ten aanzien van Polen niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel worden uitgegaan.

Eiseres vreest bij uitzetting naar Polen een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM dan wel artikel 4 van het EU-Handvest. Eiseres verwijst in dit verband naar diverse rapportages en artikelen, waaruit blijkt dat de situatie voor lhbti in Polen verslechtert. Ook beroept zij zich op de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam van 29 juli 2021. Ze wijst er tevens op dat er een artikel 7-procedure loopt tegen Polen omdat de onafhankelijkheid van de Poolse rechterlijke macht ter discussie staat. Verder beroept eiseres zich op de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Zwolle van 20 mei 2022 en de verwijzingsuitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Den Bosch van 15 juni 2022.

Als lhbti’er heeft zij geen toegang tot een onafhankelijke rechter in Polen en kan zij geen bescherming bij de Poolse autoriteiten vragen. De rechtbank oordeelt als volgt.

4. Op grond van de Kwalificatierichtlijn hebben statushouders onder dezelfde voorwaarden als de eigen staatsburgers toegang tot werk, onderwijs, gezondheidszorg, huisvesting en sociale voorzieningen. Uitgangspunt hierbij is dat statushouders zelf inspanningen moeten verrichten om de rechten die zij aan hun status ontlenen, te verwezenlijken. Tekortkomingen in de naleving van genoemde verplichtingen door de autoriteiten van een lidstaat leidt niet meteen tot een schending van artikel 3 van het EVRM of artikel 4 van het Handvest. Uit het arrest Ibrahim volgt dat hiervoor een bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid geldt. Deze drempel wordt gehaald wanneer onverschilligheid van de autoriteiten van een lidstaat tot gevolg zou hebben dat een persoon die volledig afhankelijk is van overheidssteun buiten zijn wil en zijn persoonlijke keuzes om, terechtkomt in een toestand van zeer verregaande materiële deprivatie die hem niet in staat stelt om te voorzien in zijn meest elementaire behoeften, zoals eten, zich wassen en beschikken over woonruimte.

5. Niet in geschil is dat de situatie voor lhbti in Polen zorgelijk is. De rechtbank is echter van oordeel dat uit de door eiseres overgelegde documentatie niet gebleken is van een zodanige verslechtering van de positie van lhbti’s dat zij in maatschappelijk en sociaal opzicht niet meer kunnen functioneren. Ook is de situatie niet dusdanig is dat er sprake is van een onmenselijke behandeling waartegen de Poolse autoriteiten geen bescherming zouden kunnen of willen geven. Dat er in Polen incidenten plaatsvinden waarbij lhbti’s negatief worden bejegend, worden gediscrimineerd of slachtoffer worden van geweld door de bevolking of overheidsambtenaren is daarvoor niet voldoende.

Uit de eigen verklaringen van eiseres blijkt niet dat zij problemen heeft ervaren. Daaruit blijkt dat zij in Polen huisvesting had, een financiële toelage kreeg, toegang tot medische zorg had en een werkvergunning heeft gekregen. Eiseres heeft gelet op de door haar beschreven leefomstandigheden en door het overleggen van berichten over de algemene situatie van lhbti’s in Polen niet aannemelijk gemaakt dat voldaan is aan de bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid, zoals genoemd in het arrest Ibrahim. Ook de omstandigheid dat eiseres in Polen niet kan trouwen met een vrouw en kinderen kan krijgen met een vrouw leidt niet tot een situatie waarbij gesproken kan worden van schending op grond van artikel 3 van het EVRM.

Uitzetting naar Polen is dan ook niet in strijd met artikel 3 van het EVRM noch artikel 4 van het EU-Handvest.

6. De rechtbank volgt, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 30 januari 2019, evenmin het standpunt van eiseres dat zij als lhbti’er geen toegang tot een onafhankelijke rechter in Polen zou hebben. De artikel 7-procedure, die de Europese commissie tegen Polen aanhangig heeft gemaakt, komt voort uit zorgen omtrent ontwikkelingen die de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht in Polen kunnen schaden en ziet niet op de mogelijkheid voor burgers om zich voor bescherming tot de Poolse autoriteiten te wenden.

Het starten van een artikel 7-procedure kan alleen in uitzonderlijke gevallen aanleiding geven om af te wijken van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Eiseres beroept zich daarvoor op een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam van 29 juli 2021. Deze zaak laat zich niet vergelijken met de situatie van eiseres. In die zaak heeft de vreemdeling zelf concrete problemen ondervonden, terwijl dit bij eiseres niet het geval is. De verklaringen van eiseres over de door haar gestelde ondervonden discriminatie betreffen verklaringen over in feite de algemene situatie van lhbti’s en hun gelijke berechtiging ten opzichte van andere burgers in Polen.

Eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij zich bij voorkomende problemen niet kan beklagen bij de Poolse autoriteiten noch dat deze geen bescherming tegen discriminatie zouden willen en kunnen bieden. Gelet op het voorgaande is verweerder in het geval van eiseres terecht ten aanzien van Polen uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel.

7. Ter zitting heeft eiseres verzocht om aanhouding van de behandeling van haar zaak in afwachting van het antwoord van het Hof van Justitie van de Europese Unie op de gestelde prejudiciële vragen van deze rechtbank, zittingsplaats Den Bosch. De rechtbank ziet, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, alsmede gelet op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 30 januari 2019, onvoldoende aanleiding om het arrest van het Europese Hof van Justitie af te wachten en wijst het verzoek van eiseres af.

8. De rechtbank concludeert dat verweerder de asielaanvraag op goede gronden niet-ontvankelijk heeft verklaard.

9. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. E.F. Bethlehem, rechter, in aanwezigheid van mr. M.Ch. Grazell, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. De uitspraak is bekendgemaakt op: Bent u het niet eens met deze uitspraak? Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent.

Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. ECLI:NL:RBDHA:2022:6488. Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie. rapport van de Commissaris voor de Mensenrechten te Warschau "The legal situation of non-heterosexual and transgender persons in Poland" uit 2019;` rapport van Human Rights Watch, Poland "Sexual Orientation and Gender Identity” uit 2021; https://www.amnesty.nl/wat-we-doen/landen/mensenrechtensituatie-in- Polen/lhbtì-rechten; https://www.europarl.europa.eu/news/en/press-roornl20200910tPR86832/rule-of-law-and-lhbti-free-zones-in-poland-debate-ïn-plenary-starts-at-17-30; https://rainbow-europe.org/country-ranking#euen andere artikelen.

ECLI:NL:RBDHA:2021:11115. Als bedoeld in artikel 7 lid 1 van het Verdrag betreffende de Europese Unie. ECLI:NL:RBDHA:2022:4848. ECLI:NL:RBDHA:2022:5724. Richtlijn 2011/95/EU, hoofdstuk VII. Arrest Ibrahim van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 19 maart 2019, ECLI:NL:EU:C:2019:219. Gehoor bescherming EU, EER of Zwitserland van 10 juni 2022, pagina 5, 6. ECLI:NL:RVS:2019:282. ECLI:NL:RBDHA:2021:11115. Gehoor bescherming EU, EER of Zwitserland van 10 juni 2022, pagina 5.