Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RBDHA:2022:7215 ECLI:NL:RBDHA:2022:7215 AI generated

ECLI:NL:RBDHA:2022:7215 · Rechtbank Den Haag

Case Number ECLI:NL:RBDHA:2022:7215
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummers: SGR 19/4613 en SGR 19/4614 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 juli 2022 in de zaken tussen [eiser 1] en [eiseres 1], te [woonplaats] , (hierna: [eiser 1] e.a.) (SGR 19/4613) (gemachtigde: mr. D. Quakernaat), en [eiser 2] en [eiseres 2], te [woonplaats] , (hierna: [eiser 2] e.a.) (SGR 19/1614) (gemachtigde: mr. D. Quakernaat), hierna gezamenlijk aan te duiden als eisers. en het college van burgemeester en wethouders van Nieuwkoop, verweerder (gemachtigde: F. Zorn). Als derde-partij hebben aan het geding deelgenomen:

Legislator headnote

AI generated

artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht; ECLI:NL:RBDHA:2022:7215 · Rechtbank Den Haag: Bij brief van 2 februari 2022 hebben eisers medegedeeld bereid te zijn de beroepen in te trekken, onder voorwaarde dat verweerder overgaat tot vergoeding van de kosten van beide beroepsprocedures en het betaalde griffierecht. Eisers verzoeken de rechtbank om verweerder te veroordelen in de proceskosten, indien verweerder niet bereid is de proceskosten te vergoeden.

Keywords

AI generated
nature conservation permit operating licence provisional permit derogatory permit licensing procedure police permit

Cited Legislation

AI generated
artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht
De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht uitspraak zonder zitting.

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:RVS:2022:1766
Vereniging huurdersvereniging Oud-West en anderen, allen gevestigd dan wel wonende te Amsterdam, 2.
ECLI:NL:RVS:2022:1573
Borne kan maximaal 100 woningen per jaar bouwen voor de totale gemeente inclusief kernen en centrumgebied.
ECLI:NL:RVS:2022:832
202103562/1/A3. Datum uitspraak: 23 maart 2022 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellant], te [plaats], tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 21 mei 2021 in zaak nr. 20/894 in het geding tussen: [appellant] en het college van burgemeester en wethouders van Heemstede. Procesverloop Bij besluit van 19 augustus 2019 heeft het college een verzoek van [appellant] om verstrekking van gegevens over twee personen uit de basisregistratie personen (brp) afgewezen. Bij besluit van 29 januari 2020 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
ECLI:NL:RVS:2020:258
201901246/1/A2. Datum uitspraak: 29 januari 2020 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellant], wonend te [woonplaats], tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 1 februari 2019 in zaak nr. 18/5093 in het geding tussen: [appellant] en de Belastingdienst/Toeslagen. Procesverloop Bij besluit van 13 juli 2018 heeft de Belastingdienst/Toeslagen de huurtoeslag van [appellant] voor het berekeningsjaar 2017 vastgesteld op € 3.171,00 en een bedrag van € 673,00 aan teveel ontvangen toeslag teruggevorderd.
ECLI:NL:RVS:2017:335
201606071/1/A2. Datum uitspraak: 8 februari 2017 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak in het geding tussen: [appellant], wonend te Vlaardingen, en het college van burgemeester en wethouders van Vlaardingen, verweerder. Procesverloop Bij besluit van 4 december 2013 heeft het college geweigerd om [appellant] toe te laten tot de gemeentelijke schuldhulpverlening. Bij besluit van 3 maart 2014 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 10 maart 2015 heeft de rechtbank Rotterdam het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummers: SGR 19/4613 en SGR 19/4614 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 juli 2022 in de zaken tussen [eiser 1] en [eiseres 1], te [woonplaats] , (hierna: [eiser 1] e.a.) (SGR 19/4613) (gemachtigde: mr. D. Quakernaat), en [eiser 2] en [eiseres 2], te [woonplaats] , (hierna: [eiser 2] e.a.) (SGR 19/1614) (gemachtigde: mr. D. Quakernaat), hierna gezamenlijk aan te duiden als eisers. en het college van burgemeester en wethouders van Nieuwkoop, verweerder (gemachtigde: F. Zorn). Als derde-partij hebben aan het geding deelgenomen:

Technisch Installatie Bedrijf [derde-partij 1] B.V., gevestigd te [vestigingsplaats] , en [derde-partij 2] en [derde-partij 3], te [woonplaats] (gemachtigde: mr. drs. H.J.M. van Schie). Procesverloop Bij besluit van 15 januari 2019 (primair besluit I) heeft verweerder het verzoek van [eiser 1] e.a. om handhavend op te treden tegen diverse activiteiten op het perceel [adres] [huisnummer] (het perceel) in [plaats] afgewezen. Bij separaat besluit van 15 januari 2019 (primair besluit II) heeft verweerder het verzoek van [eiser 2] e.a. om handhavend op te treden tegen diverse activiteiten op het perceel afgewezen.

Bij besluit van 27 mei 2019, verzonden op 29 mei 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder de bezwaren van eisers ongegrond verklaard en de primaire besluiten gehandhaafd. Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Overwegingen 1. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht uitspraak zonder zitting.

2. Bij besluit van 17 april 2020 heeft verweerder aan derde-partij een (tijdelijke) omgevingsvergunning verleend voor het voor een periode van zeven jaar in strijd met het bestemmingsplan gebruiken van het perceel als vestigingsplaats voor een installatiebedrijf. Het tegen dit besluit door eisers gemaakte bezwaar is bij beslissing op bezwaar van 18 november 2021 ongegrond verklaard. Verweerder heeft hierbij het besluit van 17 april 2020 gehandhaafd, onder toevoeging van een aanvullende voorwaarde aan de omgevingsvergunning. De rechtbank stelt vast, en tussen partijen is niet in geschil, dat eisers geen beroep hebben ingesteld tegen deze beslissing op bezwaar. Dit betekent dat de tijdelijke omgevingsvergunning onherroepelijk is geworden.

3. Bij brief van 2 februari 2022 hebben eisers medegedeeld bereid te zijn de beroepen in te trekken, onder voorwaarde dat verweerder overgaat tot vergoeding van de kosten van beide beroepsprocedures en het betaalde griffierecht. Eisers verzoeken de rechtbank om verweerder te veroordelen in de proceskosten, indien verweerder niet bereid is de proceskosten te vergoeden.

4. In reactie hierop heeft verweerder bij brief van 16 februari 2022 laten weten niet bereid te zijn de proceskosten en het griffierecht te vergoeden, aangezien niet geheel of gedeeltelijk tegemoet is gekomen aan de beroepen en verweerder ook anderszins niet is teruggekomen van het bestreden besluit. De gewijzigde omstandigheden na het instellen van de beroepen, namelijk de verlening van een tijdelijke omgevingsvergunning, staan los van dit besluit, aldus verweerder. 5.1 Voordat de rechtbank kan overgaan tot een inhoudelijke beoordeling van het beroep dient zij te beoordelen of eisers (voldoende) procesbelang hebben bij een dergelijke inhoudelijke beoordeling. 5.2 Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) is procesbelang het belang dat een belanghebbende heeft bij de uitkomst van een procedure.

Daarbij gaat het erom of het doel dat de belanghebbende voor ogen staat met het rechtsmiddel kan worden bereikt en voor de belanghebbende van feitelijke betekenis is. In beginsel heeft een belanghebbende die opkomt tegen een besluit, belang bij een beoordeling van zijn bezwaar of beroep, tenzij vast komt te staan dat ieder belang bij de procedure ontbreekt of is komen te vervallen. 5.3 Uit de reactie van 7 juni 2022 op de bij brief van 27 mei 2022 door de rechtbank gestelde vraag met betrekking tot het procesbelang maakt de rechtbank op dat eisers het beroep enkel gehandhaafd hebben om vergoeding van de in de beroepsfase gemaakte proceskosten en het betaalde griffierecht te verkrijgen.

Naar het oordeel van de rechtbank is hierin onvoldoende grond gelegen voor het aannemen van procesbelang. Het is namelijk vaste jurisprudentie van de Afdeling dat een vergoeding van de in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten op zichzelf onvoldoende procesbelang oplevert. De rechtbank acht hierbij verder van belang dat eisers met hun beroepen niet (meer) kunnen bereiken wat zij bij het instellen van de beroepen voor ogen hadden, namelijk dat door verweerder handhavend opgetreden wordt tegen het in strijd met het bestemmingsplan gebruiken van het perceel.

Nu de tijdelijke omgevingsvergunning van 17 april 2020 onherroepelijk is geworden, is verweerder namelijk niet langer bevoegd om handhavend op te treden tegen het gebruik van het perceel. De beroepen van eisers worden dan ook kennelijk niet-ontvankelijk verklaard vanwege het ontbreken van procesbelang.

6. Uit de jurisprudentie van de Afdeling volgt dat indien een beroep wegens het ontbreken van procesbelang niet-ontvankelijk is, wordt bezien of in de omstandigheden van het geval, in het bijzonder in de reden voor het vervallen van het belang, grond is gelegen om over te gaan tot een proceskostenveroordeling. Zo’n reden kan zijn dat het bestuursorgaan aan de indiener van het beroep tegemoet is gekomen. Het bestuursorgaan is tegemoetgekomen, indien het bestuursorgaan het door de indiener van het beroepschrift gewenste besluit geheel of gedeeltelijk neemt.

Deze situatie doet zich in deze zaak niet voor. Verweerder heeft geen besluit genomen, waarbij alsnog is overgegaan tot handhavend optreden. Ook heeft het besluit van 18 november 2021, waarbij de verlening van de tijdelijke omgevingsvergunning in stand is gebleven, geen inhoudelijke aantasting van het besluit van 27 mei 2019 tot gevolg gehad. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding om verweerder te veroordelen in de proceskosten. Beslissing De rechtbank verklaart de beroepen niet-ontvankelijk. Deze uitspraak is gedaan door mr. E.M.M. Kettenis-de Bruin, rechter, in aanwezigheid van mr.

R.A.E. Bach, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 13 juli 2022. griffier rechter Afschrift verzonden aan partijen op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan verzet worden ingesteld bij deze rechtbank. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld over het verzet te worden gehoord. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 22 juni 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1766. Zie bijvoorbeeld de uitspraken van 8 juni 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1573 en 23 maart 2022, ECLI:NL:RVS:2022:832.

Zie bijvoorbeeld de uitspraken van 23 maart 2022, ECLI:NL:RVS:2022:832, 29 januari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:258 en 8 februari 2017, ECLI:NL:RVS:2017:335.