Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RBDHA:2022:7209 ECLI:NL:RBDHA:2022:7209 AI generated

ECLI:NL:RBDHA:2022:7209 · Rechtbank Den Haag

Case Number ECLI:NL:RBDHA:2022:7209
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

Rechtbank den haag Team handel - voorzieningenrechter zaak- / rolnummer: C/09/630616 / KG ZA 22-514 Vonnis in kort geding van 7 juli 2022 in de zaak van [eiser] te [plaats] , eiser, advocaat mr. L.M. Ravestijn te Amsterdam, tegen: de Staat der Nederlanden, het Ministerie van Justitie en Veiligheid, meer speciaal de Minister van Justitie, te Den Haag, gedaagde, advocaat mr. A.Th.M. ten Broeke te Den Haag. Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘ [eiser] ’ en ‘de Staat’. 1De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding met daarbij en nadien overgelegde producties; - de door de Staat overgelegde conclusie van antwoord met producties. 1.2. Op 23 juni 2022 is de mondelinge behandeling gehouden. Hierbij zijn door beide partijen pleitnotities overgelegd. Ter zitting is vonnis bepaald op vandaag.

Legislator headnote

AI generated

artikel 6 lid 1 EVRM, artikel 13 EVRM, artikel 3 EVRM, artikel 6 EVRM, artikel 1 EVRM, artikel 8 EVRM; ECLI:NL:RBDHA:2022:7209 · Rechtbank Den Haag: Uit de artikelen 8 en 10 Uw volgt dat het oordeel over de vraag of de uitlevering een schending oplevert of tot een schending zal leiden van fundamentele rechten, zoals een inbreuk op het verbod van artikel 3 EVRM, in de taakverdeling tussen de uitleveringsrechter en de Minister is voorbehouden aan de Minister (vgl. HR 15 oktober 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZD0547, NJ 1997, 533). Indien tegen een besluit van de Minister om de uitlevering toe te staan, wordt opgekomen bij de burgerlijke rechter met de stelling dat de uitlevering strijdig is met fundamentele rechten, dient toetsing van die beslissing een volledige te zijn (vgl. HR 15 september 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV7387, NJ 2007, 277). 4.3.

Keywords

AI generated
deportation despite health issues narcotics importation inpatient addiction treatment substance addiction placement for detoxification treatment medical rehabilitation measure

Cited Legislation

AI generated
artikel 6 lid 1 EVRM
artikel 13 EVRM
Dat betekent overigens dat de rechtbank ook niet heeft hoeven te beoordelen of de opgeëiste persoon na zijn uitlevering een rechtsmiddel als bedoeld in artikel 13 EVRM respectievelijk artikel 2 lid 3, aanhef en onder a, IVBPR ter beschikking staat.” 2.5.
artikel 3 EVRM
Uit de artikelen 8 en 10 Uw volgt dat het oordeel over de vraag of de uitlevering een schending oplevert of tot een schending zal leiden van fundamentele rechten, zoals een inbreuk op het verbod van artikel 3 EVRM, in de taakverdeling tussen de uitleveringsrechter en de Minister is voorbehouden aan de Minister (vgl.
artikel 6 EVRM
[eiser] beroept zich op schending van artikel 6 EVRM en stelt dat zijn recht op berechting binnen een redelijke termijn wordt geschonden als hij wordt uitgeleverd aan Israël en dat er voor hem ook geen beroep op artikel 13 EVRM openstaat.
artikel 1 EVRM
Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding met daarbij en nadien overgelegde producties; - de door de Staat overgelegde conclusie van antwoord met producties. 1.2.
artikel 8 EVRM
Zoals de Staat hierover terecht stelt wordt de door de uitlevering veroorzaakte inbreuk op het recht op gezinsleven van artikel 8 EVRM gerechtvaardigd door de verdenking van strafbare feiten en de uitleveringsverplichting die op Nederland rust.

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:HR:1996:ZD0547
De bestreden uitspraak De Rechtbank heeft de gevraagde uitlevering van [de opgeëiste persoon] aan de Republiek Turkije toelaatbaar verklaard voor de in de bestreden uitspraak omschreven feiten.
ECLI:NL:HR:2006:AV7387
Het geding in feitelijke instanties Verweerster in cassatie - verder te noemen: [verweerster] - heeft bij exploot van 8 oktober 2004 verweerder in cassatie - verder te noemen: de Staat - in kort geding gedagvaard voor de voorzieningenrechter in de rechtbank te 's-Gravenhage en gevorderd de Staat te veroordelen om [verweerster] niet uit te leveren aan Turkije. De Staat heeft de vordering bestreden. De voorzieningenrechter heeft bij vonnis van 8 november 2004 de Staat verboden [verweerster] aan Turkije uit te leveren. Tegen dit vonnis van de voorzieningenrechter heeft de Staat hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te 's-Gravenhage. [Verweerster] heeft (voorwaardelijk) incidenteel hoger beroep ingesteld. Bij arrest van 20 januari 2005 heeft het hof in het principaal appel het vonnis waarvan hoger beroep bekrachtigd. Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.
ECLI:NL:HR:2014:1680
11 juli 2014 Eerste Kamer nr.
ECLI:NL:HR:2003:AE5288
8 juli 2003 Strafkamer nr. 01631/02 U ABG Hoge Raad der Nederlanden Arrest op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van de Rechtbank te 's-Gravenhage van 21 mei 2002, nummer RK: 01/1689, op een verzoek van de Verenigde Staten van Amerika tot uitlevering van: [de opgeëiste persoon], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1946, wonende te [woonplaats]. 1. De procesgang 1.1. De Hoge Raad verwijst naar zijn tussenarrest van 20 mei 2003. In dat arrest heeft de Hoge Raad de uitspraak van de Rechtbank te 's-Gravenhage vernietigd voorzover daarbij de uitlevering inzake de onder 2 en 3 van de Superseding Indictment, afkomstig van de Grand Jury van de United States District Court for the District of New Jersey van 11 september 1998, omschreven klacht ontoelaabaar is verklaard. Voorts heeft de Hoge Raad bevolen dat de opgeëiste persoon zal worden opgeroepen te verschijnen ter zitting van de Hoge Raad van 10 juni 2003 om te worden gehoord omtrent het verzoek tot zijn uitlevering. 1.2. Ter zitting van de Hoge Raad van 10 juni 2003 is de opgeëiste persoon verschenen en is hij gehoord, bijgestaan door zijn raadsman mr. M. Wladimiroff, advocaat te 's-Gravenhage, die voor hem het woord ter verdediging heeft gevoerd overeenkomstig de aan het proces-verbaal van die zitting gehechte pleitnotities. Ook heeft de opgeëiste persoon zelf het woord ter verdediging gevoerd. Zijn pleitnotities zijn eveneens aan voornoemd proces-verbaal gehecht. De Advocaat-Generaal Jörg heeft een schriftelijke samenvatting gegeven die ertoe strekt de verzochte uitlevering voor de feiten 2 en 3 toelaatbaar te verklaren. 2. Het verzoek tot uitlevering 2.1. Het hernieuwde verzoek tot uitlevering, verder aan te duiden als het verzoek, is gedaan bij nota no. 15 van de Ambassade van de Verenigde Staten van Amerika van 6 februari 2001, gericht aan het Ministerie van Buitenlandse Zaken. In dit verzoek wordt verwezen naar het hieronder onder 2.3 (i) nog te noemen, reeds eerder gedane, doch ingetrokken, verzoek tot uitlevering van de opgeëiste persoon voor dezelfde strafbare feiten. 2.2. Het verzoek, voorzover thans nog aan de orde, strekt tot uitlevering van de opgeëiste persoon ter fine van strafvervolging ter zake van de feiten 2 en 3, aangeduid als "prohibited foreign trade practices" en omschreven in de hieronder onder 2.3 (v) vermelde "affidavit in support of request for extradition" op p. 3 onder a t/m o. 2.3. De verzoekende staat heeft bij het verzoek de navolgende stukken overgelegd: (i) een nota no. 24 van de Ambassade van de Verenigde Staten van Amerika van 4 mei 2000 inhoudende een verzoek tot uitlevering van de opgeëiste persoon ter fine van strafvervolging; (ii) een door de Assistant Authentication Officer, Department of State, gecertificeerde verklaring van Madeleine K. Albright, Secretary of State van 20 april 2000 dat het hierna onder (iii) genoemde document het zegel van het Department of Justice van de Verenigde Staten van Amerika draagt; (iii) een door de Director/Deputy Director, Office of International Affairs, Criminal Division of the United States Department of Justice gecertificeerde verklaring van 19 april 2000 van Janet Reno, Attorney General of the United States, dat Russel Bikoff zowel ten tijde van de ondertekening van het daaraan gehechte document als ten tijde van het opmaken van de onderhavige verklaring Deputy Director, Office of International Affairs, Criminal Division, U.S. Department of Justice, Washington DC, was; (iv) een verklaring van 19 april 2000 houdende de certificering door voornoemde Russel Bikoff van de onder (v) genoemde verklaring en onder (vi) genoemde bijlagen; (v) een door John M. Facciola, United States Magistrate Judge, beëdigd en door Philip Urofsky, employed by the United States Department of Justice as a Trial Attorney in the Criminal Division, op 31 maart 2000 afgelegde verklaring tot staving van het verzoek om uitlevering waarin is opgenomen de identiteit van de opgeëiste persoon, de nationaliteit, de vermoedelijke verblijfplaats, een overzicht van de feiten waarvoor de uitlevering is verzocht met vermelding van plaats en tijd ervan, het daarop betrekking hebbende bewijsmateriaal, de wettelijke omschrijving en de toepasselijke Amerikaanse strafbepalingen; (vi) de bijlagen, gevoegd bij de onder (v) genoemde verklaring: a. een gewaarmerkt afschrift van een Superseding Indictment van de United States District Court for the District of New Jersey, van 11 september 1998, houdende een nader overzicht van de feiten en het daarop betrekking hebbende bewijsmateriaal, ondertekend door Nicholas R. Abitante, foreperson van de Grand Jury, en Faith S. Hochberg, United States Attorney; b. een gewaarmerkt afschrift van een door Anne E. Thompson, Chief, United States District Judge, te Trenton, New Jersey, gegeven Warrant for Arrest betreffende de opgeëiste persoon, inhoudende een korte aanduiding van de feiten (zonder datering); c. de tekst van de toepasselijke strafbepalingen van de desbetreffende Amerikaanse wet waarvoor uitlevering wordt verzocht en van de wetsbepalingen houdende de straf die op de feiten is gesteld; d. een foto van drie personen onder wie de opgeëiste persoon. Voorts bevinden zich bij de stukken de vertaling in het Nederlands van de hierboven onder (ii) t/m (vi) a t/m c aangeduide stukken. 3. Beoordeling van de gevoerde verweren 3.1.1. Namens de opgeëiste persoon heeft de raadsman het verweer gevoerd dat de uitlevering ontoelaatbaar moet worden verklaard, omdat de bijzonderheden van de onderhavige zaak een inbreuk rechtvaardigen op het vertrouwensbeginsel dat de relatie tussen de Verenigde Staten van Amerika en het Koninkrijk der Nederlanden beheerst, aangezien de opgeëiste persoon het risico loopt te worden blootgesteld aan een flagrante inbreuk op aan de opgeëiste persoon ingevolge het EVRM toekomende rechten. In het bijzonder wordt gesteld dat een plea agreement in strijd is met art. 6 EVRM. In dit verband wordt aangevoerd dat de verwachte duur van de procedure indien geen plea agreement wordt gesloten (full trial) onevenredig lang zal zijn in verhouding tot de situatie dat wel een plea agreement wordt gesloten. De opgeëiste persoon zou aldus in redelijkheid geen vrije keus hebben. Verder wordt gesteld dat gelet op de beschikbare gegevens de afdoening van de zaak, in geval van een full trial, vermoedelijk niet binnen een naar Nederlandse maatstaven redelijk te achten termijn zal plaatsvinden. Tot slot wordt betoogd dat de eventuele toepassing van de terugkeerregeling en omzettingsprocedure illusoir zal zijn, omdat de te verwachten vrijheidsstraf waarschijnlijk zodanig zal zijn dat deze reeds zal zijn ondergaan voordat terugkeer naar Nederland zal zijn geëffectueerd vanwege de procedurele complicaties en doorlooptijden. 3.1.2. Aangenomen moet worden dat Nederland, als door het EVRM en het IVBPR gebonden Staat, het resultaat van bilaterale onderhandelingen die hebben geleid tot het te dezen toepasselijke Uitleveringsverdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Staten van Amerika van 24 juni 1980 (Trb. 1980, 111) heeft kunnen afstemmen op de aard en de mate waarin de in de eerste twee genoemde verdragen neergelegde fundamentele rechtsbeginselen worden erkend in de Verenigde Staten van Amerika. De Hoge Raad neemt derhalve als uitgangspunt dat bij de beoordeling van een uitleveringsverzoek dat is gebaseerd op het genoemde uitleveringsverdrag in beginsel moet worden uitgegaan van het vertrouwen dat de verzoekende Staat bij de vervolging en bestraffing van de opgeëiste persoon de daarop betrekking hebbende fundamentele rechten welke zijn neergelegd in het eerdergenoemde EVRM en IVBPR zal respecteren. Dat brengt mee dat evenzeer van dat vertrouwen uitgegaan moet worden bij toepassing in de Verenigde Staten van Amerika van het aldaar tot de strafprocessuele mogelijkheden behorende systeem dat een verdachte in voorkomend geval een plea agreement kan aangaan. Die mogelijkheid bestond immers ook reeds ten tijde van de bilaterale onderhandelingen die tot het onderhavige uitleveringsverdrag hebben geleid. Dit vertrouwensbeginsel kan uitzondering lijden, voor wat betreft art. 6 EVRM, indien blijkt dat de op-geëiste persoon door zijn uitlevering zou worden blootgesteld aan een zodanig risico van een flagrante inbreuk op enig hem ingevolge dat artikel toekomend recht dat de ingevolge art. 1 EVRM op Nederland rustende verplichting om dat recht te verzekeren aan de nakoming van de uit het vermelde uitleveringsverdrag voortvloeiende verplichting in de weg staat. 3.1.3. Gelet op de door de raadsman hiervoor onder 3.1.1 gestelde omstandigheden, welke alle betrekking hebben op toekomstige gebeurtenissen waaromtrent nog niets met zekerheid is vast te stellen noch ten nadele noch ten voordele van de opgeëiste persoon, kan mede in het licht van het voorgaande niet worden gezegd, dat tussen de mogelijkheden waaruit de opgeëiste persoon zal moeten kiezen - het ondergaan van een full trial dan wel het aangaan van een plea agreement - gelet op de duur van de onderscheiden procedures en de mogelijke verschillen in uitkomst een zodanige flagrante wanverhouding bestaat, dat de opgeëiste persoon wordt gedwongen een plea agreement aan te gaan. Het verweer wordt derhalve verworpen. 3.1.4. Ten aanzien van het verweer dat, indien het tot een full trial in de Verenigde Staten van Amerika komt, er vermoedelijk geen sprake zal zijn van een berechting binnen een redelijke termijn, geldt dat dat enkele vermoeden niet dwingt tot het oordeel dat de opgeëiste persoon zal worden blootgesteld aan een zodanig risico van een flagrante inbreuk op het recht op berechting binnen een redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM dat de verzochte uitlevering ontoelaatbaar moet worden verklaard. 3.1.5. Het betoog tenslotte dat de terugkeerregeling illusoir kan blijken te zijn - gelet enerzijds op de te verwachten hoogte van de straf en anderzijds op de duur van de administratieve afhandeling van de terugkeer naar Nederland - wordt gevoerd met de kennelijke strekking dat op grond daarvan de verzochte uitlevering ontoelaatbaar moet worden verklaard. Dat betoog faalt, aangezien daarmee wordt miskend dat het de uitleveringsrechter niet vrijstaat bij zijn oordeel omtrent de toelaatbaarheid van de uitlevering de vraag te betrekken of de opgeëiste persoon zal kunnen terugkeren naar Nederland teneinde aldaar de opgelegde vrijheidsstraf (verder) te ondergaan en of die terugkeer daartoe tijdig zal geschieden. 3.2.1. Verder is door de raadsman ten verwere aangevoerd dat het legaliteitsbeginsel wordt geschonden, indien de opgeëiste persoon aan de Verenigde Staten van Amerika zou worden uitgeleverd. Nederland kan de opgeëiste persoon zelf niet vervolgen voor de feiten waarop het uitleveringsverzoek betrekking heeft, aangezien deze feiten ten tijde van het begaan ervan niet strafbaar waren naar Nederlands recht, aldus de raadsman. 3.2.2. Met dit betoog wordt miskend dat de rechter de toelaatbaarheid van de verzochte uitlevering heeft te beoordelen naar het tijdstip van de behandeling van het verzoek daartoe. In dit geval staat vast dat de feiten, waarvoor de uitlevering wordt verzocht, inmiddels in Nederland strafbaar zijn gesteld. Derhalve faalt het betoog. 3.2.3. Voorzover het verweer tevens moet worden bezien in het verband van een te zijner tijd te nemen beslissing op een verzoek tot overdracht van de opgeëiste persoon naar Nederland teneinde hier de vrijheidsstraf (verder) te ondergaan, faalt het verweer op de door de Hoge Raad reeds in zijn te dezer zake gewezen tussenarrest van 20 mei 2003 gegeven gronden. 3.3.1. Tenslotte heeft de raadsman gesteld dat de uitlevering ontoelaatbaar zou moeten worden verklaard, omdat niet is voldaan aan het vereiste van de dubbele strafbaarheid. Blijkens de aan het proces-verbaal van de zitting van de Hoge Raad van 10 juni 2003 gehechte en daarvan deel uitmakende pleitnota heeft hij daartoe het volgende aangevoerd: "17. Overigens merk ik nog op dat de verdenkingen krachtens de Foreign Corrupt Practices Act 1977, aanvankelijk alleen de corrupte betaling van eigen onderdanen en van bedrijven gevestigd in de Verenigde Staten aan buitenlandse officials strafbaar stelde. Eerst sinds 1998 stelt deze wet dergelijk handelen van buitenlanders en buitenlandse bedrijven ook strafbaar. Kort en goed: hetgeen cliënt wordt verweten was ten tijde van de gedraging ook niet strafbaar in de Verenigde Staten (krachtens de FCPA)." 3.3.2. Uit de omschrijving van de feiten waarvoor de uitlevering wordt gevraagd, blijkt dat de verdenking tegen de opgeëiste persoon bestaat ter zake van gedragingen van hem in zijn hoedanigheid van onder meer voorzitter van de raad van beheer van Saybolt North America Inc., een in de Verenigde Staten van Amerika gevestigde onderneming. De Foreign Corrupt Practices Act 1977 is derhalve ook op deze onderneming van toepassing. Het verweer mist dan ook feitelijke grondslag. 4. Beoordeling van het verzoek tot uitlevering 4.1. De Hoge Raad overweegt ten aanzien van de toelaatbaarheid van de verzochte uitlevering ter strafvervolging als volgt. 4.2. De persoon die is gehoord ter zitting van 10 juni 2003 heeft verklaard dat hij is [de opgeëiste persoon], de persoon op wie het verzoek tot uitlevering betrekking heeft, en dat hij de Nederlandse nationaliteit bezit. 4.3. De stukken voldoen aan de eisen die art. 9, tweede en derde lid, van het Uitleveringsverdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Staten van Amerika stellen. Ook is voldaan aan art. 18 Uitleveringswet. 4.4. De feiten waarvoor de uitlevering wordt gevraagd, zijn naar het recht van de Verenigde Staten van Amerika strafbaar krachtens de Foreign Corrupt Practices Act 1977, United States Code, titel 15, art. 78DD-2 en titel 18, art. 2. Op deze feiten zijn gevangenisstraffen gesteld met maxima van tenminste één jaar. 4.5. Naar Nederlands recht zijn die feiten strafbaar als het misdrijf van art. 177 Sr en/of het misdrijf van art. 177a Sr, in verbinding met art. 178a Sr (omkoping van buitenlandse ambtenaren). Op deze feiten zijn gevangenisstraffen gesteld met maxima van tenminste één jaar. 4.6. Aan het in art. 2 Uitleveringsverdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Staten van Amerika gestelde vereiste van dubbele strafbaarheid is derhalve voldaan. 5. Slotsom Aangezien de Hoge Raad niet is gebleken van het bestaan van feiten of omstandigheden die aan de toelaatbaarheid van de verzochte uitlevering in de weg zouden staan, dient, gelet op het Uitleveringsverdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Staten van Amerika, als volgt te worden beslist. 6. Beslissing De Hoge Raad verklaart de uitlevering ter strafvervolging van de opgeëiste persoon aan de Verenigde Staten van Amerika toelaatbaar voor de onder 2.2 bedoelde, in het verzoek onder 2 en 3 aangeduide, feiten. Dit arrest is gewezen door de vice-president W.J.M. Davids als voorzitter, en de raadsheren G.J.M. Corstens, J.P. Balkema, B.C. de Savornin Lohman en W.A.M. van Schendel, in bijzijn van de waarnemend-griffier L.J.J. Okker-Braber, en uitgesproken op 8 juli 2003. 20 mei 2003 Strafkamer nr. 01631/02 U IV/DAT Hoge Raad der Nederlanden Tussenarrest op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van de Rechtbank te 's-Gravenhage van 21 mei 2002, nummer RK: 01/1689, op een verzoek van de Verenigde Staten van Amerika tot uitlevering van: [de opgeëiste persoon], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1946, wonende te [woonplaats]. 1. De bestreden uitspraak De Rechtbank heeft de gevraagde uitlevering van de opgeëiste persoon niet toelaatbaar verklaard. 2. Geding in cassatie 2.1. Het beroep is ingesteld door de Officier van Justitie. Deze heeft bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. Het beroep en het middel zijn uitsluitend gericht tegen de weigering de verzochte uitlevering toelaatbaar te verklaren voor de in het verzoek onder 2 en 3 genoemde feiten, te weten: - verboden buitenlandse handelspraktijken, in overtreding van titel 15, art. 78DD-2 van het desbetreffende Amerikaanse wetboek; - reizen naar het buitenland en van Staat naar Staat ten behoeve van criminele ondernemingen, in overtreding van titel 18, art. 1952 van het desbetreffende Amerikaanse wetboek. Namens de opgeëiste persoon is het cassatieberoep tegengesproken door mr. T.B. Trotman, advocaat te 's-Gravenhage. De Advocaat-Generaal Jörg heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad de Officier van Justitie niet-ontvankelijk zal verklaren in het cassatieberoep op grond dat de schriftuur niet is ingediend binnen de termijn van art. 31, derde lid, UW. 2.2. Bij tussenarrest van 3 december 2002 heeft de Hoge Raad de Officier van Justitie ontvankelijk verklaard in het cassatieberoep. Kort samengevat heeft de Hoge Raad geoordeeld: dat een redelijke toepassing van art. 31, derde lid, UW meebrengt dat de officier van justitie in uitleveringszaken gedurende de volle wettelijke termijn van een maand nadat de kernstukken van het geding - te weten de uitspraak en de processen-verbaal van de zittingen - te zijner beschikking zijn gekomen, een schriftuur houdende middelen van cassatie bij de Hoge Raad kan indienen, en dat nu de cassatieschriftuur is ingediend binnen een maand nadat de uitgewerkte uitspraak op 10 juni 2002 ter beschikking van de Officier van Justitie is gekomen, het cassatieberoep ontvankelijk is. 2.3. De Hoge Raad gedraagt zich naar het tussenarrest. Weliswaar is nadien namens de opgeëiste persoon aangevoerd dat de Officier van Justitie niet-ontvankelijk is in het cassatieberoep op grond dat de uitspraak niet op 10 juni 2002, maar op 4 juni 2002 ter beschikking is gekomen, maar de juistheid van hetgeen aldus is aangevoerd kan in het midden blijven nu vaststaat dat het proces-verbaal van de zitting van de Rechtbank niet eerder dan eind juni 2002 ter beschikking van de Officier van Justitie is gekomen. 2.4. De Advocaat-Generaal Jörg heeft aanvullend geconcludeerd dat de Hoge Raad de bestreden uitspraak zal vernietigen en een dag zal bepalen waarop de zaak voor de Hoge Raad zal dienen. 3. Beoordeling van het middel 3.1. Het middel komt met rechtsklachten op tegen het oordeel van de Rechtbank dat de verzochte uitlevering voor de feiten 2 en 3 ontoelaatbaar dient te worden verklaard. 3.2. De Rechtbank heeft de uitlevering voor die feiten ontoelaatbaar verklaard en daartoe het volgende overwogen: "De opgeëiste persoon heeft de Nederlandse nationaliteit. De Verenigde Staten van Amerika en Nederland zijn beide partij bij het op 21 maart 1983 gesloten Verdrag inzake de overbrenging van gevonniste personen. In verbinding met de exchange of letters of understanding, General Affairs Department DA2/J2-ISN-38245 No 81 van 11 juli 1991 zou dus technisch de opgeëiste persoon na een eventuele veroordeling door de Verenigde Staten van Amerika ter zake van het feitencomplex sub 2 en sub 3, waarop het rechtshulpverzoek betrekking heeft, teruglevering aan Nederland gegarandeerd kunnen worden om in Nederland tenuitvoerlegging van het gewijsde te ondergaan of verder te ondergaan. Ten tijde van de periode waarin het feitencomplex sub 2 en sub 3 volgens het uitleveringsverzoek zou zijn begaan, was dit complex als zodanig niet strafbaar naar Nederlands recht. De rechtbank zou door in casu uitlevering toe te laten, voorziend dat wegens het hierna te noemen legaliteitsbeginsel exequatur bij teruglevering in zoverre geweigerd zou moeten worden, inbreuk maken op het in artikel 16 van de Grondwet en artikel 1, eerste lid van het Wetboek van Strafrecht ongeclausuleerde en onvoorwaardelijk verbod tot berechting en bestraffing van iemand ter zake van feiten die ten tijde van begaan daarvan niet bij of krachtens de Nederlandse wet strafbaar waren gesteld. Immers, de opgeëiste persoon heeft, zoals overwogen, de Nederlandse nationaliteit en bij teruglevering van de opgeëiste persoon aan Nederland zou overneming en positieve erkenning van het veroordelend gewijsde een inbreuk inhouden van dit ongeclausuleerde verbod. Weliswaar kan het in artikel 16 van de Grondwet en artikel 7 van het EVRM - waaraan Nederland als verdragsluitende partij gebonden is - vervatte legaliteitsbeginsel door verdragen of krachtens besluiten van volkenrechtelijke organisaties opzij worden gezet, zoals de Hoge Raad uitdrukkelijk overweegt in zijn arrest van 18 december 2001 in de zaak tegen [A] (de Hoge Raad leest: HR 18 september 2001, NJ 2002, 559), zulks op een voordracht tot cassatie in het belang der wet van een beschikking van het gerechtshof te Amsterdam van 20 november 2000, maar in het te dezen toepasselijke uitleveringsverdrag is geen voorziening opgenomen waaruit deze terzijdestelling zou volgen. Derhalve staat vooralsnog vast dat aan enige veroordeling door de Verenigde Staten van Amerika voor de sub 2 en 3 genoemde feiten als gekwalificeerd in het uitleveringsverzoek, bij teruglevering exequatur geweigerd zal moeten worden. De uitlevering dient mitsdien voor deze feiten op voornoemde gronden ontoelaatbaar verklaard te worden. Mochten de Verenigde Staten van Amerika slechts voornemens zijn geldboetes op te leggen, dan dient te gelden dat het te dezen toepasselijke verdrag niet voorziet in rechtshulp daartoe." 3.3. De eerste klacht van het middel, die in een aantal onderdelen uiteenvalt, is gericht tegen het oordeel van de Rechtbank dat in geval van een veroordeling in de Verenigde Staten van Amerika ter zake van genoemde feiten het exequatur - waarmee de Rechtbank klaarblijkelijk doelt op het verlof tot tenuitvoerlegging als bedoeld in art. 31 van de Wet overdracht tenuitvoerlegging strafvonnissen (WOTS) - geweigerd zou moeten worden. Het meest verstrekkende onderdeel van die klacht luidt dat de Rechtbank aldus ten onrechte is vooruitgelopen op de beslissing van de exequaturrechter. Dit onderdeel van de klacht treft doel. De beantwoording van de vraag of verlof dient te worden verleend tot tenuitvoerlegging van een vonnis van een buitenlandse rechter is voorbehouden aan de rechter die daaromtrent ingevolge de bepalingen van de WOTS heeft te oordelen. Het staat de uitleveringsrechter niet vrij de (te verwachten) beantwoording van die vraag bij zijn oordeel omtrent de toelaatbaarheid van de uitlevering te betrekken. De gegrondheid van dit onderdeel van de klacht brengt mee dat de bestreden uitspraak, voorzover aan het oordeel van de Hoge Raad onderworpen, niet in stand kan blijven en de overige klachten geen bespreking behoeven. 3.4. Niettemin vindt de Hoge Raad aanleiding het middel nog te bespreken voorzover het kennelijk strekt ten betoge dat de Rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de exequaturrechter - na overdracht van de gevonniste persoon aan Nederland - het vereiste van strafbaarheid van de feiten naar Nederlands recht (art. 3, eerste lid onder c, WOTS) dient te beoordelen naar het moment waarop die feiten zijn gepleegd. Het middel bestrijdt dat oordeel terecht. De strekking van genoemd vereiste is immers te voorkomen dat Nederland medewerking zou moeten verlenen aan het handhaven van normen die met de eigen rechtsopvattingen in strijd zijn, of waarbij althans een strafsanctie misplaatst wordt geacht. Voor de beantwoording van de vraag of aan dat vereiste is voldaan is daarom beslissend of de desbetreffende feiten naar Nederlands recht strafbaar zijn ten tijde van de beslissing van de daartoe ingevolge de WOTS aangewezen rechter op de vordering tot tenuitvoerlegging. Het verlenen door die rechter van een verlof tot tenuitvoerlegging kan niet worden aangemerkt als "berechting en bestraffing" van die feiten, zodat, anders dan de Rechtbank heeft aangenomen, in geval van een dergelijk verlof ten aanzien van feiten die op het tijdstip waarop zij zijn gepleegd naar Nederlands recht nog niet strafbaar waren gesteld, van schending van het legaliteitsbeginsel geen sprake kan zijn. 4. Slotsom Hetgeen hiervoor onder 3.3 is overwogen brengt mee dat als volgt moet worden beslist. 5. Beslissing De Hoge Raad: Vernietigt de bestreden uitspraak, voorzover daarbij de uitlevering inzake de onder 2 en 3 van de Superseding Indictment afkomstig van de Grand Jury van de United States District Court for the District of New Jersey van 11 september 1998 omschreven aanklacht ontoelaatbaar is verklaard; Beveelt dat de opgeëiste persoon zal worden opgeroepen te verschijnen ter zitting van de Hoge Raad van 10 juni 2003 te 12:00 uur om te worden gehoord omtrent het verzoek tot zijn uitlevering. Dit arrest is gewezen door de president W.E. Haak als voorzitter, en de raadsheren F.H. Koster, A.J.A. van Dorst, B.C. de Savornin Lohman en E.J. Numann, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken op 20 mei 2003. ======================= 3 december 2002 Strafkamer nr. 01631/02 U IV/SM Hoge Raad der Nederlanden Tussenarrest op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van de Rechtbank te 's-Gravenhage van 21 mei 2002, nummer RK: 01/1689, op een verzoek van de Verenigde Staten van Amerika tot uitlevering van: [de opgeëiste persoon], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1946, wonende te [woonplaats]. 1. De bestreden uitspraak De Rechtbank heeft de gevraagde uitlevering van de opgeëiste persoon niet toelaatbaar verklaard. 2. Geding in cassatie Het beroep is ingesteld door de Officier van Justitie. Deze heeft bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De raadsvrouwe van de opgeëiste persoon, mr. T.B. Trotman, advocaat te 's-Gravenhage, heeft het cassatieberoep tegengesproken. De Advocaat-Generaal Jörg heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad de Officier van Justitie niet-ontvankelijk zal verklaren in het cassatieberoep. 3. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep 3.1. In zijn verweerschrift tegen het cassatieberoep is namens de opgeëiste persoon aangevoerd dat de Officier van Justitie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in het ingestelde beroep, aangezien de middelen niet zijn ingediend binnen de termijn van art. 31, derde lid, UW. 3.2. Op grond van art. 31, derde lid, UW is de Officier van Justitie op straffe van niet-ontvankelijkheid verplicht om binnen een maand nadat hij beroep in cassatie heeft ingesteld, bij de Hoge Raad een schriftuur in te dienen, houdende zijn middelen van cassatie. 3.3. Het cassatieberoep is blijkens de daarvan opgemaakte akte ingesteld op 31 mei 2002. De schriftuur is blijkens een daarop geplaatst stempel op 9 juli 2002 bij de Hoge Raad ingekomen. De schriftuur is derhalve niet binnen de bij de wet bepaalde termijn ingediend. Bij de stukken van het geding bevindt zich echter een schrijven van de Officier van Justitie van 19 juli 2002, inhoudende dat zij eerst op 10 juni 2002 kon beschikken over de uitgewerkte uitspraak. De Hoge Raad gaat uit van de juistheid van deze mededeling. Kennelijk heeft de Officier van Justitie aangenomen dat de wettelijke termijn van een maand voor het indienen van de schriftuur aanving op de datum van ontvangst van de uitgewerkte uitspraak waartegen het cassatieberoep was gericht. 3.4. In zijn beslissing van 16 april 1996, NJ 1996, 527, heeft de Hoge Raad in een strafzaak waarin het openbaar ministerie een van de kernstukken van het geding - het proces-verbaal van de terechtzitting - pas na verloop van de termijn voor het indienen van de schriftuur had ontvangen, beslist dat een redelijke toepassing van art. 433 (oud) Sv meebrengt dat die termijn pas begint te lopen na de ontvangst van het ontbrekende stuk. 3.5.1. Sedert de inwerkingtreding op 1 oktober 2000 van de wetswijziging van 28 oktober 1999, Stb. 467, is de regeling voor het indienen van de cassatieschriftuur in strafzaken neergelegd in art. 437 Sv. De termijn voor het indienen van de schriftuur van een maand vangt voor het openbaar ministerie thans aan nadat de aanzegging als bedoeld in art. 435 Sv aan hem is verzonden. Ook de verdachte is thans op straffe van niet-ontvankelijkheid gehouden zijn schriftuur binnen een termijn (twee maanden) nadat de aanzegging aan hem is betekend te doen indienen. 3.5.2. Voor de toepassing van art. 437 Sv heeft de Hoge Raad in zijn uitspraak van 4 juli 2000, NJ 2000, 581, in een geval waarin de raadsman van een verdachte de kernstukken van het geding niet tijdig had ontvangen, beslist dat een dergelijk verzuim van de strafadministratie kan meebrengen dat de raadsman door de rolraadsheer (de enkelvoudige strafkamer van de Hoge Raad) desverzocht alsnog een termijn wordt gegund om een aanvullend middel in te dienen na toezending van de desbetreffende stukken voorzover kennisneming van die stukken onontbeerlijk is voor het formuleren van de middelen. Naar de stand van de huidige rechtspraak is het dan ook afhankelijk van de omstandigheden van het geval of de officier van justitie onderscheidenlijk de verdachte een nadere termijn voor het indienen van de middelen wordt gegund en geldt niet meer de hiervoor onder 3.4 gegeven regel dat in ieder geval aanspraak kan worden gemaakt op de volle termijn vanaf de ontvangst van de kernstukken. 3.6. De te beantwoorden vraag is thans of het vorenstaande evenzeer geldt in uitleveringszaken. Die vraag moet ontkennend worden beantwoord. De regeling van art. 31, derde lid, UW wijkt in zoverre af van die van art. 437 Sv dat de termijn van een maand, waarbinnen de officier van justitie op straffe van niet-ontvankelijkheid zijn schriftuur houdende de middelen van cassatie bij de Hoge Raad moet indienen, niet aanvangt na de verzending van een aanzegging als bedoeld in art. 435 Sv, derhalve nadat de stukken van het geding bij de Hoge Raad zijn ingekomen, maar nadat hij het beroep in cassatie heeft ingesteld. De opgeëiste persoon die beroep in cassatie instelt kan, anders dan de officier van justitie, een schriftuur indienen, en wel tot de dienende dag. 3.7. Dit verschil tussen de regeling van het Wetboek van Strafvordering en die van de Uitleveringswet heeft tot gevolg dat zaken waarin art. 437 Sv van toepassing is, reeds wel bij de Hoge Raad bekend zijn op het moment dat de termijn voor het indienen van de schriftuur begint te lopen, zodat de rolraadsheer dienaangaande in voorkomend geval kan beoordelen of er aanleiding is een nadere termijn te gunnen, terwijl de stukken van het geding in uitleveringszaken veelal nog niet bij de Hoge Raad ingekomen zijn in de fase waarin de wettelijke termijn voor het indienen van de schriftuur voor de officier van justitie loopt. De rolraadsheer zal in die gevallen dan ook niet in staat zijn een verzoek om verlenging van de termijn te beoordelen. 3.8. Gelet hierop brengt een redelijke toepassing van art. 31, derde lid, UW mee dat de officier van justitie in uitleveringszaken, naar analogie van de hiervoor onder 3.4 weergegeven - voor strafzaken inmiddels achterhaalde - rechtspraak, gedurende de volle wettelijke termijn van een maand nadat de kernstukken van het geding - te weten de uitspraak en de processen-verbaal van de zittingen - te zijner beschikking zijn gekomen, een schriftuur houdende de middelen van cassatie bij de Hoge Raad kan indienen. 3.9. Uit het vorenoverwogene volgt dat nu de cassatieschriftuur is ingediend binnen een maand nadat de uitgewerkte uitspraak ter beschikking van de Officier van Justitie is gekomen, het cassatieberoep ontvankelijk is. 4. Slotsom Het vorenoverwogene brengt mee dat het door de Officier van Justitie ingestelde beroep in behandeling kan worden genomen. De zaak dient - onder aanhouding van iedere verdere beslissing - te worden verwezen naar de rolzitting van de Hoge Raad voor het nemen van een nadere conclusie door de Advocaat-Generaal naar aanleiding van het middel. 5. Beslissing De Hoge Raad: Verklaart de Officier van Justitie ontvankelijk in het cassatieberoep; Verwijst de zaak naar de rolzitting van 28 januari 2003 voor het nemen van een nadere conclusie door de Advocaat-Generaal naar aanleiding van het middel; Houdt iedere verdere beslissing aan. Dit arrest is gewezen door de president W.E. Haak als voorzitter, en de raadsheren F.H. Koster, A.J.A. van Dorst, B.C. de Savornin Lohman en E.J. Numann, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken op 3 december 2002.
ECLI:NL:RH:2003:AF3312
(zie HR 11 maart 2003, ECLI:NL:RH:2003:AF3312).
ECLI:NL:RBSGR:2006:AZ4647
De feiten Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting van 12 december 2006 wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.
AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

Rechtbank den haag Team handel - voorzieningenrechter zaak- / rolnummer: C/09/630616 / KG ZA 22-514 Vonnis in kort geding van 7 juli 2022 in de zaak van [eiser] te [plaats] , eiser, advocaat mr. L.M. Ravestijn te Amsterdam, tegen: de Staat der Nederlanden, het Ministerie van Justitie en Veiligheid, meer speciaal de Minister van Justitie, te Den Haag, gedaagde, advocaat mr. A.Th.M. ten Broeke te Den Haag. Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘ [eiser] ’ en ‘de Staat’. 1De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding met daarbij en nadien overgelegde producties; - de door de Staat overgelegde conclusie van antwoord met producties. 1.2. Op 23 juni 2022 is de mondelinge behandeling gehouden. Hierbij zijn door beide partijen pleitnotities overgelegd. Ter zitting is vonnis bepaald op vandaag.

2De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan. 2.1. Bij verzoek van 29 juni 2020 hebben de Israëlische autoriteiten gevraagd om de uitlevering van [eiser] met het oog op vervolging voor betrokkenheid bij de invoer in Israël van hoeveelheden MDMA in december 2015 en juli 2016 en deelneming aan een criminele organisatie. Drie medeverdachten van [eiser] zijn voor deze feiten in Israël in 2016 en 2017 veroordeeld tot gevangenisstraffen van 24 tot 36 maanden. 2.2. Bij uitspraak van 27 oktober 2021 heeft de rechtbank Amsterdam de uitlevering van [eiser] toegestaan.

In deze uitspraak is, voor zover nu relevant, het verweer van [eiser] ten aanzien van een dreigende flagrante schending van artikel 6 van het Europees Verdrag betreffende de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM), meer in het bijzonder van het recht op berechting binnen een redelijke termijn, gemotiveerd verworpen. 2.3. Bij advies aan de Minister van Justitie en Veiligheid (hierna: de Minister) van 27 oktober 2021 als bedoeld in artikel 30, lid 2, van de Uitleveringswet (hierna: Uw) heeft de rechtbank Amsterdam aandacht gevraagd voor de omstandigheid dat het feit waarvoor uitlevering wordt gevraagd zou hebben plaatsgevonden op Nederlands grondgebied en dat van de zijde van [eiser] vraagtekens zijn geplaatst bij het feit dat [eiser] in Israël wordt vervolgd en niet in Nederland.

De rechtbank geeft aan dat als dat verweer op enig moment nader wordt onderbouwd het mogelijk raakt aan de in artikel 7, eerste lid, van het Europees Verdrag betreffende uitlevering (hierna: EUV) opgenomen bevoegdheid (om uitlevering te weigeren voor een strafbaar feit dat op geheel of deels op het grondgebied van de aangezochte Staat heeft plaatsgevonden). Verder staat in het advies dat zijdens [eiser] is gewezen op zijn gezondheidsproblematiek en dat wanneer dit verweer op enig moment nader wordt onderbouwd, het mogelijk raakt aan de op grond van artikel 10 lid 2 Uw aan de Minister toekomende bevoegdheid (om uitlevering te weigeren als de gevolgen daarvan voor de opgeëiste persoon van bijzondere hardheid zouden zijn in verband met zijn slechte gezondheidstoestand). 2.4. [eiser] heeft tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 27 oktober 2021 beroep in cassatie ingesteld.

Dit cassatieberoep is bij arrest van 5 april 2022 verworpen. De Hoge Raad heeft daarbij als volgt geoordeeld: “2.4 Het oordeel van de rechtbank houdt in dat de omstandigheid dat de opgeëiste persoon sinds 15 of 16 november 2016 in afwachting is geweest van de voortzetting van de strafvervolging door de Israëlische justitiële autoriteiten, niet leidt tot de vaststelling dat er ten aanzien van de opgeëiste persoon sprake is van dreiging van een flagrante inbreuk op artikel 6 lid 1 EVRM. Hierin ligt besloten dat naar het oordeel van de rechtbank dit tijdsverloop, voor zover dat al zou kunnen leiden tot de vaststelling van een schending van het recht op berechting binnen een redelijke termijn, niet met zich brengt dat de opgeëiste persoon wordt blootgesteld aan het risico van een flagrante inbreuk op artikel 6 lid 1 EVRM en/of artikel 14 lid 1 IVBPR, in de zin van “a breach of the principles of a fair trial guaranteed by Article 6 which is so fundamental as to amount to a nullification, or destruction of the very essence, of the right guaranteed by that Article”.

Die oordelen getuigen niet van een onjuiste rechtsopvatting en zijn, ook in het licht van wat namens de opgeëiste persoon naar voren is gebracht, niet onbegrijpelijk. Dat betekent overigens dat de rechtbank ook niet heeft hoeven te beoordelen of de opgeëiste persoon na zijn uitlevering een rechtsmiddel als bedoeld in artikel 13 EVRM respectievelijk artikel 2 lid 3, aanhef en onder a, IVBPR ter beschikking staat.” 2.5. Bij brief van 14 april 2022 heeft de Minister als volgt bericht aan de Israëlische autoriteiten: “(…) In the decision of the district court in Amsterdam of 27 October 2021, the court advised me to alert you of the fact that Mr. [eiser] suffers from diabetes, for which he needs to be continuously monitored.

Additionally, Mr. [eiser] was recently diagnosed with an infection of his middle finger. Due to the infection, his finger had to be amputated. Mr. [eiser] still requires a number of specialist treatments in order to ensure that his remaining fingers will grow straight. Therefore, I would like to request the Israeli authorities to please confirm that Mr. [eiser] will be able to receive medical treatment whilst in detention for the above mentioned medical conditions. (…)” Op deze brief hebben de Israëlische autoriteiten bij brief van 3 mei 2022 gereageerd:

“(…) The State of Israel is obligated to maintain the health of any person under the State’s custody and to provide him of her with any medical treatment necessitated by their condition. This obligation is explicitly stated in Israel Prisons Ordinance (New Version), 5732-1971, which states that any inmate would be entitled to “any medical care required to maintain his health”. Moreover, we forwarded your letter dated April 14, 2022 to the Israeli Prisons Service, which ensured us in response that the IPS is fully capable of providing the necessary treatment for [eiser] ’s medical condition as described in your letter.

“ (…)” 2.6. Bij beschikking van 25 mei 2022 heeft de Minister de uitlevering van [eiser] toegestaan. Voorafgaand aan deze beschikking heeft [eiser] nog een zienswijze ingediend bij de Minister. In de beschikking is de Minister ingegaan op de verweren van [eiser] ten aanzien van een dreigende flagrante schending van de artikelen 6 en 13 EVRM, de gezondheidstoestand van [eiser] en de omstandigheid dat, volgens [eiser] , vervolging in Nederland meer voor de hand zou liggen, hetgeen op grond van artikel 7 lid 1 EUV tot weigering van de uitlevering zou moeten leiden. 3Het geschil 3.1. [eiser] vordert – zakelijk weergegeven, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad – de Staat op straffe van een dwangsom te verbieden de bij beschikking van 25 mei 2022 toegestane uitlevering uit te (doen of laten) voeren, althans de Staat te bevelen al het nodige te doen en te communiceren met de bevoegde instanties om te bewerkstelligen dat [eiser] niet wordt/kan worden uitgeleverd aan Israël, met veroordeling van de Staat in de kosten van de procedure 3.2.

Daartoe voert [eiser] – samengevat – het volgende aan. Door de uitlevering toe te staan en te bewerkstelligen maakt de Minister zich schuldig aan een onrechtmatige (overheids)daad, omdat zij gezien de omstandigheden van het geval en de belangen van [eiser] die door de uitlevering worden geschaad, de uitlevering niet zou moeten toestaan. De Minister heeft in de beschikking van 25 mei 2022 de bezwaren van [eiser] – die hij in zijn zienswijze nogmaals aan de orde heeft gesteld – onvoldoende (gemotiveerd) weerlegd. Die zienswijze dient echter te leiden tot de conclusie dat niet tot uitlevering moet worden overgegaan, omdat (i) sprake is van schending van het beginsel van berechting binnen een redelijke termijn, (ii) de gezondheidstoestand van [eiser] een weigeringsgrond oplevert en (iii) de Minister te makkelijk over de suggestie van de rechtbank is heengestapt om aandacht te geven aan de weigeringsgrond van artikel 7 lid 1 EUV. 3.3.

De Staat voert verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

4De beoordeling van het geschil

Vooraf 4.1. Op grond van de Uitleveringswet (Uw) vindt uitlevering van een opgeëiste persoon plaats nadat die door de uitleveringsrechter toelaatbaar is verklaard en vervolgens door de Minister bij besluit is toegestaan. In verband met de taakverdeling tussen de uitleveringsrechter en de Minister zoals neergelegd in de Uitleveringswet, toetst de uitleveringsrechter bij de beoordeling van de toelaatbaarheid van de uitlevering niet alle aspecten van de uitlevering. Aspecten die volgens die taakverdeling worden beoordeeld door de Minister en daarom bij de toelaatbaarverklaring door de uitleveringsrechter niet aan de orde zijn gekomen, kan de opgeëiste persoon desgewenst betrekken in een vordering bij de burgerlijke rechter die ertoe strekt de uitlevering te verbieden op de grond dat het besluit van de Minister, of de tenuitvoerlegging daarvan, onrechtmatig is tegenover de opgeëiste persoon. 4.2.

Uit de artikelen 8 en 10 Uw volgt dat het oordeel over de vraag of de uitlevering een schending oplevert of tot een schending zal leiden van fundamentele rechten, zoals een inbreuk op het verbod van artikel 3 EVRM, in de taakverdeling tussen de uitleveringsrechter en de Minister is voorbehouden aan de Minister (vgl. HR 15 oktober 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZD0547, NJ 1997, 533). Indien tegen een besluit van de Minister om de uitlevering toe te staan, wordt opgekomen bij de burgerlijke rechter met de stelling dat de uitlevering strijdig is met fundamentele rechten, dient toetsing van die beslissing een volledige te zijn (vgl. HR 15 september 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV7387, NJ 2007, 277). 4.3.

De hiervoor omschreven taakverdeling tussen de uitleveringsrechter en de Minister betekent dat de opgeëiste persoon die bij de Minister aanvoert dat zijn uitlevering een schending van fundamentele rechten oplevert of zal opleveren, het besluit van de Minister ter toetsing kan voorleggen aan de burgerlijke rechter. Beroept de opgeëiste persoon zich op feiten, omstandigheden of bewijsmateriaal waarover de uitleveringsrechter reeds heeft geoordeeld, dan kan aan dat beroep voorbij worden gegaan indien daaraan niet (ook) andere feiten, omstandigheden of bewijsmateriaal ten grondslag worden gelegd.

Hetgeen in de uitleveringsprocedure niet aan de orde is gesteld en in de civiele procedure wel naar voren wordt gebracht, zal door de burgerlijke rechter in de beoordeling moeten worden betrokken. In voorkomend geval kan dit ook ertoe leiden dat in de civiele procedure op grond van deze nieuwe omstandigheden anders moet worden geoordeeld dan in de uitleveringsprocedure (HR 11 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1680, NJ 2016, 14). 4.4. Op de verhouding met Israël is het Europees Uitleveringsverdrag van toepassing, waar zowel Nederland als Israël partij bij zijn.

Van een verdragsrechtelijke verplichting van de Staat tot uitlevering kan slechts worden afgezien indien deze zal leiden tot een schending door de Israëlische autoriteiten van door het EVRM gewaarborgde rechten en vaststaat dat [eiser] in Israël niet een rechtsmiddel als bedoeld in artikel 13 EVRM ten dienste staat ter zake van een dergelijke schending. Bij die beoordeling is van belang dat in de gevallen waarin zowel de verzoekende als de aangezochte Staat is toegetreden tot het EVRM in beginsel moet worden uitgegaan van het vertrouwen dat de verzoekende staat de bepalingen van dit verdrag zal eerbiedigen.

Hoewel Israël niet bij het EVRM is aangesloten zijn, geldt dit uitgangspunt ook ten aanzien van Israël, omdat Israël wel tot het Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke Rechten (hierna: IVBPR) is toegetreden. Schending van beginsel van berechting binnen een redelijke termijn 4.5. [eiser] beroept zich op schending van artikel 6 EVRM en stelt dat zijn recht op berechting binnen een redelijke termijn wordt geschonden als hij wordt uitgeleverd aan Israël en dat er voor hem ook geen beroep op artikel 13 EVRM openstaat. 4.6. Ten aanzien van een beroep op schending van artikel 6 EVRM geldt, zoals ook reeds door de rechtbank Amsterdam is overwogen, dat bij een uitleveringsverzoek dat, zoals hier, is gebaseerd op het EUV in beginsel moet worden uitgegaan van het vertrouwen dat de verzoekende Staat bij de vervolging en bestraffing van de opgeëiste persoon de daarop betrekking hebbende fundamentele rechten welke zijn neergelegd in het EVRM en het IVBPR zal respecteren (zie HIR 8 juli 2003, ECLI:NL:HR:2003:AE5288).

De verdragsrechtelijke verplichting tot uitlevering moet slechts wijken voor de ingevolge artikel 1 EVRM op Nederland rustende verplichting om de rechten van dat verdrag te verzekeren indien (a) blijkt dat de opgeëiste persoon door zijn uitlevering zou worden blootgesteld aan het risico van een flagrante inbreuk op enig hem ingevolge artikel 6, eerste lid, EVRM toekomend recht, en (b) voorts naar aanleiding van een voldoende onderbouwd verweer is komen vast te staan dat hem na zijn uitlevering niet een rechtsmiddel als bedoeld in artikel 13 EVRM ten dienste staat ter zake van die inbreuk. (zie HR 11 maart 2003, ECLI:NL:RH:2003:AF3312).

Uit de rechtspraak van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) volgt dat niet snel wordt aangenomen dat sprake is van blootstelling aan het risico op van een flagrante inbreuk op artikel 6 lid 1 EVRM, dat moet leiden tot ontoelaatbaarverklaring van de gevraagde uitlevering tot strafvervolging, er moet sprake zijn van een “flagrant denial of justice” (EHRM 17 januari 2012, ECLI:CE:ECHR:2012:0117JUD000813909). 4.7. De uitleveringsrechter heeft al in twee instanties (rechtbank Amsterdam en Hoge Raad) geoordeeld over het beroep van [eiser] op artikel 6 EVRM.

Zoals de Staat terecht stelt beroept [eiser] zich in dit kort geding slechts op feiten, omstandigheden of bewijsmateriaal waarover de uitleveringsrechter al, in twee instanties, heeft geoordeeld. [eiser] legt niet (ook) andere feiten, omstandigheden of bewijsmateriaal aan zijn beroep op artikel 6 EVRM ten grondslag. Gelet hierop, gezien het onder 4.3 weergegeven toetsingskader, zal daarom aan het beroep van [eiser] op schending van artikel 6 EVRM voorbij worden gegaan. Gezondheidstoestand / persoonlijke omstandigheden van [eiser] 4.8. De Minister heeft naar aanleiding van het advies van de rechtbank van 27 oktober 2021 de Israëlische autoriteiten gevraagd te bevestigen dat [eiser] de voor zijn situatie benodigde medische zorg zal krijgen na uitlevering.

Dit hebben de Israëlische autoriteiten bevestigd (zie hetgeen onder 2.5 is weergegeven). De Minister heeft in de beschikking van 25 mei 2022 verwezen naar deze nadere informatie van de Israëlische autoriteiten. Voor zover nu relevant staat het volgende vermeld in de beschikking van de Minister over de gezondheidstoestand van [eiser] : “4.12 Naar aanleiding van het advies van de rechtbank en de zienswijze van de raadsvrouw van de opgeëiste persoon heeft de Minister voor het nemen van een zorgvuldige beslissing het noodzakelijk geacht om aan de Israëlische autoriteiten te verzoeken om te bevestigen dat de opgeëiste persoon toegang zal hebben tot de benodigde medische zorg tijdens zijn detentie in Israël.

De Israëlische autoriteiten hebben bij brief van 3 mei 2022 bevestigd dat Israël op grond van haar nationale wetgeving verplicht is om de gezondheid van eenieder die gedetineerd is in stand te houden en hem of haar elke medische behandeling te geven die noodzakelijk is. Daarnaast heeft Israël de garantie gegeven dat de voor de opgeëiste persoon vereiste medische zorg kan worden verleend. 4.13 Israël is een modern en ontwikkeld land. De Minister ziet geen reden om niet te vertrouwen op de gegeven garantie. Er dient van te worden uitgegaan dat de opgeëiste persoon de benodigde zorg zal worden geboden.” 4.9. [eiser] stelt dat hij geen concrete toezegging van de Israëlische autoriteiten heeft gezien of afschrift van de brief waaruit blijkt dat zijn specifieke (medische) situatie met de Israëlische autoriteiten is besproken en dat concrete toezeggingen zijn gedaan.

De vermelding in de beschikking van de Minister acht hij onvoldoende om te (kunnen) concluderen dat in de gezondheidstoestand van [eiser] geen weigeringsgrond tot uitlevering schuilt en volgens hem in de beschikking in zoverre onvoldoende onderbouwd/zorgvuldig. 4.10. De voorzieningenrechter volgt [eiser] niet in dit betoog. De Minister heeft navraag gedaan bij de Israëlische autoriteiten en heeft op grond van concrete toezeggingen – die ingaan op de specifieke situatie van [eiser] – kunnen oordelen dat de gezondheidstoestand van [eiser] geen beletsel voor uitlevering vormt.

De Staat heeft een kopie van de desbetreffende brief van de Israelische autoriteiten van 3 mei 2022 overgelegd bij conclusie van antwoord. [eiser] heeft ook op geen enkele wijze gesteld dat en waarom hij – ondanks deze garantie – in Israël niet de benodigde medische zorg zou (kunnen) krijgen. De gezondheidstoestand van [eiser] staat hiermee niet aan uitlevering in de weg. 4.11. Voor het eerst ter zitting heeft [eiser] nog een beroep gedaan op andere persoonlijke omstandigheden. Zo heeft hij gesteld dat hij samen met zijn ex-partner de zorg over zijn twee kinderen (van 19 en 11 jaar) heeft en dat zij – en specifiek het minderjarige kind – een band met hun vader op moeten kunnen bouwen en behouden.

Daarnaast woont [eiser] al sinds de jaren ’80 in Nederland, verzorgt hij zijn tachtigjarige moeder en wonen zijn vader, broers en zussen ook in Nederland. De enige band die hij nog met Israël heeft is dat hij er geboren is en dat hij er een halfzus heeft. In Nederland heeft [eiser] een stabiel leven en een baan in loondienst. Bij de beoordeling van zijn persoonlijke omstandigheden moet ook worden betrokken dat [eiser] vreest dat de Israëlische autoriteiten zijn uitlevering vooral willen om hem onder druk te kunnen zetten om belastende verklaringen over derden af te leggen.

Hierdoor is voor [eiser] onduidelijk wat er na uitlevering gaat gebeuren en hoe lang dit allemaal zal duren. 4.12. Ten aanzien van al deze persoonlijke omstandigheden geldt dat deze tardief – namelijk voor het eerst ter zitting – zijn aangevoerd en reeds daarom niet tot toewijzing van het gevorderde kunnen leiden. Overigens leidt ook een inhoudelijke beoordeling van de aangevoerde persoonlijke omstandigheden niet tot toewijzing van het gevorderde. De gevolgen voor het persoonlijke leven van [eiser] (namelijk dat de zorg voor zijn kinderen na uitlevering volledig op de moeder van die kinderen terecht zal komen, dat [eiser] minder contact met zijn kinderen en familie zal hebben en dat hij terecht komt in Israël, met welk land hij nog maar een zeer beperkte band heeft) zijn inherent aan uitlevering en niet van dien aard dat deze aan de uitlevering in de weg staan.

Zoals de Staat hierover terecht stelt wordt de door de uitlevering veroorzaakte inbreuk op het recht op gezinsleven van artikel 8 EVRM gerechtvaardigd door de verdenking van strafbare feiten en de uitleveringsverplichting die op Nederland rust. De inbreuk op het gezinsleven is op grond van de stellingen van [eiser] niet als disproportioneel aan te merken. De stelling van [eiser] over zijn vrees dat uitlevering voor een ander doel wordt gevraagd is op geen enkele wijze geconcretiseerd en blijkt verder nergens uit. Ook die stelling staat derhalve niet aan de uitlevering in de weg.

Weigeringsgrond van artikel 7 lid 1 EUV 4.13. Op grond van artikel 7 lid 1 EUV kán een uitlevering worden geweigerd voor een strafbaar feit dat geheel of ten dele in Nederland is gepleegd. Dit betreft een zogenaamde facultatieve weigeringsgrond. De rechtbank Amsterdam heeft in het advies van 27 oktober 2022 aandacht besteed aan deze mogelijkheid. De Minister heeft in de beschikking van 25 mei 2022 overwogen dat zij geen gebruik zal maken van de bevoegdheid om uitlevering te weigeren. Daartoe heeft zij als volgt overwogen: “4.15 De Minister zal geen gebruik maken van de facultatieve weigeringsgrond van artikel 7, eerste lid, EUV.

Die beslissing wordt als volgt toegelicht. Ten eerste geldt dat de Israëlische autoriteiten ervoor hebben gekozen om uitlevering van de opgeëiste persoon te verzoeken en niet, bijvoorbeeld, overdracht van strafvervolging hebben voorgesteld. Dat betekent dat Israël meent sterkere aanspraken op vervolging te hebben dan Nederland. Die beoordeling dient, mede gelet op de uitleveringsverplichting van artikel 1 EUV, te worden gerespecteerd. 4.16 Ten tweede geldt dat de beslissing om geen gebruik te maken van de facultatieve weigeringsgrond van artikel 7, eerste lid, EUV uit hoofde van de goede rechtsbedeling geen evident onredelijke of onbegrijpelijke beslissing is (Vzr. rechtbank 's-Gravenhage 19 december 2006, ECLI:NL:RBSGR:2006:AZ4647, r.o. 3.3). 4.17 Ten derde heeft het OM gemotiveerd af te zien van vervolging van de opgeëiste persoon in Nederland.

Uit het uitleveringsverzoek van Israël blijkt dat het strafrechtelijk onderzoek sinds 2016 in Israël loopt. De bewijsmiddelen bevinden zich derhalve ook grotendeels in Israël en de medeverdachten worden daar vervolgd. Verder wijst de Minister erop dat de verdovende middelen bestemd waren voor de Israëlische markt. Er zijn om die redenen voldoende aanknopingspunten voor de Israëlische autoriteiten om deze vervolging in te stellen, naast het feit dat zij ook rechtsmacht hebben.” 4.14. Volgens [eiser] is de Minister te makkelijk over de suggestie van de rechtbank Amsterdam heengestapt om aandacht te geven aan de weigeringsgrond van artikel 7 lid 1 EUV.

Er wordt zonder meer aangenomen dat Israël sterkere aanspraken op vervolging heeft, terwijl aldaar allerminst voortvarend met de zaak is omgegaan. Verder stelt [eiser] dat het Openbaar Ministerie (hierna: OM) zich te lijdelijk opstelt en geen eigen onderzoek heeft gedaan naar de mogelijkheden van vervolging in Nederland. Het OM leidt alleen uit het handelen van Israël af dat vervolging in Nederland niet opportuun zou zijn en dat Israël betere / sterkere aanspraken op vervolging zou hebben. Voor het eerst ter zitting heeft [eiser] aan deze stellingen nog toegevoegd dat er in Nederland een groot onderzoek is geweest naar het handelen van [eiser] en dat dit onderzoek ook gericht is geweest op het binnen of buiten Nederland brengen van verdovende middelen – dat is ook waar het onderzoek in Israël over gaat.

Dat het onderzoek in Israël is aangevangen en dat de bewijsmiddelen zich (grotendeels) daar bevinden, wordt dus tegengesproken door het uitgebreide onderzoek van het OM. [eiser] is in Nederland ook al vervolgd voor de feiten waarvoor hij nu uitgeleverd zou moeten worden aan Israël. Weliswaar is [eiser] alleen gedagvaard en veroordeeld voor het in bezit hebben van middelen in strijd met de Opiumwet en niet voor het binnen of buiten Nederland brengen daarvan – en is dus volgens [eiser] geen sprake van schending van het beginsel van ne bis in idem –, maar die handel was in eerste instantie wel ook de verdenking en daarop is ook gerechercheerd in Nederland. 4.15.

Ook deze stellingen baten [eiser] niet. Artikel 7 lid 1 EUV betreft een facultatieve weigeringsgrond en laat aan de Minister een eigen beoordelingsvrijheid om op deze grond wel of niet de uitlevering te weigeren. Bij die beoordeling komt de Minister een grote mate van vrijheid toe en de beslissing van de Minister kan door de voorzieningenrechter op dit punt slechts marginaal getoetst worden. De vraag is of de Minister bij de afweging van de betrokken belangen in redelijkheid tot dit besluit kon komen. Dat is het geval. [eiser] wordt verdacht van betrokkenheid bij de invoer in Israël van hoeveelheden MDMA.

Er is in Israël al een strafrechtelijk onderzoek geweest, zijn medeverdachten zijn al veroordeeld in Israël en de nadelige gevolgen van het strafbare feit waarvan [eiser] wordt verdacht zijn het meest voelbaar in de Israëlische maatschappij. Gelet op dit alles is de beslissing uit hoofde van een goede rechtsbedeling niet evident onredelijk of onbegrijpelijk. 4.16. Dit wordt niet anders door de stellingen van [eiser] dat ook het OM onderzoek heeft verricht naar de strafbare feiten waarvan hij nu wordt verdacht. De Staat betwist dat het Nederlandse onderzoek dezelfde feiten betreft en [eiser] heeft zijn stelling op dit punt niet voldoende onderbouwd.

Wat daar verder ook van zij, vaststaat dat [eiser] voor de strafbare feiten waarvan hij door Israël wordt verdacht, niet is gedagvaard en de stellingen van [eiser] zijn onvoldoende om aan te nemen dat een situatie als bedoeld in artikel 9 lid 1, tweede volzin, EUV aan de orde is (hetgeen overigens ook slechts een facultatieve weigeringsgrond op zou leveren). Bij die stand van zaken staat het de Israëlische autoriteiten vrij [eiser] (alsnog) te vervolgen en de beslissing van de Minister om in verband daarmee aan uitlevering mee te werken en geen gebruik te maken van de bevoegdheid van artikel 7 lid 1 EUV is niet als evident onrechtmatig aan te merken. 4.17.

Volledigheidshalve merkt de voorzieningenrechter nog op dat begrijpelijk is dat [eiser] gezien zijn persoonlijke situatie er de voorkeur aan geeft dat hij in Nederland wordt vervolgd. Dat maakt echter niet dat het onredelijk is dat de Minister geen gebruik heeft gemaakt van de facultatieve weigeringsgrond van artikel 7 lid 1 EUV. Het is immers niet aan een verdachte om te bepalen voor welke rechter hij komt te staan en de persoonlijke omstandigheden waar [eiser] in dit kort geding aandacht voor heeft gevraagd zijn niet van dien aard dat de Minister in redelijkheid niet tot de beslissing heeft kunnen komen.

Slotsom en proceskosten 4.18. Slotsom is dat de vordering van [eiser] zal worden afgewezen. [eiser] zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van dit geding.

5De beslissing

De voorzieningenrechter: 5.1. wijst het gevorderde af; 5.2. veroordeelt [eiser] in de kosten van dit geding, tot dusverre aan de zijde van de Staat begroot op € 1.692,--, waarvan € 1.016,-- aan salaris advocaat en € 676,-- aan griffierecht; 5.3. verklaart dit vonnis voor wat betreft deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad. Dit vonnis is gewezen door mr. T.F. Hesselink en in het openbaar uitgesproken op 7 juli 2022. idt