Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RBDHA:2022:6318 ECLI:NL:RBDHA:2022:6318 AI generated

ECLI:NL:RBDHA:2022:6318 · Rechtbank Den Haag

Case Number ECLI:NL:RBDHA:2022:6318
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

Rechtbank Den Haag Bestuursrecht zaaknummer: SGR 22/3372 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 1 juli 2022 in de zaak tussen [eiser], te [woonplaats] (Frankrijk), eiser, en Autoriteit Persoonsgegevens, verweerder. Procesverloop Bij uitspraak van 1 november 2021 (zaaknummer: SGR 21/2081) heeft deze rechtbank het beroep voor zover het betrekking heeft op het besluit van 25 maart 2021 doorverwezen naar verweerder ter behandeling als bezwaar. Bij brief van 1 juni 2022 heeft eiser bij de rechtbank beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit door verweerder op voornoemd bezwaar.

Legislator headnote

AI generated

artikel 4:17 van de Awb, artikel 8:54 van de Awb, artikel 8:55c van de Awb, artikel 8:55 van de Awb; ECLI:NL:RBDHA:2022:6318 · Rechtbank Den Haag: Verweerder heeft in zijn brief van 16 juni 2022 meegedeeld dat vanwege de termijnoverschrijding een volledige dwangsom op grond van artikel 4:17 van de Awb is verbeurd.

Keywords

AI generated
excessive procedural duration compliance with time-limits waiting period cooling-off period duration of the infringement undue delay in asylum

Cited Legislation

AI generated
artikel 4:17 van de Awb
Verweerder heeft in zijn brief van 16 juni 2022 meegedeeld dat vanwege de termijnoverschrijding een volledige dwangsom op grond van artikel 4:17 van de Awb is verbeurd.
artikel 8:54 van de Awb
De rechtbank acht geen onderzoek ter zitting noodzakelijk en zal met toepassing van artikel 8:54 van de Awb het beroep kennelijk gegrond verklaren.
artikel 8:55c van de Awb
Nu de rechtbank niet is gebleken dat verweerder een besluit heeft genomen over de hoogte van de dwangsom zal de rechtbank op grond van artikel 8:55c van de Awb alsnog de hoogte van de dwangsom vaststellen.
artikel 8:55 van de Awb
griffier rechter Afschrift verzonden op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na verzending daarvan verzet worden gedaan bij de rechtbank (artikel 8:55 van de Awb).
AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

Rechtbank Den Haag Bestuursrecht zaaknummer: SGR 22/3372 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 1 juli 2022 in de zaak tussen [eiser], te [woonplaats] (Frankrijk), eiser, en Autoriteit Persoonsgegevens, verweerder. Procesverloop Bij uitspraak van 1 november 2021 (zaaknummer: SGR 21/2081) heeft deze rechtbank het beroep voor zover het betrekking heeft op het besluit van 25 maart 2021 doorverwezen naar verweerder ter behandeling als bezwaar. Bij brief van 1 juni 2022 heeft eiser bij de rechtbank beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit door verweerder op voornoemd bezwaar.

Bij brief van 3 juni 2022 heeft de rechtbank verweerder, onder andere, verzocht, binnen twee weken na de dagtekening van de brief, mede te delen of de termijn waarbinnen in deze procedure een besluit moet worden genomen is verstreken. Hierop heeft verweerder bij brief van 16 juni 2022 gereageerd. Overwegingen 1. Op grond van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de rechtbank, totdat partijen zijn uitgenodigd om op een zitting te verschijnen, het onderzoek sluiten indien voortzetting van het onderzoek niet nodig is, omdat zij kennelijk onbevoegd is dan wel het beroep kennelijk niet-ontvankelijk, kennelijk ongegrond of kennelijk gegrond is.

2. Op grond van artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Awb wordt voor de toepassing van wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep, het niet tijdig nemen van een besluit met een besluit gelijkgesteld. Tegen het niet tijdig beslissen staat dan ook beroep bij de rechtbank open.

3. Op grond van artikel 6:12, eerste lid, van de Awb is het beroep gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit niet aan een termijn gebonden. Op grond van het tweede lid van dit artikel, kan het beroepschrift worden ingediend zodra: a. het bestuursorgaan in gebreke is tijdig een besluit te nemen, en b. twee weken zijn verstreken na de dag waarop belanghebbende het bestuursorgaan schriftelijk heeft medegedeeld dat het in gebreke is.

4. Tussen partijen is niet in geschil dat de beslistermijn is overschreden. Bij brief van 8 april 2022 is verweerder in gebreke gesteld. Eiseres heeft meer dan twee weken later beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn bezwaar.

5. Verweerder heeft in zijn brief van 16 juni 2022 meegedeeld dat vanwege de termijnoverschrijding een volledige dwangsom op grond van artikel 4:17 van de Awb is verbeurd.

6. Gelet op het vorenstaande is het beroep ontvankelijk en is sprake van overschrijding van de beslistermijn. De rechtbank acht geen onderzoek ter zitting noodzakelijk en zal met toepassing van artikel 8:54 van de Awb het beroep kennelijk gegrond verklaren.

7. Gelet op het bepaalde in artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb zal de rechtbank verweerder opdragen binnen een termijn van twee weken na verzending van deze uitspraak alsnog een besluit op het bezwaar te nemen.

8. De rechtbank bepaalt voorts met toepassing van artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb dat verweerder een dwangsom van € 100,- verbeurt voor elke dag waarmee de hiervoor genoemde termijn wordt overschreden, met een maximum van € 15.000,-.

9. In artikel 4:17, eerste lid, van de Awb is bepaald dat indien een beslissing op bezwaar niet tijdig wordt gegeven, het bestuursorgaan een dwangsom verbeurt voor elke dag dat hij in gebreke is, doch voor ten hoogste 42 dagen.

10. Nu de rechtbank niet is gebleken dat verweerder een besluit heeft genomen over de hoogte van de dwangsom zal de rechtbank op grond van artikel 8:55c van de Awb alsnog de hoogte van de dwangsom vaststellen. De rechtbank gaat ervan uit dat verweerder de ingebrekestelling op 8 april 2022 heeft ontvangen. De hierin gestelde termijn van twee weken heeft daarmee gelopen tot en met 22 april 2022. De rechtbank stelt dan ook vast dat een dwangsom over 42 dagen is verbeurd. Gezien het bepaalde in artikel 4:17, tweede lid, van de Awb bedraagt de hoogte van de verbeurde dwangsom € 1.442,-.

11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

12. Uit de gegrondverklaring volgt dat verweerder het betaalde griffierecht van € 184,- aan eiser dient te vergoeden. Beslissing De rechtbank: verklaart het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit op het bezwaar gegrond; vernietigt het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit; draagt verweerder op, binnen twee weken na de dag van verzending van deze uitspraak, alsnog een besluit te nemen op het bezwaar van eiser; bepaalt dat verweerder aan eiser een dwangsom van € 100,- verbeurt voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-; - draagt verweerder op het door eiser betaalde griffierecht van € 184,- te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Biever, rechter, in aanwezigheid van F.J. Leegstraten, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 1 juli 2022. griffier rechter Afschrift verzonden op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na verzending daarvan verzet worden gedaan bij de rechtbank (artikel 8:55 van de Awb). De indiener van het verzetschrift kan daarbij aan de rechtbank verzoeken omtrent het verzet te worden gehoord.