Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RBDHA:2022:7582 ECLI:NL:RBDHA:2022:7582 AI generated

ECLI:NL:RBDHA:2022:7582 · Rechtbank Den Haag

Case Number ECLI:NL:RBDHA:2022:7582
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Middelburg Bestuursrecht zaaknummer: NL21.20374 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [naam], eiser, V-nummer: [nummer] (gemachtigde: mr. M.R.F. Berte), en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder, (gemachtigde: mr. J. Visschers). Procesverloop Bij besluit van 24 december 2021 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde afgewezen als kennelijk ongegrond. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Legislator headnote

AI generated

ECLI:NL:RBDHA:2022:7582 · Rechtbank Den Haag: De verwijzing naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Rotterdam treft verder geen doel nu dat geen vergelijkbare situatie betreft. In die zaak had de voogd van Nidos de rechtbank voorzien van informatie ten aanzien van de medische situatie van de vreemdeling. Gelet op het voorgaande heeft verweerder eisers asielaanvraag dan ook terecht afgewezen als kennelijk ongegrond. Ontbrekend terugkeerbesluit 5. De Afdeling heeft geoordeeld dat artikel 45, eerste lid, van de Vw uitgaat van een meeromvattende beslissing. Om die reden dienen de afwijzing van de asielaanvraag en het nemen van een terugkeerbesluit gelijktijdig plaats te vinden.

Keywords

AI generated
Nigerian asylum application post-flight political activities deportation despite health issues family asylum for eritreans risk of emigration grounds for asylum

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:RBDHA:2021:13091
RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Rotterdam Bestuursrecht zaaknummer: NL21.17245 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [naam eiser], eiser, V-nummer: [nummer] (gemachtigde: mr.
ECLI:NL:RVS:2022:1530
202101991/1/V3. Datum uitspraak: 8 juni 2022 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats 's-­Hertogenbosch, van 15 maart 2021 in zaak nr. NL18.7421 in het geding tussen: [de vreemdeling] en de staatssecretaris. Inleiding Het oordeel van de rechtbank De grieven van de staatssecretaris Volgorde van bespreking Voorvraag De momenten waarop er een terugkeerbesluit voor de vreemdeling gold De betekenis van de vormen van rechtmatig verblijf naar nationaal recht onder de Terugkeerrichtlijn Het verblijf in verband met medische uitzettingsbeletselen (artikel 8, aanhef en onder j, van de Vw 2000) Het verblijf in afwachting van de beslissing op het beroepschrift (artikel 8, aanhef en onder h, van de Vw 2000) 9 Tussenconclusie Het arrest TQ Het onderzoek naar adequate opvang Het leeftijdsonderscheid De fase tussen het nemen van het terugkeerbesluit en de fysieke verwijdering Toepassing van het arrest TQ en vervolgvragen De meeromvattende beschikking Het onderzoek naar adequate opvang in de praktijk De mogelijkheid om het onderzoek naar adequate opvang voort te zetten na het afwijzen van de asielaanvraag en de verplichting tot voortvarend handelen De asielprocedure opdelen in twee fasen Het asielbesluit en het terugkeerbesluit opsplitsen bij de derde situatie Rechtmatig verblijf naar nationaal recht bij de derde situatie Voortvarend handelen, ook na het besluit over de materiële asielaanspraken Toepassing in deze zaak Zelf voorzien Conclusie Samenvatting Procesverloop Bij besluit van 23 maart 2018 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen, geweigerd hem een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen en hem opgedragen om Nederland binnen vier weken na afloop van het voorlopig verleende uitstel van vertrek te verlaten (dit laatste hierna: het terugkeerbesluit).
AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Middelburg Bestuursrecht zaaknummer: NL21.20374 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [naam], eiser, V-nummer: [nummer] (gemachtigde: mr. M.R.F. Berte), en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder, (gemachtigde: mr. J. Visschers). Procesverloop Bij besluit van 24 december 2021 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde afgewezen als kennelijk ongegrond. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Op 4 juli 2022 heeft verweerder een verweerschrift ingediend en daarbij verzocht om aanhouding van de zitting. De rechtbank heeft op 6 juli 2022 het verzoek van verweerder afgewezen. De rechtbank heeft het beroep, tezamen met de zaak NL21.20375, op 7 juli 2022 op zitting behandeld. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door een waarnemer van zijn gemachtigde, mr. P.H. Hillen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Overwegingen 1. Eiser is geboren op [geboortedatum] en bezit heeft de Marokkaanse nationaliteit. Hij heeft op 27 augustus 2021 een asielaanvraag ingediend.

Eiser heeft aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd dat hij vreest voor zijn vader die hem zou mishandelen en dat hij bij terugkeer naar Marokko op straat zal moeten leven.

2. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond. Daarbij volgt verweerder eisers verklaringen over zijn identiteit, nationaliteit en herkomst. De gestelde problemen met zijn vader worden ook geloofwaardig geacht. Verweerder heeft zich ten aanzien van de geloofwaardig geachte elementen op het standpunt gesteld dat eiser tegen de gestelde problemen bescherming van de autoriteiten kan inroepen. Omdat Marokko voor eiser een veilig land van herkomst is, heeft verweerder de aanvraag afgewezen.

3. Eiser voert in beroep aan dat verweerder ten onrechte heeft aangenomen dat Marokko ten aanzien van hem een veilig land van herkomst is. Eiser stelt geen hulp van politie te hebben gehad in de periode dat hij op straat leefde en hij zich moest legitimeren in Marokko. Verder vreest eiser bij terugkeer voor de opnieuw ingevoerde dienstplicht in Marokko. Tevens stelt eiser dat verweerder ten onrechte voorbijgaat aan zijn medische toestand. Ter onderbouwing hiervan verwijst hij naar een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Rotterdam. Tot slot voert eiser aan dat ten onrechte geen terugkeerbesluit is opgelegd en voor hem in Marokko geen adequate opvang aanwezig is.

Eiser heeft namelijk geen contact met zijn familie. De rechtbank oordeelt als volgt. Asielaanvraag 4. Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat Marokko ten aanzien van eiser als veilig land van herkomst kan worden aangemerkt. Daarvoor is van belang dat verweerder bij brief aan de Tweede Kamer van 9 februari 2016 Marokko heeft aangemerkt als veilig land van herkomst, waarna op 11 juni 2018, 30 september 2020 en 6 mei 2021 een herbeoordeling heeft plaatsgevonden. Uit deze herbeoordeling is verweerder tot de conclusie gekomen dat ten aanzien van Marokko de aanwijzing van veilig land van herkomst onverkort kan worden voortgezet.

Het ligt in beginsel op de weg van eiser om aannemelijk te maken dat ten aanzien van hem Marokko niet als veilig land van herkomst kan worden aangemerkt en daar is hij niet in geslaagd. Het is aan eiser om de hulp in te roepen van de autoriteiten in Marokko. Eiser heeft verklaard dit niet te hebben gedaan. Dat de politie eiser bij het legitimeren niet verder heeft geholpen, komt dan ook voor rekening van eiser. Verder is niet in geschil dat eiser niet de dienstplichtige leeftijd heeft en niet is opgeroepen. Tot slot heeft eiser zijn medische toestand niet onderbouwd.

De verwijzing naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Rotterdam treft verder geen doel nu dat geen vergelijkbare situatie betreft. In die zaak had de voogd van Nidos de rechtbank voorzien van informatie ten aanzien van de medische situatie van de vreemdeling. Gelet op het voorgaande heeft verweerder eisers asielaanvraag dan ook terecht afgewezen als kennelijk ongegrond. Ontbrekend terugkeerbesluit 5. De Afdeling heeft geoordeeld dat artikel 45, eerste lid, van de Vw uitgaat van een meeromvattende beslissing. Om die reden dienen de afwijzing van de asielaanvraag en het nemen van een terugkeerbesluit gelijktijdig plaats te vinden.

Hiervan mag volgens de Afdeling enkel worden afgeweken als verweerder tijdens de asielprocedure nog niet heeft kunnen vaststellen of adequate opvang voor de vreemdeling aanwezig is door het tijdrovende karakter van dat onderzoek. Als dit het geval is, moet verweerder dat uitdrukkelijk toelichten in de beslissing. Verweerder dient hierbij voortvarend te handelen om de periode waarin de vreemdeling in onzekerheid verkeert over zijn verblijfsstatus zo kort mogelijk te houden. Het onderzoek zal er bovendien in moeten resulteren dat ofwel een terugkeerbesluit wordt genomen ofwel een vergunning volgens het buitenschuldbeleid wordt verleend.

Verweerder heeft ter zitting erkend dat het bestreden besluit niet voldoet aan het voorgaande. De rechtbank volgt dit. Conclusie 6. Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit. Verweerder moet een nieuw besluit nemen met inachtneming van deze uitspraak en de hiervoor genoemde uitspraken van de Afdeling.

7. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.518,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 759,- en een wegingsfactor 1). Beslissing De rechtbank: verklaart het beroep ongegrond; vernietigt het bestreden besluit; draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak; veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.518,- (vijftienhonderdachttien euro).

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.F. Bethlehem, rechter, in aanwezigheid van R. Ben Sellam, griffier, en openbaar gemaakt door middel van een geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. De uitspraak is uitgesproken en bekendgemaakt op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking. Op grond van artikel 31, eerste lid jo. artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Rb. Den Haag, zp.

Rotterdam 25 november 2021, ECLI:NL:RBDHA:2021:13091. Kamerstuk II 2015-2016, 19637, nr. 2123 van 9 februari 2016. Kamerstuk II 2017-2018, 19637, nr. 2392 van 11 juni 2018. Kamerstuk II 2019-2020, 19637, nr. 2664 van 20 september 2020. Kamerstuk II 2020-2021, 19637, nr. 2726 van 6 mei 2021. Rapport nader gehoor van 20 december 2021, p. 12 van 15. Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. ABRvS 8 juni 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1530 en 1531.