Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RBDHA:2022:6445 ECLI:NL:RBDHA:2022:6445 AI generated

ECLI:NL:RBDHA:2022:6445 · Rechtbank Den Haag

Case Number ECLI:NL:RBDHA:2022:6445
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: NL21.13003 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiseres], eiseres, v-nummer: [V-nummer] (gemachtigde: mr. P.C.M. van Schijndel), en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. Ch. Wesenbeek). Procesverloop Bij besluit van 8 maart 2022 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen als ongegrond. Verweerder heeft eiseres wel een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd verleend voor verblijf bij haar zoon.

Legislator headnote

AI generated

artikel 64 van de Vw 2000, artikel 3 van het EVRM, artikel 8 van het EVRM; ECLI:NL:RBDHA:2022:6445 · Rechtbank Den Haag: Bij besluit van 8 augustus 2021 heeft verweerder de asielaanvraag afgewezen als ongegrond. Verweerder vindt het geloofwaardig dat eiseres is bedreigd en verwaarloosd door haar neef, maar vindt dit onvoldoende om haar een verblijfsvergunning asiel te verlenen. Verweerder ziet ook geen aanleiding eiseres een verblijfsvergunning regulier te verlenen. Wel heeft verweerder eiseres uitstel van vertrek verleend in afwachting van een besluit op de ambtshalve toetsing aan artikel 64 van de Vw 2000.

Keywords

AI generated
deportation despite health issues Nigerian asylum application medical care requirements visas, asylum, immigration, etc unfit notwithstanding health condition reapplication for disability benefits

Cited Legislation

AI generated
artikel 64 van de Vw 2000
Wel heeft verweerder eiseres uitstel van vertrek verleend in afwachting van een besluit op de ambtshalve toetsing aan artikel 64 van de Vw 2000.
artikel 3 van het EVRM
Dit maakt volgens verweerder dat er sprake is van een reëel risico op schending van artikel 3 van het EVRM om medische redenen.
artikel 8 van het EVRM

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:RVS:2018:3582
201803608/1/V2. Datum uitspraak: 2 november 2018 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: [de vreemdeling], appellant, tegen de mondelinge uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, van 29 maart 2018 in zaak nr. NL17.9892 in het geding tussen: de vreemdeling en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Procesverloop Bij besluit van 1 september 2017 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen en hem ambtshalve een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd verleend.
ECLI:NL:RVS:2019:30
201801456/1/V1. Datum uitspraak: 7 januari 2019 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 14 februari 2018 in zaken nrs. NL18.1116 en NL18.1118 in het geding tussen: [de vreemdelingen], mede voor hun minderjarige kinderen, en de staatssecretaris. Procesverloop Bij onderscheiden besluiten van 10 januari 2018 heeft de staatssecretaris, voor zover thans van belang, aanvragen van de vreemdelingen om hun een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet-ontvankelijk verklaard.
ECLI:NL:RVS:2020:2397
202001257/1/V3. Datum uitspraak: 8 oktober 2020 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, appellant, tegen de tussenuitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem, van 13 december 2019 en haar uitspraak van 24 januari 2020 in zaak nr. NL18.22650 in het geding tussen: [de vreemdeling] en de staatssecretaris. Procesverloop Bij besluit van 15 januari 2019 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen en ambtshalve geweigerd hem krachtens artikel 64 van de Vw 2000 uitstel van vertrek te verlenen.
AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: NL21.13003 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiseres], eiseres, v-nummer: [V-nummer] (gemachtigde: mr. P.C.M. van Schijndel), en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. Ch. Wesenbeek). Procesverloop Bij besluit van 8 maart 2022 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen als ongegrond. Verweerder heeft eiseres wel een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd verleend voor verblijf bij haar zoon.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. De rechtbank heeft het beroep op 19 april 2022 op zitting behandeld. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden. Overwegingen Waar gaat deze zaak over? 1. Eiseres is geboren op [geboortedag] 1939 en bezit de Venezolaanse nationaliteit. Zij heeft op 10 december 2019 een asielaanvraag ingediend. Daaraan heeft zij ten grondslag gelegd dat zij diverse medische klachten heeft en er in het verleden meerdere malen misbruik van haar is gemaakt door personen die haar verzorgden.

Zo is zij bedreigd en verwaarloosd door haar neef.

2. Bij besluit van 8 augustus 2021 heeft verweerder de asielaanvraag afgewezen als ongegrond. Verweerder vindt het geloofwaardig dat eiseres is bedreigd en verwaarloosd door haar neef, maar vindt dit onvoldoende om haar een verblijfsvergunning asiel te verlenen. Verweerder ziet ook geen aanleiding eiseres een verblijfsvergunning regulier te verlenen. Wel heeft verweerder eiseres uitstel van vertrek verleend in afwachting van een besluit op de ambtshalve toetsing aan artikel 64 van de Vw 2000.

3. Bij besluit van 5 november 2021 heeft verweerder eiseres uitstel van vertrek verleend voor een jaar, geldig van 19 oktober 2021 tot 19 oktober 2022. Uit het BMA-advies volgt dat het de verwachting is dat eiseres bij het uitblijven van de medische behandeling op korte termijn in een medische noodsituatie terecht komt en dat informatie over de beschikbaarheid van de medische behandeling in Venezuela niet beschikbaar is. Dit maakt volgens verweerder dat er sprake is van een reëel risico op schending van artikel 3 van het EVRM om medische redenen.

4. Verweerder heeft met het bestreden besluit naar aanleiding van het uitstel van vertrek het besluit van 8 augustus 2021 ingetrokken, de asielaanvraag opnieuw afgewezen als ongegrond, maar eiseres wel een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd verleend voor verblijf bij haar zoon op grond van artikel 8 van het EVRM, geldig van 10 december 2019 tot 10 december 2024. Waarom is eiseres het niet eens met verweerder? 5. Eiseres betoogt in beroep dat haar ten onrechte geen verblijfsvergunning asiel is verleend. Zij stelt dat gedwongen terugkeer een schending oplevert van artikel 3 van het EVRM, vanwege haar ziektebeeld – o.m.

Parkinson met dementie – en het verloop daarvan, in combinatie met het feit dat de medische behandeling in Venezuela niet beschikbaar is. Daar komt bij dat zij sterk afhankelijk is van derden, zodat het risico op uitbuiting bij terugkeer reëel is. Wat is het oordeel van de rechtbank? 6. De rechtbank stelt voorop dat uit rechtspraak van de hoogste bestuursrechter volgt dat eiseres kan doorprocederen over de weigering om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, terwijl haar wel een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd is verleend.

7. Verweerder stelt in het geval van eiseres terecht dat er geen grond bestaat om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen. Hoewel uitzetting in verband met de medische toestand van een vreemdeling onder uitzonderlijke omstandigheden kan leiden tot een schending van artikel 3 van het EVRM, volgt uit rechtspraak van de hoogste bestuursrechter dat de vreemdeling daarmee niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Verweerder heeft dit in het geval van eiseres terecht beoordeeld in de ambtshalve toetsing of artikel 64 van de Vw 2000 van toepassing is.Voor zover eiseres stelt dat zij vanwege haar afhankelijkheidsrelatie bij terugkeer een reëel risico op uitbuiting loopt, is dit ondervangen doordat verweerder haar uitstel van vertrek heeft verleend en uiteindelijk aanleiding heeft gezien om haar een verblijfsvergunning regulier te verlenen op grond van artikel 8 van het EVRM vanwege haar afhankelijkheidsrelatie met haar zoon.

Wat is de conclusie? 8. Het beroep is ongegrond. Verweerder hoeft eiseres geen proceskosten te vergoeden. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. M van Nooijen, rechter, in aanwezigheid van mr. R. Kroes, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van bekendmaking. Zie artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (de Vw 2000).

Het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 2 november 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:3582, r.o. 2.2). Zie de uitspraken van de Afdeling van 7 januari 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:30, r.o. 4.1.) en 8 oktober 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:2397, r.o. 3.2).