Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RBDHA:2022:5928 ECLI:NL:RBDHA:2022:5928 AI generated

ECLI:NL:RBDHA:2022:5928 · Rechtbank Den Haag

Case Number ECLI:NL:RBDHA:2022:5928
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: SGR 21/7303 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 juni 2022 in de zaak tussen [eiser] , uit [woonplaats] , eiser (gemachtigde: mr. T.J.W. Stals), en de korpschef van politie, verweerder (gemachtigde: mr. L. Lammers). Procesverloop Bij besluit van 21 mei 2021 (het primaire besluit) heeft verweerder aan eiser periodieken Onvermijdelijk Verzwarende Werkomstandigheden (OVW) toegekend en nabetaald vanaf augustus 2020. Bij besluit van 7 oktober 2021 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Legislator headnote

AI generated

ECLI:NL:RBDHA:2022:5928 · Rechtbank Den Haag: Eisers bezwaar strekt ertoe dat hij verzoekt aan verweerder om terug te komen van het aanstellingsbesluit. De rechtbank oordeelt dat verweerder een dergelijk herzieningsverzoek onder verwijzing naar artikel 4:6, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht heeft kunnen afwijzen, omdat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn.

Keywords

AI generated
military service status of intelligence operative pre-service medical impairment war victim defence and military matters waiver of wage claims

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:CRVB:2020:1961
19139 AW, 19/142 AW, 19/143 AW Datum uitspraak: 20 augustus 2020 Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 29 november 2018, 18/1699, 18/1713 en 18/1714 (aangevallen uitspraak) Partijen: [Appellant 1] te [woonplaats 1] (appellant 1) [appellante 2] te [woonplaats 2] (appellante 2) [appellante 3] te [woonplaats 3] (appellante 3) de korpschef van politie (korpschef) PROCESVERLOOP Namens appellanten heeft mr. D.C. Coppens, advocaat, hoger beroep ingesteld. De korpschef heeft een verweerschrift ingediend.
ECLI:NL:CRVB:2019:4206
18 262 PW Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Datum uitspraak: 17 december 2019 Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 30 november 2017, 17/4267 (aangevallen uitspraak) Partijen: [Appellante] te [woonplaats] (appellante) het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college) PROCESVERLOOP Namens appellante heeft mr. S. Mathoerapersad, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend. Appellante heeft nadere stukken ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 november 2019.
ECLI:NL:RBDHA:2022:1854
RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: SGR 21/4767 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 maart 2022 in de zaak tussen [eiseres] , te [woonplaats] , eiseres, en de korpschef van politie, verweerder (gemachtigden: L. Lammers en mr. R.M. Arts). Procesverloop Bij besluit van 19 maart 2021 (het primaire besluit) heeft verweerder het verzoek van eiseres tot herziening van het besluit van 16 december 2014 afgewezen en is het verzoek duuraanspraak per datum aanvraag toegekend. Bij besluit van 4 juni 2021 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.
ECLI:NL:RBOVE:2022:1300
RECHTBANK OVERIJSSEL Zittingsplaats Zwolle Bestuursrecht zaaknummer: ZWO 21/1072 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres en de korpschef van politie, verweerder.
AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: SGR 21/7303 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 juni 2022 in de zaak tussen [eiser] , uit [woonplaats] , eiser (gemachtigde: mr. T.J.W. Stals), en de korpschef van politie, verweerder (gemachtigde: mr. L. Lammers). Procesverloop Bij besluit van 21 mei 2021 (het primaire besluit) heeft verweerder aan eiser periodieken Onvermijdelijk Verzwarende Werkomstandigheden (OVW) toegekend en nabetaald vanaf augustus 2020. Bij besluit van 7 oktober 2021 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. De rechtbank heeft het beroep op 1 juni 2022 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder. Overwegingen Waar gaat deze zaak over? 1. Op 16 december 2014 heeft verweerder een besluit genomen over de eventuele aanspraak op OVW-periodieken en de nabetaling daarvan als gevolg van de overgang naar het Landelijk Functiegebouw Nederlandse Politie (LFNP) per 1 januari 2012 (hierna: het aanspraakbesluit).

2. In de uitspraak van 20 augustus 2020 heeft de hoogste bestuursrechter overwogen dat een Medewerker Intelligence en de Generalist Intelligence via de ter dienste staande communicatiemiddelen – beeldscherm/computer – worden geconfronteerd met menselijk leed, waardoor aan deze functies ten onrechte minder dan 24 OVW-punten zijn toegekend. Een functie met 24 of meer punten wordt binnen de politie CAO bestempeld als een ‘frontliniefunctie’. Medewerkers die een dergelijke functie vervullen, hebben na het bereiken van het maximum salaris in hun schaal recht op OVW-periodieken in de naast-hogere schaal. Dat betekent dat het salaris nog een aantal jaar omhoog gaat tot aan het maximumsalaris in de schaal boven de officiële functieschaal.

3. Naar aanleiding van de uitspraak van 20 augustus 2020 van heeft verweerder aan eiser OVW-periodieken toegekend en nabetaald vanaf augustus 2020. Wat is het standpunt van partijen in beroep? 4. Eiser voert aan dat hij met terugwerkende kracht vanaf 2012 recht heeft op OWV-periodieken. Volgens eiser heeft hij het aanspraakbesluit niet ontvangen, waardoor hij niet in staat was een rechtsmiddel in te dienen. Eiser was verder niet bekend met het feit dat een salarisstrook een besluit is waartegen bezwaar kan worden gemaakt.

5. Verweerder voert aan dat hij het aanspraakbesluit naar alle medewerkers heeft verstuurd. Eiser heeft daartegen geen bezwaar gemaakt waardoor dit besluit in rechte vast is komen te staan. Volgens verweerder is er ook geen sprake van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden die aanleiding zouden moeten geven voor een herziening en een ander standpunt dan in het aanspraakbesluit. Ook is de zaak niet dermate uitzonderlijk om uit coulance OVW-periodieken toe te kennen vanaf 16 december 2014. Wat is het oordeel van de rechtbank? 6. De rechtbank is van oordeel dat verweerder genoegzaam heeft gemotiveerd dat het besluit aan eiser is toegezonden.

Verweerder is niet gehouden om OVW-periodieken na te betalen vanaf 2014, ook niet uit coulance. Eiser heeft ook niet aannemelijk gemaakt dat het besluit niet op zijn adres is ontvangen. Dat het besluit niet terug te vinden is in het personeelsdossier van eiser toont niet aan dat het door eiser niet ontvangen is. Verweerder heeft ter zitting uitgelegd dat er bij het invoeren van het digitale personeelsdossier een keuze gemaakt is om niet alle besluiten in te scannen. De keuze om de brief van 16 december 2014 niet in te scannen heeft verweerder consequent bij alle collega’s doorgevoerd.

Hierin ziet de rechtbank geen grond voor redelijke twijfel.

7. Voorts stelt de rechtbank vast dat eiser geen rechtsmiddelen heeft ingesteld tegen het aanspraakbesluit. Evenmin heeft eiser rechtsmiddelen ingesteld tegen zijn aanstellingsbesluit van 10 juni 2016, het omzettingsbesluit van 19 mei 2020 of zijn salarisspecificaties waaruit hij kon opmaken dat zijn functie geen aanspraak op OVW-periodieken gaf. De rechtbank is met verweerder van oordeel dat er geen sprake kan zijn van een verschoonbare termijnoverschrijding aangezien eiser deze grond pas in beroep heeft aangevoerd. Uit het voorgaande volgt dat het aanspraakbesluit in rechte vaststaat.

8. Eisers bezwaar strekt ertoe dat hij verzoekt aan verweerder om terug te komen van het aanstellingsbesluit. De rechtbank oordeelt dat verweerder een dergelijk herzieningsverzoek onder verwijzing naar artikel 4:6, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht heeft kunnen afwijzen, omdat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn.

9. De rechtbank acht de weigering om terug te komen van het aanspraakbesluit niet evident onredelijk. Verweerder heeft gemotiveerd dat als hij ervoor zou kiezen bij wijze van coulance tegemoet te komen, de vraag rijst waarom hij dat in dit geval wel doet waar hij dat in andere zaken waarin fouten zijn gemaakt – maar de betreffende besluiten onherroepelijk zijn geworden – niet zal doen. Verweerder stelt dat hij er dan rekening mee moet houden dat als nu coulance zou worden toegepast, in de toekomst kan worden gevraagd dat in andere zaken opnieuw te doen. Verweerder stelt dat niet goed uit te leggen is waarom het geval van de OVW-periodieken zo uitzonderlijk was dat een onverplichte toekenning wel gepast was en in andere (toekomstige) zaken niet.

10. Het beroep is ongegrond.

11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. G.P. Kleijn, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Badermann, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 23 juni 2022. griffier rechter Afschrift verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak.

Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB), (ECLI:NL:CRVB:2020:1961). Zie punt 4.4. van de uitspraak van de CRvB van 17 december 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:4206 en de uitspraken van rechtbank Den Haag van 8 maart 2022, ECLI:NL:RBDHA:2022:1854 en rechtbank Overijsel 10 mei 2022, ECLI:NL:RBOVE:2022:1300.