Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RBDHA:2022:6397 ECLI:NL:RBDHA:2022:6397 AI generated

ECLI:NL:RBDHA:2022:6397 · Rechtbank Den Haag

Case Number ECLI:NL:RBDHA:2022:6397
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Middelburg Bestuursrecht Zaaknummer: NL22.5209 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [naam], eiser V-nummer: [nummer] (gemachtigde: mr. M.P.J.W.M. Govers), en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: D. Vos). Procesverloop Eiser heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn asielaanvraag. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. De rechtbank heeft het voornemen geuit om uitspraak te doen zonder een zitting te houden. Verweerder heeft hierop instemmend gereageerd.

Legislator headnote

AI generated

artikel 8:55c van de Awb; ECLI:NL:RBDHA:2022:6397 · Rechtbank Den Haag: Een procesbelang kan nog wel zijn gelegen in eisers verzoek om vast te stellen hoeveel bestuurlijke dwangsommen er verbeurd zijn. Partijen zijn verdeeld over de vraag of een dergelijke vaststelling mogelijk is. In het verweerder wijst verweerder erop dat artikel 8:55c van de Awb, op grond waarvan de bestuursrechter op verzoek de verbeurde bestuurlijke dwangsommen kan vaststellen, door artikel 1 van de Tijdelijke wet opschorting dwangsommen IND (Tijdelijke wet) buiten toepassing is verklaard. Eiser wijst er echter op dat dit gedeelte van de Tijdelijke wet onverbindend is verklaard in de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, van 22 april 2022.

Keywords

AI generated
postponement of trial delayed asylum application stay of proceedings inactivity after procedural stay stay of execution of sentence asylum for Iranian Kurds

Cited Legislation

AI generated
artikel 8:55c van de Awb
In het verweerder wijst verweerder erop dat artikel 8:55c van de Awb, op grond waarvan de bestuursrechter op verzoek de verbeurde bestuurlijke dwangsommen kan vaststellen, door artikel 1 van de Tijdelijke wet opschorting dwangsommen IND (Tijdelijke wet) buiten toepassing is verklaard.

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:RBDHA:2022:3776
RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats 's-Hertogenbosch Bestuursrecht zaaknummer: NL21.11403 uitspraak van de meervoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , eiser V-nummer: [nummer] (gemachtigde: mr.
ECLI:NL:RBDHA:2022:3930
RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Middelburg Bestuursrecht zaaknummer: NL22.2689 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [Naam], eiser V-nummer: [Nummer] (gemachtigde: mr.
ECLI:NL:RBGEL:2022:1485
Rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem, 24 maart 2022, ECLI:NL:RBGEL:2022:1485.
ECLI:NL:RBDHA:2021:402
RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Rotterdam Bestuursrecht zaaknummer: NL20.18788 uitspraak van de enkelvoudige kamer als bedoeld in artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht in de zaak tussen [naam eiser] , eiser, V-nummer: [V-nummer] (gemachtigde: mr. A.M.J.M. Louwerse), en de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder. Procesverloop Op 25 oktober 2020 heeft eiser beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn aanvraag van 23 januari 2020 tot verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
ECLI:NL:RVS:2021:2068
202004976/1/R3. Datum uitspraak: 15 september 2021 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellant A] en [appellant B] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant]), beiden wonend te Dordrecht, appellanten, tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 28 juli 2020 in zaak nr. 17/3711 in het geding tussen: [appellant] en het college van burgemeester en wethouders van Dordrecht. Procesverloop Bij besluit van 9 september 2016 heeft het college een omgevingsvergunning verleend aan Huis Roodenburch B.V. voor het gebruiken van de tuin ten behoeve van een terras, het plaatsen van tuinmeubilair en het uitvoeren van (grond)werkzaamheden aan de Wijnstraat 153 in Dordrecht.
ECLI:NL:RVS:2015:1753
201408391/1/A3. Datum uitspraak: 3 juni 2015 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellant], wonend te [woonplaats], tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 2 september 2014 in zaak nr. 13/2736 in het geding tussen: [appellant] en de minister van Veiligheid en Justitie. Procesverloop Bij besluit van 25 april 2013 heeft de minister een verzoek van [appellant] om informatie op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: Wob) ingewilligd. Bij besluit van 3 december 2013 heeft de minister het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.
AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Middelburg Bestuursrecht Zaaknummer: NL22.5209 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [naam], eiser V-nummer: [nummer] (gemachtigde: mr. M.P.J.W.M. Govers), en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: D. Vos). Procesverloop Eiser heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn asielaanvraag. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. De rechtbank heeft het voornemen geuit om uitspraak te doen zonder een zitting te houden. Verweerder heeft hierop instemmend gereageerd.

Eiser heeft niet binnen de daartoe gestelde termijn gereageerd. Bij besluit van 22 juni 2022 heeft verweerder eisers asielaanvraag ingewilligd. De rechtbank doet uitspraak zonder zitting op grond van artikel 8:57, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Overwegingen 1. Voor zover het beroep is gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit op de asielaanvraag van eiser, dient te worden vastgesteld dat inmiddels alsnog een besluit op die aanvraag is genomen zodat eiser om die reden in zoverre geen procesbelang meer heeft bij dit beroep.

2. Een procesbelang kan nog wel zijn gelegen in eisers verzoek om vast te stellen hoeveel bestuurlijke dwangsommen er verbeurd zijn. Partijen zijn verdeeld over de vraag of een dergelijke vaststelling mogelijk is. In het verweerder wijst verweerder erop dat artikel 8:55c van de Awb, op grond waarvan de bestuursrechter op verzoek de verbeurde bestuurlijke dwangsommen kan vaststellen, door artikel 1 van de Tijdelijke wet opschorting dwangsommen IND (Tijdelijke wet) buiten toepassing is verklaard. Eiser wijst er echter op dat dit gedeelte van de Tijdelijke wet onverbindend is verklaard in de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, van 22 april 2022.

3. Deze rechtbank en zittingsplaats volgt het oordeel in de door eiser aangehaalde uitspraak niet. Voor zover die uitspraak is gebaseerd op het Unierechtelijk gelijkwaardigheidsbeginsel is deze rechtbank en zittingsplaats in navolging van zittingsplaats Arnhem van oordeel dat een dergelijk beroep niet kan slagen omdat de asielprocedure diverse wezenlijke verschillen kent ten opzichte van andere procedures. Voor zover die uitspraak is gebaseerd op het recht op een daadwerkelijk en effectief rechtsmiddel is deze rechtbank en zittingsplaats in navolging van zittingsplaats Rotterdam van oordeel dat dit beroep niet kan slagen omdat met een beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit op een asielaanvraag geen Unierecht ten uitvoer wordt gebracht. Deze rechtbank en zittingsplaats is dan ook van oordeel dat de Tijdelijke wet niet (deels) onverbindend is, zodat niet kan worden overgegaan tot het vaststellen van de verbeurde bestuurlijke dwangsommen. Dit levert dan ook niet alsnog procesbelang op, zodat het beroep niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.

4. De rechtbank ziet aanleiding om verweerder te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. Ook wanneer een beroep niet-ontvankelijk wordt verklaard, bestaat daartoe de mogelijkheid. Dat is in het bijzonder het geval als het bestuursorgaan aan de indiener van het beroep is tegemoetgekomen. Dit volgt uit vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling), bijvoorbeeld de uitspraak van 15 september 2021. Uit de jurisprudentie van de Afdeling volgt verder dat sprake is van tegemoetkomen in situaties als die van eiser waarin hangende een beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit alsnog een besluit wordt genomen, bijvoorbeeld de uitspraak van 3 juni 2015.

Deze kosten worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 379,50 bestaande uit een punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 759,- en vermenigvuldigd met wegingsfactor 0,5 (licht). De rechtbank is van oordeel dat de wegingsfactor ‘licht’ van toepassing is aangezien het beroep alleen ziet op het niet tijdig nemen van een besluit. Beslissing De rechtbank:  verklaart het beroep niet-ontvankelijk;  veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 379,50 (driehonderdnegenenzeventig euro en vijftig cent).

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.F.I. Sinack, rechter, in aanwezigheid van mr. A.S. Hamans, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. De uitspraak is bekendgemaakt op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van bekendmaking. ECLI:NL:RBDHA:2022:3776. Aldus ook de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 22 april 2022, ECLI:NL:RBDHA:2022:3930. Zoals onder meer uiteengezet in het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 16 december 1976 (Rewe), ECLI:EU:C:1976:188.

Rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem, 24 maart 2022, ECLI:NL:RBGEL:2022:1485. Zoals onder meer neergelegd in artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. Rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam, 22 januari 2021, ECLI:NL:RBDHA:2021:402. ECLI:NL:RVS:2021:2068. ECLI:NL:RVS:2015:1753.