Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RBDHA:2022:5897 ECLI:NL:RBDHA:2022:5897 AI generated

ECLI:NL:RBDHA:2022:5897 · Rechtbank Den Haag

Case Number ECLI:NL:RBDHA:2022:5897
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 3 augustus 2013 tot en met 5 februari 2020 te 's-Gravenhage, althans in Nederland en/of Koerdistan en/of Irak opzettelijk minderjarigen, te weten zijn kinderen - [dochter] ( [geboortedatum] ) over de periode van 3 augustus 2013 tot en met 18 mei 2014 en/of - [dochter] ( [geboortedatum] ) over de periode van 3 augustus 2013 tot en met 20 februari 2017 en/of - [zoon] ( [geboortedatum] ) over de periode van 3 augustus 2013 tot en met 5 februari 2020, heeft onttrokken aan het wettig over hen gesteld gezag en/of aan het opzicht van degene die dit desbevoegd over hen uitoefende, terwijl die minderjarigen beneden de twaalf jaren oud waren, immers heeft verdachte die minderjarigen opzettelijk zonder toestemming van de moeder overgebracht/meegenomen naar Koerdistan en/of Irak en/of (daarmee) die minderjarigen (feitelijk) buiten de invloedssfeer en/of het gezag van de moeder gebracht en gehouden, (terwijl verdachte tot en met 22 oktober 2014 gezamenlijk was belast met het gezag over die minderjarigen, waarna per 23 oktober 2014 alleen de moeder is belast met de uitoefening van het ouderlijk gezag);

Legislator headnote

AI generated

artikel 2 van het Wetboek van Strafrecht, artikel 5 Sr, artikel 7 Sr, artikel 2 Sr; ECLI:NL:RBDHA:2022:5897 · Rechtbank Den Haag: De uitspraak waar de raadsman naar heeft verwezen betreft een andere situatie aangezien de feiten daar geheel in het buitenland hebben plaatsgevonden. Daarenboven geldt dat, door de kinderen zonder toestemming van de moeder mee te nemen naar het buitenland en ze daar te laten verblijven, de onttrekking aan het wettig gezag van de in Nederland verblijvende moeder blijft voortduren in Nederland. Ook om die reden is de rechtbank van oordeel dat er sprake is van rechtsmacht. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging. 4De bewijsbeslissing 4.1.

Keywords

AI generated
expulsion of family members unlawful international child displacement child of migrant asylum for Syrian family departure from a country parental or family leave

Cited Legislation

AI generated
artikel 2 van het Wetboek van Strafrecht
Daartoe heeft hij aangevoerd dat Nederland geen rechtsmacht heeft op grond van artikel 2 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr), omdat de handelingen die aan de verdachte ten laste zijn gelegd na 7 augustus 2013 in Irak hebben plaatsgevonden.
artikel 5 Sr
Voorts heeft de raadsman aangevoerd dat Nederland evenmin rechtsmacht heeft op basis van artikel 5 Sr of artikel 7 Sr, omdat niet is voldaan aan de voor Nederlandse rechtsmacht vereiste dubbele strafbaarheid.
artikel 7 Sr
Voorts heeft de raadsman aangevoerd dat Nederland evenmin rechtsmacht heeft op basis van artikel 5 Sr of artikel 7 Sr, omdat niet is voldaan aan de voor Nederlandse rechtsmacht vereiste dubbele strafbaarheid.
artikel 2 Sr
Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het ten laste gelegde feit mede is gepleegd in Nederland, zodat Nederland op grond van artikel 2 Sr rechtsmacht heeft.

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:RBDHA:2018:11091
Rechtbank DEN HAAG Strafrecht Meervoudige strafkamer Parketnummer: 09/819444-16 Datum uitspraak: 27 juli 2018 Tegenspraak (Promisvonnis) De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte: [verdachte] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats 1] (Irak), adres: [adres verdachte] .
NJ 1998/117
NJ 1999/221
NJ 1999/538
NJ 2010/89
ECLI:NL:GHAMS:2022:953
afdeling strafrecht parketnummer: 23-003872-19 datum uitspraak: 29 maart 2022 TEGENSPRAAK (gemachtigd raadsman) Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland (locatie Haarlem) van 14 oktober 2019 in de strafzaak onder parketnummer 15-023259-18 tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedag 1] 1965, zonder vaste woon- of verblijfplaats hier te lande. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 15 maart 2022 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv), naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg. Namens de verdachte is hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de raadsman naar voren is gebracht. Tenlastelegging Aan de verdachte is tenlastegelegd dat: 1. hij op (een of meer tijdstippen), in of omstreeks de periode van 8 augustus 2003 tot en met 25 maart 2009 in de gemeente Zandvoort en/of in de gemeente Nunspeet, althans (elders) in Nederland en/of in Egypte (telkens) opzettelijk een minderjarige, te weten [benadeelde 1] (geboren [geboortedag 2] 1997), heeft onttrokken aan het wettig over voornoemde minderjarige gestelde gezag of aan het opzicht van degene die dat gezag desbevoegd over voornoemde minderjarige uitoefende, (te weten [benadeelde 3]), terwijl voornoemde minderjarige beneden de twaalf jaren oud was, en/of in of omstreeks de periode van 26 maart 2009 tot en met 25 maart 2015 in de gemeente Zandvoort en/of in de gemeente Nunspeet, althans (elders) in Nederland en/of in Egypte (telkens) opzettelijk die minderjarige, te weten [benadeelde 1] (geboren [geboortedag 2] 1997), heeft onttrokken aan het wettig over voornoemde minderjarige gestelde gezag of aan het opzicht van degene die dat gezag desbevoegd over voornoemde minderjarige uitoefende, (te weten [benadeelde 3]), immers heeft verdachte (telkens) (in strijd met de afspraken en/of zonder medeweten en/of toestemming van die [benadeelde 3]), die [benadeelde 1] niet teruggebracht naar die [benadeelde 3] en/of naar Nederland na een vakantie in Egypte en (heeft) aldus (telkens) voornoemde minderjarige buiten het bereik en/of de invloedssfeer van die [benadeelde 3] gebracht en/of gehouden); 2.hij op (een of meer tijdstippen), in of omstreeks de periode van 8 augustus 2003 tot en met 7 januari 2013 in de gemeente Zandvoort en/of in de gemeente Nunspeet, althans (elders) in Nederland en/of in Egypte (telkens) opzettelijk een minderjarige, te weten [benadeelde 2] (geboren [geboortedag 3] 2001), heeft onttrokken aan het wettig over voornoemde minderjarige gestelde gezag of aan het opzicht van degene die dat gezag desbevoegd over voornoemde minderjarige uitoefende, (te weten [benadeelde 3]), terwijl voornoemde minderjarige beneden de twaalf jaren oud was, en/of in of omstreeks de periode van 8 januari 20013 tot en met 25 januari 2018 in de gemeente Zandvoort en/of in de gemeente Nunspeet, althans (elders) in Nederland en/of in Egypte(telkens) opzettelijk die minderjarige, te weten [benadeelde 2] (geboren [geboortedag 3] 2001), heeft onttrokken aan het wettig over voornoemde minderjarige gestelde gezag of aan het opzicht van degene die dat gezag desbevoegd over voornoemde minderjarige uitoefende, (te weten [benadeelde 3]), immers heeft verdachte (telkens) (in strijd met de afspraken en/of zonder medeweten en/of toestemming van die [benadeelde 3]), die [benadeelde 2] niet teruggebracht naar die [benadeelde 3] en/of naar Nederland na een vakantie in Egypte en (heeft) aldus (telkens) voornoemde minderjarige buiten het bereik en/of de invloedssfeer van die [benadeelde 3] gebracht en/of gehouden); Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeteren. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad. Vonnis waarvan beroep Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot andere beslissingen komt dan de rechtbank. Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie Standpunt van de verdediging De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. Daartoe heeft hij aangevoerd dat Nederland geen rechtsmacht heeft op grond van artikel 2 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr), omdat de handelingen die aan de verdachte ten laste zijn gelegd allemaal, en alleen maar, in Egypte hebben plaatsgevonden. Voorts heeft de raadsman aangevoerd dat Nederland evenmin rechtsmacht heeft op basis van artikel 5 Sr of artikel 7 Sr, omdat niet is voldaan aan de voor Nederlandse rechtsmacht vereiste dubbele strafbaarheid. Standpunt van de advocaat-generaal Primair stelt de advocaat-generaal zich op het standpunt dat Nederland op grond van artikel 2 Sr rechtsmacht toekomt. Subsidiair komt Nederland rechtsmacht toe op grond van artikel 7 lid 1 Sr, en meer subsidiair komt Nederland rechtsmacht toe op grond van artikel 5 Sr, dit laatste voor zover het de tenlastelegging betreft feit 1 eerste deel en feit 2 eerste deel. Oordeel van het hof Het hof stelt vast dat de handeling die is opgenomen in de tenlastelegging - het, in strijd met de afspraken en/of zonder medeweten en/of zonder toestemming van aangeefster, na de vakantie niet terugbrengen van de kinderen naar aangeefster en/of naar Nederland - een (passieve) handeling betreft van de verdachte waarvan de gevolgen zich uitsluitend op Nederlands grondgebied en in de Nederlandse rechtsorde hebben voorgedaan. Voorts stel het hof vast dat voornoemde afspraken een integraal onderdeel uitmaken van deze handeling. Deze afspraken zijn (telkens) door de verdachte in Nederland gemaakt en golden ook gedurende de ten laste gelegde periode. Onder dergelijke omstandigheden dient te worden aangenomen dat het delict (mede) gepleegd is in Nederland en (mede) binnen de Nederlandse rechtsmacht is voltooid. Artikel 2 Sr is daarmee toepasselijk. Het openbaar ministerie is dan ook ontvankelijk in de vervolging. Ten overvloede merkt het hof op dat de advocaat-generaal in dit kader ter zitting heeft betoogd en met stukken heeft onderbouwd dat tevens sprake is van een dubbele strafbaarheid als bedoeld in artikel 7 lid 2 Sr. Noch aan een oordeel hierover, noch over de uitleg en eventuele impact van artikel 5 Sr komt het hof - gelet op het vorenstaande - meer toe. Bewijsmotivering Feiten en omstandigheden Het hof stelt de volgende feiten en omstandigheden vast. De verdachte en aangeefster (hierna ook: de moeder of ([benadeelde 3]) [benadeelde 3]) zijn op [datum 1] getrouwd. Dit huwelijk is in Nederland op [datum 2] bij beschikking ontbonden. Na de ontbinding van het huwelijk heeft aangeefster nog twee kinderen gekregen, te weten [benadeelde 1] ([geboortedag 2] 1997) en [benadeelde 2] ([geboortedag 3] 2001) (hierna ook: [benadeelde 1] en [benadeelde 2] of de kinderen). De verdachte heeft de kinderen erkend. De kinderen zijn in Nederland geboren, hebben de Nederlandse nationaliteit en woonden/hadden hun vaste verblijfplaats bij aangeefster in Nederland. Aangeefster oefende het gezag over de kinderen van rechtswege uit. Dit volgt uit de ‘inlichting uit het gezagsregister’ van de rechtbank Haarlem. De omgang tussen de kinderen en de verdachte was vastgelegd in een omgangsregeling. Aangeefster heeft op 16 augustus 2003 aangifte gedaan tegen de verdachte van onttrekking van de kinderen aan haar gezag. Zij heeft verklaard dat zij de verdachte, in overeenstemming met de tussen hen tot stand gekomen omgangsregeling, toestemming heeft gegeven om [benadeelde 1] en [benadeelde 2] van 20 juli 2003 tot en met 8 augustus 2003 voor een vakantie mee te nemen naar Egypte. De verdachte is na het einde van de vakantie niet teruggekeerd naar Nederland en is - in strijd met de in Nederland gemaakte afspraken over onder meer deze vakantieperiode om de kinderen op 8 augustus 2003 naar Nederland terug te brengen - tot aan zijn aanhouding op 23 januari 2018 in België met de kinderen in Egypte gebleven. In het dossier bevindt zich een aantal gerechtelijke uitspraken, waaronder: een civiel vonnis in kort geding van de rechtbank Haarlem van 4 november 2009, waarbij (zakelijk weergegeven) de voorzieningenrechter de verdachte heeft geboden de kinderen onverwijld af te geven aan aangeefster, en: een arrest van het Gerechtshof te Caïro van 6 augustus 2011, inhoudende (zakelijk weergegeven) de vernietiging van het vonnis/beschikking van de Rechtbank van Eerste Aanleg voor Familiezaken te Masr El Gadida (nr. beschikking 654/2006) van 29 november 2008, de toewijzing van het verzorgingsrecht over de kinderen ([benadeelde 2] en [benadeelde 1]) aan aangeefster en gelijktijdige oplegging van de verplichting aan de verdachte tot overdracht van de kinderen aan aangeefster. Op 31 oktober 2011 is het arrest van het Gerechtshof aan de verdachte in persoon betekend. De verdachte heeft op geen enkel moment medewerking verleend aan de uitvoering van voornoemde gerechtelijke uitspraken. Standpunt advocaat-generaal De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de tenlastegelegde feiten wettig en overtuigend kunnen worden bewezen. Standpunt verdediging Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman van de verdachte integrale vrijspraak bepleit. De verdachte betwist dat hij in de periode voor het “vergiftigingsincident” tegen de wil van aangeefster met de kinderen in Egypte is gebleven. Voorts heeft de verdachte op basis van de uitkomsten van een door hem in Egypte gestarte gerechtelijke procedure het verzorgingsrecht over de kinderen (uiteindelijk) verkregen en heeft hij hiernaar gehandeld. Dit betreft de uitspraak van de Rechtbank van Eerste Aanleg voor Familiezaken te Masr El Gadida (nr. beschikking 654/2006) van 29 november 2008. Om die reden kan niet worden bewezen dat de verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat hij het wettig gezag van aangeefster over de kinderen heeft aangetast. Daarmee ontbreekt het (voorwaardelijk) opzet op het onttrekken aan het gezag. De verdachte had geen flauw benul van hoe het Nederlands rechtssysteem werkt ten opzichte van het gezag over de kinderen, aldus de verdediging in het ter terechtzitting gehouden pleidooi. Oordeel van het hof Het hof is van oordeel dat de tenlastegelegde feiten wettig en overtuigend kunnen worden bewezen en overweegt daartoe als volgt. De (impliciete) stelling van de verdachte dat aangeefster tot het “vergiftigingsincident” heeft ingestemd met het verblijf van de kinderen in Egypte vindt onvoldoende ondersteuning in het dossier en wordt weerlegd door de aangifte die tegen de verdachte is gedaan. Hieruit blijkt dat de verdachte de kinderen tegen de wil van aangeefster vanaf 8 augustus 2003 in Egypte heeft gehouden. Dat aangeefster in het kader van een omgangsregeling toestemming had gegeven de kinderen voor een vakantie mee te nemen naar Egypte, brengt niet met zich mee dat ook toestemming gegeven is om de kinderen in Egypte te vestigen en op deze wijze te onttrekken aan het wettig gezag van de moeder. In 2006 is de verdachte een gerechtelijke procedure in Egypte gestart, die heeft geleid tot de uitspraak van de Rechtbank van Eerste Aanleg voor Familiezaken te Masr El Gadida (nr. beschikking 654/2006) van 29 november 2008. Vast staat dat voornoemde uitspraak door het Gerechtshof te Caïro op 6 augustus 2011 is vernietigd. Op 31 oktober 2011 is de uitspraak in persoon aan de verdachte betekend. Nu namens de verdachte niet is aangevoerd dat enig rechtsmiddel tegen deze uitspraak is ingesteld neemt het hof als uitgangspunt dat het arrest van het Gerechtshof in Caïro in kracht van gewijsde is (gegaan). Het hof neemt de feiten en omstandigheden zoals deze door dit Gerecht in 2011 zijn vastgesteld over en maakt deze tot de zijne en slaat acht op het oordeel dat is gegeven. Vast staat daarmee dat het Egyptische vonnis in eerste aanleg strijdig was met het gezichtspunt dat aangeefster geschikt en bevoegd was om het verzorgingsrecht over de kinderen uit te oefenen en dat door de verdachte in deze procedures niets was overgelegd waarmede daaraan werd afgedaan. Het hof stelt vast dat de verdachte ten overstaan van de Egyptische rechter(s) in weerwil anders heeft betoogd en willens en wetens heeft verzwegen dat aangeefster zich reeds in 2006 tot de Islam had bekeerd. Dat de verdachte “geen flauw benul” zou hebben van het Nederlandse rechtssysteem met betrekking tot het gezag vindt geen ondersteuning in het dossier. Tenslotte geldt en is het hof op basis van het arrest van de Hoge Raad (HR 15 februari 2005, LJN AR8259) van oordeel dat degene die mede het gezag over een minderjarig kind uitoefent dit kind desondanks aan het gezag van een ander kan onttrekken in de zin van artikel 279 Sr. Het verweer dat het (voorwaardelijk) opzet op de onttrekking van de kinderen aan het gezag van aangeefster ontbreekt wordt op grond van het vorenstaande verworpen. Uit het voorgaande leidt het hof af dat de verdachte in de gehele tenlastegelegde periode wetenschap had dat het gezag bij aangeefster berustte en dat hij aldus willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard de kinderen te onttrekken aan het gezag van de moeder vanaf het moment dat hij besloot hen na de vakantie niet naar Nederland terug te brengen. Bewezenverklaring Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat: 1.hij in de periode van 8 augustus 2003 tot en met 25 maart 2009 in Nederland en in Egypte opzettelijk een minderjarige, te weten [benadeelde 1] (geboren [geboortedag 2] 1997), heeft onttrokken aan het wettig over voornoemde minderjarige gestelde gezag, te weten [benadeelde 3], terwijl voornoemde minderjarige beneden de twaalf jaren oud was, en in de periode van 26 maart 2009 tot en met 25 maart 2015 in Nederland en in Egypte opzettelijk die minderjarige, te weten [benadeelde 1] (geboren [geboortedag 2] 1997), heeft onttrokken aan het wettig over voornoemde minderjarige gestelde gezag te weten [benadeelde 3], immers heeft verdachte in strijd met de afspraken en zonder toestemming van die [benadeelde 3], die [benadeelde 1] niet teruggebracht naar die [benadeelde 3] naar Nederland na een vakantie in Egypte en aldus voornoemde minderjarige buiten het bereik en de invloedssfeer van die [benadeelde 3] gebracht en gehouden. 2.hij in de periode van 8 augustus 2003 tot en met 7 januari 2013 in Nederland en in Egypte opzettelijk een minderjarige, te weten [benadeelde 2] (geboren [geboortedag 3] 2001), heeft onttrokken aan het wettig over voornoemde minderjarige gestelde gezag, te weten [benadeelde 3], terwijl voornoemde minderjarige beneden de twaalf jaren oud was, en in de periode van 8 januari 2013 tot en met 25 januari 2018 in Nederland en in Egypte opzettelijk die minderjarige, te weten [benadeelde 2] (geboren [geboortedag 3] 2001), heeft onttrokken aan het wettig over voornoemde minderjarige gestelde gezag, te weten [benadeelde 3], immers heeft verdachte in strijd met de afspraken en zonder toestemming van die [benadeelde 3], die [benadeelde 2] niet teruggebracht naar die [benadeelde 3] naar Nederland na een vakantie in Egypte en aldus voornoemde minderjarige buiten het bereik en de invloedssfeer van die [benadeelde 3] gebracht en gehouden. Hetgeen onder 1 en 2 meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken. Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Strafbaarheid van het bewezenverklaarde Overmacht in de zin van noodtoestand De raadsman heeft bepleit dat de verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging nu hij handelde op basis van overmacht in de zin van noodtoestand. Hij voert daartoe aan dat aangeefster de verdachte in 2004 heeft willen “verdoven c.q. vergiftigen, in ieder geval iets van dergelijke kwalijke aard”, waardoor er een actuele en concrete noodsituatie was ontstaan. Van de verdachte kon niet worden verwacht dat hij na dit incident de kinderen zou laten meegaan met aangeefster. De verdachte heeft zodoende gehandeld naar de vereisten van proportionaliteit en subsidiariteit. De verdachte heeft ter terechtzitting in eerste aanleg verklaard dat hij de kinderen niet wilde terugbrengen naar aangeefster omdat hij bang was dat hij ze dan niet meer mocht zien. Het hof is van oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat de reden dat de verdachte de kinderen heeft onttrokken aan het gezag was gelegen in een tussen de verdachte en aangeefster in 2004 voorgevallen incident. Daarbij speelt een rol dat dit incident zich niet richtte tegen de dochters (waardoor de gestelde vrees van de verdachte dat aangeefsters niet voor de kinderen zou kunnen zorgen niet aannemelijk is), en voorts dat reeds sprake was van onttrekking aan het gezag voor het kennelijke incident en de periode van onttrekking aan het gezag uiteindelijk rond de 11 respectievelijk 14 jaar heeft geduurd. Er is daarmee geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is. Het onder feit 1 en 2 bewezenverklaarde levert op: telkens de voortgezette handeling van opzettelijk een minderjarige onttrekken aan het wettig over hem gesteld gezag, terwijl de minderjarige beneden de twaalf jaren oud is en opzettelijk een minderjarige onttrekken aan het wettig over hem gesteld gezag. Strafbaarheid van de verdachte Afwezigheid van alle schuld op grond van (rechts)dwaling De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging wegens de afwezigheid van alle schuld, op grond van (rechts)dwaling. De verdachte heeft gehandeld in lijn met het vonnis van de Egyptische rechtbank uit 2008 en hij mocht en kon op deze uitspraak vertrouwen. Het hof stelt vast dat de verdachte diverse procedures in Egypte heeft gevoerd met als doel het verkrijgen van het gezag over de kinderen. Uit deze omstandigheid volgt dat de stelling dat de verdachte dwaalde omtrent het gezag tot aan de uitspraak van 2008 reeds op die grond feitelijk onjuist is. De hiervoor genoemde beslissing van 29 november 2008 is bovendien vernietigd door het gerechtshof Caïro bij beslissing van 6 augustus 2011, welke beslissing ook in persoon aan de verdachte is betekend, zodat ook op die grond niet kan worden aangenomen dat de verdachte dwaalde omtrent het gezag. Niet is gebleken dat de verdachte - na zijn beslissing de kinderen niet aan aangeefster over te dragen - informatie heeft ingewonnen omtrent het recht in Nederland. Op grond van deze - feitelijke - vaststellingen wordt het verweer dan ook verworpen. Psychische overmacht De raadsman heeft aangevoerd dat de verdachte handelde uit psychische overmacht en om die reden dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging. De verdediging voert ook voor dit standpunt als onderbouwing aan het reeds eerder genoemde ‘vergiftigingsincident’. Het hof stelt voorop dat voor een geslaagd beroep op psychische overmacht vastgesteld moet worden dat sprake was van een van buiten komende drang waaraan de verdachte redelijkerwijs geen weerstand kon en ook niet behoefde te bieden. Niet aannemelijk is geworden dat sprake was van een zodanige drang, ook niet indien wordt uitgegaan van de juistheid van de stelling dat er zich tussen de verdachte en aangeefster een (vergiftigings)incident in 2004 heeft voorgedaan. Ook hier geldt dat redengevend is dat een eventueel incident zich niet tegenover de kinderen heeft voorgedaan, zodat niet aannemelijk is geworden dat ‘sprake (was) van een verontschuldigbare extreme en acute vorm van een stresssituatie, te weten een vorm van paniek- en doodsangst, waaraan hij heeft toegegeven’. Overigens heeft de verdachte zelf, in zijn uitgebreide verklaring ten overstaan van de rechtbank, hierover ook niet op die manier gesproken. De omstandigheden die zijn aangedragen zijn dan ook niet aannemelijk geworden, waarmee ook dit verweer wordt verworpen. De verdachte is dus strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het bewezenverklaarde uitsluit. Oplegging van straf De rechtbank Noord-Holland heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf jaren, met aftrek van het voorarrest. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straf als door de rechter in eerste aanleg opgelegd. De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat aan de verdachte geen (langdurige) gevangenisstraf dient te worden opgelegd. Hij heeft daartoe aangevoerd dat rekening moet worden gehouden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, te weten zijn matige gezondheidstoestand, dat hij kostwinner is voor zijn gezin, en dat hij werkgelegenheid biedt aan werknemers die in zijn horecaondernemingen in Egypte werkzaam zijn. Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan, en gelet op de persoon van de verdachte. De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan internationale kinderontvoering van de toen minderjarige kinderen [benadeelde 1] en [benadeelde 2]. Gedurende een periode van maar liefst vijftien jaren heeft hij de kinderen meegenomen naar - en bij zich gehouden in - Egypte en ze door ze daar te houden onttrokken aan het gezag dat berustte bij aangeefster. De verdachte heeft de kinderen uit hun vertrouwde omgeving weggenomen en weggehouden, en van hun moeder en broer in Nederland vervreemd. Hij heeft normaal contact tussen de moeder en de dochters onmogelijk gemaakt. Door het handelen van de verdachte heeft hij niet alleen in juridische zin, maar ook in feitelijke zin de uitoefening van het ouderlijk gezag door aangeefster onmogelijk gemaakt. De verdachte heeft zijn eigen belang boven het belang van de kinderen en, in het verlengde daarvan van aangeefster geplaatst en fundamentele Nederlandse rechtsregels naast zich neer gelegd. Daarmee heeft hij ernstig inbreuk gemaakt op een basale norm met betrekking tot de opvoeding van kinderen in een beschermde omgeving. Zelfs gerechtelijke uitspraken van Nederlandse en Egyptische rechters hebben de verdachte er niet toe kunnen bewegen de kinderen onder het gezag van de moeder te plaatsen en naar Nederland te brengen. Gedurende de periode dat de verdachte met de kinderen in Egypte verbleef, was het voor aangeefster zeer moeilijk om contact (in welke vorm dan ook) met haar kinderen te krijgen. Vaak wist aangeefster niet eens waar hij en de kinderen verbleven of woonden. Hoewel aangeefster op enig moment wel toestemming van de verdachte kreeg om af en toe naar Egypte te reizen om haar dochters te kunnen zien, was dit onder toezicht van de familieleden van de verdachte en maar enkele uren. Dit is voor haar telkens weer een frustrerende ervaring geweest. Dat volgt wederom uit het door haar uitgeoefende spreekrecht ter terechtzitting in hoger beroep, waar zij op indringende wijze naar voren heeft gebracht dat de omstandigheid dat de kinderen gescheiden van haar zijn opgegroeid haar emotioneel zeer heeft aangegrepen. Bij de aanvang van de bewezenverklaarde periode waren [benadeelde 1] en [benadeelde 2] zes respectievelijk twee jaar oud. Vanwege de jonge leeftijd was het van groot belang dat ook de andere ouder bij de opvoeding en de ontwikkeling van de kinderen werd betrokken. De verdachte heeft aldus gehandeld in strijd met de belangen van de kinderen en die belangen had de verdachte, juist in zijn hoedanigheid als vader van de [benadeelde 1] en [benadeelde 2], te allen tijde voorop moeten stellen. Het hof rekent dit, de gevolgen van zijn handelen en het onthouden van contact van aangeefster met de kinderen, de verdachte zeer zwaar aan. Het hof is van oordeel dat, gelet op de ernst van de feiten en de lange duur ervan, slechts gevangenisstraf als strafsoort in aanmerking komt. Het hof heeft bij het bepalen van de duur ervan acht geslagen op straffen die door de Nederlandse strafrechter in vergelijkbare zaken worden opgelegd. Het hof acht, alles afwegende, een gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden. Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de veroordeelde in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is. Vorderingen van de benadeelde partijen [benadeelde 1] en [benadeelde 2] De rechtbank heeft beslist dat deze benadeelde partijen niet in hun vorderingen kunnen worden ontvangen. Het hof is van oordeel dat beide benadeelde partijen in hun vorderingen kunnen worden ontvangen, nu, zo er al sprake was van gebreken in de vorderingen, deze in hoger beroep zijn hersteld. De benadeelde partijen hebben zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vorderingen, bestaande uit materiële schadevergoeding ter hoogte van € 20.000,00 per persoon en een immateriële schadevergoeding van primair (ter terechtzitting in hoger beroep gevorderde bedrag van) € 85,00 per dag en subsidiair € 70,00 per dag dat zij door de verdachte aan het gezag van de moeder zijn onttrokken. Wat betreft [benadeelde 1] is sprake van 5.295 dagen en voor [benadeelde 2] dienen 4.565 dagen te worden gerekend. Daarnaast hebben de benadeelde partijen (per persoon) nog een bedrag van € 15.000,00 gevorderd als vergoeding van immateriële schade ontstaan door besnijdenis. De vorderingen zijn door de raadsman in hoger beroep betwist. Het hof beoordeelt de vorderingen als volgt. Besnijdenis De gevorderde vergoedingen van € 15.000,00 ziet op gestelde geleden immateriële schade door besnijdenis. Voor zover al zou kunnen worden vastgesteld dat dergelijke schadeveroorzakende gebeurtenissen zich hebben voorgedaan (onderbouwing hiervan is niet gegeven), is het hof van oordeel dat geen sprake is van rechtstreeks verband tussen de gestelde schades en het bewezenverklaarde handelen van de verdachte. Immateriële schade Het hof stelt voorop dat artikel 6:106, eerste lid aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek meebrengt, voor zover voor de beoordeling van belang, dat de benadeelde recht heeft op een naar billijkheid vast te stellen immateriële schadevergoeding indien ten gevolge van het strafbare feit lichamelijk letsel sprake is van een aantasting in de persoon. Voor de toewijsbaarheid van een vordering, gericht op de vergoeding van het op andere wijze in zijn persoon zijn aangetast, dient te worden vastgesteld dat de benadeelde geestelijk letsel heeft opgelopen Dat bij de benadeelden (de dochters) sprake is van geestelijk letsel als gevolg van het bewezenverklaarde onttrekken aan het gezag van hun moeder, kan het hof niet vaststellen op grond van de stukken die de benadeelde partijen ter ondersteuning van hun vorderingen in het geding hebben gebracht. Sterker nog, geestelijk letsel is noch gesteld noch onderbouwd. Het hof is van oordeel dat de beoordeling van de ingediende vorderingen zich lenen voor nader onderzoek door (bijvoorbeeld) een deskundige. Dit vormt een onevenredige belasting van het strafgeding. De benadeelde partijen kunnen derhalve niet in hun vorderingen worden ontvangen en kunnen, desgewenst, deze vorderingen bij de burgerlijke rechter aanbrengen. Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 3] De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 39.506,12 aan materiële schade en € 170.167,65 aan immateriële schade. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 25.000,00 als vergoeding van immateriële schade. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering. De vordering is door de raadsman in hoger beroep betwist. Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 1 en 2 bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot na te melden bedrag. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen. Materiële schade Het hof ziet aanleiding om de geleden materiële schade te schatten op € 10.000,00. Dit bedrag betreft een vergoeding voor de gemaakte reizen naar Egypte (vliegtickets en verblijfkosten) en de in Nederland en in Egypte gevoerde procedures met betrekking tot het gezag. Wat betreft de gevorderde proceskosten stelt het hof vast dat de kosten van € 3.656,12 niet zijn gemaakt in de onderhavige procedure, waardoor deze niet kunnen worden aangemerkt als kosten in de zin van artikel 532 Sv. Immateriële schade De immateriële schade zal naar maatstaven van billijkheid worden vastgesteld op € 40.000,00. Voor het overige is het hof van oordeel dat behandeling van de vordering (zowel materieel als immaterieel) een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert nu de vordering nader onderzoek en meer debat tussen partijen vergt. In zoverre kan de benadeelde partij daarom thans in de vordering niet worden ontvangen en kan dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht. Het hof zal de schadevergoedingsmaatregel opleggen op de hierna te noemen wijze om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed. Vordering tot gevangenneming De advocaat-generaal heeft gevorderd dat bij arrest de gevangenneming van de verdachte wordt bevolen. De verdediging stelt zich op het standpunt dat de vordering moet worden afgewezen. Het hof zal het bevel tot gevangenneming geven en overweegt daartoe als volgt. De voorlopige hechtenis van de verdachte is, nadat op 5 februari 2018 de bewaring en op 14 februari 2018 de gevangenhouding waren bevolen, op 15 maart 2018 onder voorwaarden geschorst. Bij vonnis van 14 oktober 2019 is de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf jaren en is het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte opgeheven. Nu het hof de verdachte veroordeelt tot een vrijheidsbenemende straf terzake van feiten waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten en ook nog geldt dat ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken van ernstig gevaar voor vlucht als bedoeld in artikel 67a, lid 1 en onder a Sr nu de verdachte zich thans feitelijk in Egypte bevindt, zal het hof de gevangenneming van de verdachte bevelen. Toepasselijke wettelijke voorschriften De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 36f, 56, 57 en 279 van het Wetboek van Strafrecht. BESLISSING Het hof: Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht: Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan. Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij. Verklaart het onder 1 en 2 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar. Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf jaren. Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht. Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1] Verklaart de benadeelde partij [benadeelde 1] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding en bepaalt dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen. Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder hun eigen kosten dragen. Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2] Verklaart de benadeelde partij [benadeelde 2] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding en bepaalt dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen. Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder hun eigen kosten dragen. Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 3] Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 3] ter zake van het onder 1 en 2 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 50.000,00 (vijftigduizend euro) bestaande uit € 10.000,00 (tienduizend euro) materiële schade en € 40.000,00 (veertigduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening. Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen. Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil. Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde 3], ter zake van het onder 1 en 2 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 50.000,00 (vijftigduizend euro) bestaande uit € 10.000,00 (tienduizend euro) materiële schade en € 40.000,00 (veertigduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening. Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 285 (tweehonderdvijfentachtig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op. Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt. Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schadevergoeding op 1 januari 2011. Beveelt de gevangenneming van de verdachte, welk bevel afzonderlijk is geminuteerd. Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. A.M.P. Geelhoed, mr. M. Lolkema en mr. M. van der Horst, in tegenwoordigheid van mr. B.K.M. Pouw, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 29 maart 2022. mr. Lolkema is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen. BIJLAGE: Bewijsmiddelen 1Een proces-verbaal van bevindingen met nummer PL1200/03-118811 van 16 augustus 2003, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 1] (dossierpagina 10 e.v.). Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, de verklaring van aangeefster: Aangever: [benadeelde 3].Ik ben moeder van drie kinderen, te weten [naam], 13 jaar, [benadeelde 1], 6 jaar en [benadeelde 2], 2 jaar.De vader van deze kinderen is genaamd [verdachte]. In 1989 benik met hem getrouwd voor de Nederlandse wet maar in 1993 weer van hem gescheiden. Vanaf dat moment heb ik een omgangsregeling laten opstellen. In de omgangsregelingwas bepaald dat hij beide kinderen in de zomervakantie drie weken mochthebben. Ik heb [benadeelde 2] en [benadeelde 1] vervolgens op vrijdag 18 juli 2003 aan [verdachte]meegegeven. Ik was op de hoogte van het feit dat hij eerst nog twee dagen met hen in[plaats] zou doorbrengen waarna hij voor drie weken naar Caïro, Egypte, zou gaan. Op 8 augustus zou hij terugkomen. Hij belde rond 1 augustus 2003 en wilde de kinderenlanger bij zich houden. Ik ging daar niet mee akkoord daar [benadeelde 1] 11 augustus 2003 weer naar school moest. Op zaterdag 16 augustus 2003 werd ik om 03.50 uur op mijn mobiele telefoon gebeld. Het was [verdachte] die mij belde. Hij zei direct tegen mij: "Moet je goed luisteren: Maandag moet [naam] op het vliegtuig naar Caïro worden gezet. Als je dat niet doet, zie je [benadeelde 1] en [benadeelde 2] nooit weer. Ik heb niets meer te verliezen. 2Een proces-verbaal van bevindingen met nummer PL1200/03-118268 van 18 augustus 2003, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 2] (dossierpagina 14 e.v.). Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, de verklaring van aangeefster: Zoals ik al zei heb ik samen met mijn ex-man drie kinderen. Na de echtscheiding zijn nog twee dochters geboren namelijk:[benadeelde 1], geboren te [geboorteplaats 2] op [geboortedag 2] 1997en[benadeelde 2], geboren te [geboorteplaats 3] op [geboortedag 3] 2001.Mijn ex-man is genaamd: [verdachte]. 3. Een proces-verbaal van bevindingen met nummer PL1245/03-118268 van 23 november 2006, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 3] (dossierpagina pagina 46 e.v.). Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, de verklaring van de aangeefster: Op donderdag 23 november 2006, omstreeks 09:27 uur, hoorde ik, [verbalisant 3], brigadier van politie, regio Kennemerland, dienst PL1245, in het bureau van politie Heemstede, als aangever/benadeelde een vrouw die opgaf te zijn: [benadeelde 3] geboren op [geboortedag 4] 1962 te [geboorteplaats 4] adres [adres] Deze verklaarde: "Ik verwijs U hierbij naar mijn eerder bij de politie gedane aangifte de dato 18 augustus 2003 terzake van onttrekking aan het ouderlijk gezag van mijn twee dochters: [benadeelde 1], geboren te [geboorteplaats 2] op [geboortedag 2] 1997 en [benadeelde 2], geboren te [geboorteplaats 3] op [geboortedag 3] 2001. Mijn dochters zijn in juli 2003 voor een vakantie en familie bezoek in Egypte door mijn ex-man daarnaar toe meegenomen met mijn toestemming. Tegen de met hem gemaakte afspraak in heeft hij mijn dochters niet op 8 augustus 2003 teruggebracht naar Nederland. Ze zijn in Egypte gebleven en worden door mijn ex en zijn nieuwe vrouw opgevoed.” 4. De verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting in eerste aanleg op 30 september 2019. Deze verklaring houdt, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, in: In juli 2003 heb ik de kinderen meegenomen naar Egypte. Toen ik in Egypte washeb ik via de telefoon ruzie gehad met [benadeelde 3]. [benadeelde 3] zei tegen mij dat zij niet naar Egypte zou komen. Ik heb toen tegen haar gezegd: “Bekijk het maar. Als jij niet komt blijf ik ook hier met de kinderen.” [benadeelde 3] heeft mij wel gevraagd om de kinderen terug te brengen naar haar. Ik wilde de kinderen niet terugbrengen naar [benadeelde 3]. Tot 23 januari 2018 zijn de kinderen niet in Nederland geweest. 5. Een geschrift houdende inlichtingen uit het gezagsregister met betrekking tot de minderjarige [benadeelde 1] en [benadeelde 2] van de rechtbank Haarlem, opgesteld door de griffier van de sector kanton Haarlem. Dit geschrift houdt, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, in: Minderjarigen: [benadeelde 1] geboren op [geboortedag 2] 1997 te [geboorteplaats 2] en [benadeelde 2] Geboren op [geboortedag 3] 2001 te [geboorteplaats 2] Naam moeder: [benadeelde 3] wonende te [adres] Naam vader: [verdachte] De ouders zijn op [datum 1] met elkaar getrouwd, welk huwelijk ontbonden is bij beschikking van [datum 2]. Op 28 december 1993 is de echtscheiding ingeschreven in het daarvoor bestemde register. Aangezien bovengenoemde minderjarigen na dit huwelijk geboren zijn en niet voorkomen in het te mijner griffie gehouden gezagsregister oefent de moeder, op grond van artikel 1.253b lid 1, van rechtswege alleen het gezag uit. ========================================================================= […] Het hof begrijpt ook wel: Masr Al Jadida.
AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

Rechtbank DEN HAAG Strafrecht Meervoudige kamer Parketnummer: 09/331374-21 Datum uitspraak: 21 juni 2022 Tegenspraak (Promisvonnis) De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte: [verdachte] Jasem ALLAJ, geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] , zonder bekende woon-of verblijfplaats hier te lande, op dit moment gedetineerd in de penitentiaire inrichting Lelystad.

1Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden op de terechtzittingen van 25 maart 2022 (pro forma) en 7 juni 2022 (inhoudelijke behandeling). De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. B. Koenders en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman mr. I.A. van Straalen naar voren is gebracht.

2De tenlastelegging

Aan de verdachte is – na wijziging van de tenlastelegging op de terechtzitting van 7 juni 2022 – ten laste gelegd dat:

1. hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 3 augustus 2013 tot en met 5 februari 2020 te 's-Gravenhage, althans in Nederland en/of Koerdistan en/of Irak opzettelijk minderjarigen, te weten zijn kinderen - [dochter] ( [geboortedatum] ) over de periode van 3 augustus 2013 tot en met 18 mei 2014 en/of - [dochter] ( [geboortedatum] ) over de periode van 3 augustus 2013 tot en met 20 februari 2017 en/of - [zoon] ( [geboortedatum] ) over de periode van 3 augustus 2013 tot en met 5 februari 2020, heeft onttrokken aan het wettig over hen gesteld gezag en/of aan het opzicht van degene die dit desbevoegd over hen uitoefende, terwijl die minderjarigen beneden de twaalf jaren oud waren, immers heeft verdachte die minderjarigen opzettelijk zonder toestemming van de moeder overgebracht/meegenomen naar Koerdistan en/of Irak en/of (daarmee) die minderjarigen (feitelijk) buiten de invloedssfeer en/of het gezag van de moeder gebracht en gehouden, (terwijl verdachte tot en met 22 oktober 2014 gezamenlijk was belast met het gezag over die minderjarigen, waarna per 23 oktober 2014 alleen de moeder is belast met de uitoefening van het ouderlijk gezag);

2. hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 19 mei 2014 tot en met 9 december 2021 te 's-Gravenhage en/of Luchthaven Schiphol (gemeente Haarlemmermeer), althans in Nederland, en/of Koerdistan en/of Irak opzettelijk minderjarigen, te weten zijn kinderen - [dochter] ( [geboortedatum] ) over de periode van 19 mei 2014 tot en met 18 mei 2020 en/of - [dochter] ( [geboortedatum] ) over een periode van 21 februari 2017 tot en met 9 december 2021 en/of - [zoon] ( [geboortedatum] ) over een periode van 6 februari 2020 tot en met 9 december 2021 heeft onttrokken aan het wettig over hen gesteld gezag en/of aan het opzicht van degene die dit desbevoegd over hen uitoefende, immers heeft verdachte die minderjarigen opzettelijk zonder toestemming van de moeder overgebracht/meegenomen/(vast)gehouden naar/in Koerdistan en/of Irak en/of (daarmee) die minderjarigen (feitelijk) buiten de invloedssfeer en/of het gezag van de moeder gebracht en gehouden, (terwijl verdachte tot en met 22 oktober 2014 gezamenlijk was belast met het gezag over die minderjarigen, waarna per 23 oktober 2014 alleen de moeder is belast met de uitoefening van het ouderlijk gezag). 3De ontvankelijkheid van het openbaar ministerie 3.1.

Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft zich primair op het standpunt gesteld dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard voor alle gedragingen die de verdachte worden verweten na 7 augustus 2013. Daartoe heeft hij aangevoerd dat Nederland geen rechtsmacht heeft op grond van artikel 2 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr), omdat de handelingen die aan de verdachte ten laste zijn gelegd na 7 augustus 2013 in Irak hebben plaatsgevonden. Voorts heeft de raadsman aangevoerd dat Nederland evenmin rechtsmacht heeft op basis van artikel 5 Sr of artikel 7 Sr, omdat niet is voldaan aan de voor Nederlandse rechtsmacht vereiste dubbele strafbaarheid.

De raadsman heeft hierbij verwezen naar een uitspraak van de rechtbank Den Haag van 27 juli 2018 (ECLI:NL:RBDHA:2018:11091). Subsidiair heeft de raadsman verzocht om nader onderzoek te bevelen naar het al dan niet bestaan van dubbele strafbaarheid en daartoe een officiële vertaling inclusief een toelichting op de juridische duiding daarvan aan het dossier toe te voegen, waarbij specifiek aandacht wordt besteed aan de vraag of het bestaan van een Irakese rechterlijke beslissing een voorwaarde is voor strafbaarheid van het bepaalde in artikel 382, lid 1 en lid 2, van de Irakese strafwet. 3.2.

Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het ten laste gelegde feit mede is gepleegd in Nederland, zodat Nederland op grond van artikel 2 Sr rechtsmacht heeft. Hij heeft betoogd dat de gedragingen in Nederland zijn begonnen en zijn voortgezet in Irak. Subsidiair heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat in de door de raadsman aangehaalde uitspraak, de rechtbank tot de conclusie dient te komen dat Nederland rechtsmacht heeft op grond van artikel 5 Sr en dat er geen reden is om aan dat oordeel te twijfelen. 3.3.

Het oordeel van de rechtbank De rechtbank stelt allereerst vast dat aangeefster in de ten laste gelegde periode woonachtig was in Den Haag. Verder is van belang dat de kinderen in de periode voor het tenlastegelegde bij de moeder (en de verdachte) woonden. De verdachte heeft de kinderen op 3 augustus 2013 vanuit Den Haag met de auto meegenomen en ze vanaf 7 augustus 2013 eerst naar Koerdistan en vervolgens naar Irak gebracht, waar ze tot op heden verblijven. Ingevolge artikel 2 Sr is de Nederlandse strafwet toepasselijk op ieder die zich in Nederland aan enig strafbaar feit schuldig maakt.

Volgens vaste jurisprudentie geldt dat, indien het feit gepleegd is zowel in Nederland als in het buitenland, vervolging op grond van artikel 2 Sr ‘ook ten aanzien van de van dat strafbare feit deel uitmakende (…) gedragingen die buiten Nederland hebben plaatsgevonden’ mogelijk is (HR 30 september 1997, NJ 1998/117; HR 27 oktober 1998, NJ 1999/221; HR 13 april 1999, NJ 1999/538; HR 2 februari 2010, NJ 2010/89). Omdat de verdachte de feiten deels in Den Haag, althans in Nederland heeft gepleegd door de kinderen met de auto vanuit de woning mee te nemen, is artikel 2 Sr daarmee toepasselijk.

De uitspraak waar de raadsman naar heeft verwezen betreft een andere situatie aangezien de feiten daar geheel in het buitenland hebben plaatsgevonden. Daarenboven geldt dat, door de kinderen zonder toestemming van de moeder mee te nemen naar het buitenland en ze daar te laten verblijven, de onttrekking aan het wettig gezag van de in Nederland verblijvende moeder blijft voortduren in Nederland. Ook om die reden is de rechtbank van oordeel dat er sprake is van rechtsmacht. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging. 4De bewijsbeslissing 4.1.

Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de ten laste gelegde feiten. 4.2. Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft bepleit dat de verdachte integraal wordt vrijgesproken. De rechtbank zal hierna, voor zover relevant, nader ingaan op specifieke standpunten van de raadsman. 4.3. Gebruikte bewijsmiddelen De rechtbank heeft hierna opgenomen de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. De bewijsmiddelen worden slechts gebruikt ten aanzien van het feit waarop ze blijkens hun inhoud betrekking hebben.

1. Het proces-verbaal van aangifte van [moeder] , opgemaakt op 4 augustus 2013, voor zover inhoudende (p. 32 t/m 36): Ik ben in het jaar 2000 samen met [verdachte] naar Nederland gekomen. Wij hebben samen in Nederland in totaal vier (4) kinderen gekregen.Dit zijn:[dochter] , [geboortedatum] 2002;[dochter] , [geboortedatum] 2005;[zoon] , [geboortedatum] 2008;en [dochter] , [geboortedatum] 2000. Ongeveer zeven jaar geleden ben ik met mijn gezin op de [adres] in Den Haag gaan wonen. Wij hebben beide het ouderlijk gezag over de kinderen.Ongeveer vier a vijf jaar geleden vertelde hij mij dat hij met het gezin terug wilde naar Irak.

Ik heb hem elke keer verteld dat ik dat niet wilde. Op 3 augustus 2013, omstreeks 09:45 uur werd ik wakker en hoorde [verdachte] met de kinderen praten. Ik hoorde dat [verdachte] met de kinderen het huis verliet. Omstreeks 17:00 uur vond ik het vreemd dat [verdachte] nog niet met de kinderen thuis kwam. Omstreeks 18:30 uur wist ik voor mezelf zeker dat [verdachte] de kinderen had ontvoerd. De combinatie dat [verdachte] heeft aangegeven dat hij naar Irak wil, de vermissing van de paspoorten en de goederen die uit de kelder zijn meegenomen, vermoed ik dat [verdachte] met de kinderen naar Irak vertrokken is. [verdachte] heeft zonder mijn toestemming de kinderen [dochter] , [dochter] en [zoon] meegenomen. [verdachte] weet dat ik niet met de kinderen naar Irak wil.

2. Het proces-verbaal van verhoor van aangeefster [moeder] , opgemaakt op 7 augustus 2013, voor zover inhoudende (p. 37 t/m 38): Vandaag 7 augustus 2013 kreeg ik een telefoontje van de neef van mijn (ex) man, genaamd [naam] . Hij vertelde dat mijn (ex) man en de kinderen op het moment in Koerdistan zijn en dat zij onderweg zijn naar Najaf, waar zijn zus [naam] woont.

3. Het proces-verbaal van verhoor van aangeefster [moeder] , opgemaakt op 10 december 2021, voor zover inhoudende (p. 86 t/m 88): Vanaf 2013 heb ik vijf jaar lang geen contact met hen gehad. Daarna hebben de kinderen weer contact met mij opgenomen. In de periode dat hij met de kinderen weg was, is hij nooit naar Nederland gekomen.

4. Het proces-verbaal van verhoor van getuige [oudste dochter] , opgemaakt op 4 augustus 2013, voor zover inhoudende (p. 39 t/m 42): Klopt het dat jouw vader wilde dat jullie mee gingen naar Irak?Ja, dat klopt. Voor de zomervakantie was mijn vader al op zoek naar een auto want hij wilde naar Irak op vakantie. Mijn moeder wilde dat niet. Mijn vader heeft toen hij in april weer terug kwam uit Irak weer een uitkering gevraagd maar gisteren is hij weer weggegaan en heeft hij mijn zusjes en broertje ontvoerd.

5. Het proces-verbaal van verhoor van getuige [oudste dochter] , opgemaakt op 10 december 2021, voor zover inhoudende (p. 89 t/m 91): V: Wanneer kregen jullie te horen waar de kinderen waren?A: Dit was 4 of 5 dagen erna, we werden gebeld door mijn vader en de kinderen dat ze bij mijn tante waren. Mijn tante woont in Najaf, dit is in Irak en dat is ook de stad waar de kinderen nu wonen.

6. Het proces-verbaal van bevindingen (nadere verklaring van aangeefster [moeder] ), opgemaakt op 8 augustus 2013, voor zover inhoudende (p. 43): Ik, verbalisant, verklaar het volgende: Op 8 augustus 2013, verscheen een mevrouw aan de balie, genaamd [moeder] .Het was mij ambtshalve bekend dat genoemd persoon recentelijk aangifte had gedaan omdat haar (ex) man, zonder toestemming, haar drie kinderen had meegenomen, naar vermoedelijk Irak. - zij verklaarde dat vader en de kinderen verbleven op het adres Irak, [adres] 7. Het proces-verbaal van bevindingen (nadere verklaring van aangeefster [moeder] ), opgemaakt op 12 augustus 2013, voor zover inhoudende (p. 44):

Wij, verbalisanten, verklaren het volgende: Op 12 augustus 2013 verscheen een mevrouw aan de balie, genaamd [naam] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] (Marokko). Het was ons ambtshalve bekend dat genoemd persoon recentelijk aangifte had gedaan omdat haar (ex) man, zonder toestemming, haar drie kinderen had meegenomen, naar vermoedelijk Irak. - zij van haar (ex) man hoorde dat hij nu verblijft in het huis van zijn ouders, te weten Irak, Najaf, [adres] .

8. De beschikking van de enkelvoudige kamer van de Rechtbank Den Haag van 23 oktober 2014 inzake de echtscheiding en het gezag van de kinderen van [moeder] en [verdachte] , voor zover inhoudende (p. 106 t/m 110): Partijen zijn gehuwd op [datum] te [plaats] (Marokko). Uit dit huwelijk zijn de volgende thans nog minderjarige kinderen geboren: - [dochter] , [geboortedatum] - [dochter] , [geboortedatum] - [dochter] , [geboortedatum] ; - [zoon] , [geboortedatum] . - De jongste drie minderjarigen verblijven thans bij de man in Irak en de oudste verblijft bij de vrouw. Partijen oefenen het gezamenlijk gezag over de minderjarigen uit. Beslissing De rechtbank: bepaalt dat voortaan alleen aan de vrouw, [moeder] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] , het gezag zal toekomen over de minderjarigen: [dochter] , [geboortedatum] ; [dochter] , [geboortedatum] ; [dochter] , [geboortedatum] : [zoon] , [geboortedatum] en verklaart deze gezagsvoorziening uitvoerbaar bij voorraad.

9. Het proces-verbaal van verhoor van verdachte, opgemaakt op 9 december 2021, voor zover inhoudende (p. 76 t/m 81): V: Wie zijn die kinderen? A: 1 zoon heet [naam] en 1 dochter heet [naam] en 1 dochter [naam] . V: Wonen die kinderen in Nederland? A: Nee ze wonen bij mij.

10. Het proces-verbaal van verhoor van verdachte, opgemaakt op 17 januari 2022, voor zover inhoudende (p. 124 t/m 132): Toen ik dat hoorde ben ik terug gegaan naar huis, we woonden in een huis met 2 verdiepingen, ik had de kinderen alle 4 naar beneden geroepen en ik besloot om het huis te verlaten want mijn kinderen zouden niet goed opgevoed worden door zo'n moeder. En ik besloot ze mee terug te nemen naar Irak. V: Hoe bent u uiteindelijk met de 3 kinderen naar Irak gegaan? A: Met de auto. V: Maar heeft u het met uw vrouw besproken dat u de kinderen mee nam naar Irak? Met een datum wanneer u zou weggaan, zodat zij afscheid kon nemen van de kinderen? A:

Nee dat heb ik niet gedaan. V: Waar woonde u in Irak? A: Najaf. 4.4. Het oordeel van de rechtbank De rechtbank acht op grond van de hiervoor onder 4.3 besproken bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte in de periode van 3 augustus 2013 tot en met 9 december 2021 drie van zijn kinderen heeft onttrokken aan het wettig gezag van hun moeder. Hij heeft de kinderen immers zonder toestemming van hun moeder vanuit Den Haag met de auto meegenomen en vervolgens naar Koerdistan en Irak gebracht en heeft hen daarmee buiten het gezag van de moeder gebracht en gehouden.

Dat de moeder – zoals door de raadsman aangevoerd – wel degelijk nog gezag heeft kunnen uitoefenen over de kinderen, aangezien zij altijd kon bellen en wist waar ze verbleven, gaat niet op. De raadsman gaat er daarbij ten onrechte van uit dat enkel met de mogelijkheid tot telefonisch contact het wettig gezag al zou kunnen worden uitgeoefend. Dat is naar het oordeel van de rechtbank niet het geval, omdat uitoefening van het ouderlijk gezag impliceert dat de betreffende ouder de mogelijkheid heeft om bij wijze van spreken op elk gewenst moment persoonlijk contact met het kind te kunnen hebben.

Daarvan was in onderhavige situatie geenszins sprake. Evenmin was sprake van een situatie waarin de betreffende ouder het kind kon verzorgen, opvoeden en belangrijke keuzes voor/over hen kon maken, hetgeen ouderlijk gezag eveneens behelst. De raadsman heeft ten slotte aangevoerd dat het overgrote deel van de ten laste gelegde periode niet kan worden bewezen, omdat de verfeitelijking van de tenlastelegging dermate beperkt is dat deze uitsluitend de periode van 3 tot en met 6 augustus 2013 bestrijkt en de rest van de pleegperiode niet gedekt wordt door de feitelijke uitwerking.

Voor zover de raadsman daarmee heeft bedoeld dat het bewijs ontbreekt voor het onderdeel ‘gehouden’, gaat de raadsman er naar het oordeel van de rechtbank ten onrechte van uit dat verdere verfeitelijking van deze term in de tenlastelegging is vereist. Daarnaast is ook dit onderdeel wettig en overtuigend bewezen, omdat uit de bewijsmiddelen blijkt dat de verdachte op 9 december 2021 heeft verklaard dat de kinderen nog steeds bij hem wonen (in Irak). 4.5. De bewezenverklaring De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:

1. hij in de periode van 3 augustus 2013 tot en met 5 februari 2020 te ’s-Gravenhage, althans in Nederland en Koerdistan en Irak, opzettelijk minderjarigen, te weten zijn kinderen - [dochter] ( [geboortedatum] ) over de periode van 3 augustus 2013 tot en met 18 mei 2014 en - [dochter] ( [geboortedatum] ) over de periode van 3 augustus 2013 tot en met 20 februari 2017 en - [zoon] ( [geboortedatum] ) over de periode van 3 augustus 2013 tot en met 5 februari 2020, heeft onttrokken aan het wettig over hen gesteld gezag, terwijl die minderjarigen beneden de twaalf jaren oud waren, immers heeft de verdachte die minderjarigen opzettelijk zonder toestemming van de moeder overgebracht/meegenomen naar Koerdistan en Irak en daarmee die minderjarigen feitelijk buiten het gezag van de moeder gebracht en gehouden, terwijl de verdachte tot en met 22 oktober 2014 gezamenlijk was belast met het gezag over die minderjarigen, waarna per 23 oktober 2014 alleen de moeder is belast met de uitoefening van het ouderlijk gezag;

2. hij in de periode van 19 mei 2014 tot en met 9 december 2021 te 's-Gravenhage, althans in Nederland, en Koerdistan en Irak opzettelijk minderjarigen, te weten zijn kinderen - [dochter] ( [geboortedatum] ) over de periode van 19 mei 2014 tot en met 18 mei 2020 en - [dochter] ( [geboortedatum] ) over een periode van 21 februari 2017 tot en met 9 december 2021 en - [zoon] ( [geboortedatum] ) over een periode van 6 februari 2020 tot en met 9 december 2021, heeft onttrokken aan het wettig over hen gesteld gezag, immers heeft de verdachte die minderjarigen opzettelijk zonder toestemming van de moeder overgebracht/meegenomen/gehouden naar/in Koerdistan en Irak en daarmee die minderjarigen feitelijk buiten het gezag van de moeder gebracht en gehouden, terwijl de verdachte tot en met 22 oktober 2014 gezamenlijk was belast met het gezag over die minderjarigen, waarna per 23 oktober 2014 alleen de moeder is belast met de uitoefening van het ouderlijk gezag.

Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd en gecursiveerd weergegeven, zonder dat de verdachte daardoor in de verdediging is geschaad.

5De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

6De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten. 7De strafoplegging 7.1. De vordering van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 jaren, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht. 7.2. Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft naar voren gebracht dat de verklaring van de verdachte dat hij weg is gegaan met de kinderen om hen te beschermen tegen hun moeder, niet terzijde mag worden geschoven en niet moet worden gezien als egocentrisch gedrag dan wel handelen uit eigenbelang.

De verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij zijn huis in Irak heeft verkocht, zodat dat hij een huis in Nederland kan kopen voor zijn kinderen en zodat zij in Nederland kunnen studeren. Het kan niet eenzijdig worden verweten aan de verdachte dat er zo weinig contact is geweest tussen de moeder en haar kinderen, want het heeft mede op de weg gelegen van aangeefster om contact met hen op te nemen. Voorts verzoekt de raadsman bij eventuele oplegging en hoogte van een straf rekening te houden met de (hoge) leeftijd van de verdachte. 7.3.

Het oordeel van de rechtbank Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking. De ernst van de feiten De verdachte heeft gedurende een periode van meer dan 8 jaren zijn twee minderjarige dochters en minderjarige zoon onttrokken aan het wettig gezag van hun moeder.

Toen de moeder in de ochtend van 3 augustus 2013 lag te slapen, heeft de verdachte de kinderen gewekt en stiekem meegenomen naar Irak. Bij de aanvang van de bewezen verklaarde periode waren [zoon] , [dochter] en [dochter] , respectievelijk 6, 8 en 11 jaar oud. [zoon] , het oudste kind dat hij niet heeft meegenomen, was op dat moment 12 jaar oud. Het contact tussen de moeder en haar drie jongste kinderen is al die tijd zeer beperkt geweest. Moeder heeft jarenlang haar rol als ouder niet concreet kunnen vervullen en heeft een groot en belangrijk deel in het leven van haar opgroeiende kinderen moeten missen. [zoon] , [dochter] en [dochter] zijn een groot deel van hun leven opgegroeid zonder hun moeder en oudste zus. [dochter] is opgegroeid zonder haar vader, kleine zusjes en haar broertje.

Deze tijd zullen ze nooit meer samen kunnen inhalen. Door zijn handelswijze heeft de verdachte het recht op familieleven van [zoon] , [dochter] en [dochter] met hun moeder en zus op grove wijze geschonden en deze situatie duurt tot op de dag van vandaag nog altijd voort. De verdachte heeft naar voren gebracht dat hij de kinderen heeft meegenomen naar Irak, omdat hun moeder een slechte moeder zou zijn. De rechtbank heeft hiervoor in het dossier geen enkele bevestiging gevonden, terwijl daarenboven dit voor de strafbaarheid van de bewezen verklaarde feiten in de basis niet van belang zou zijn.

Uit het dossier komt eerder naar voren dat de verdachte liever in Irak wilde wonen bij zijn familie en dat hij zijn kinderen bij zich wilde hebben en daarom de kinderen heeft meegenomen. De verdachte heeft met zijn vertrek naar Irak zijn eigen belang om de kinderen bij zich te hebben, ver boven dat van de kinderen zelf en dat van hun moeder gesteld. De rechtbank rekent dit, de gevolgen van zijn handelen en het voortdurende weghouden van de kinderen bij de moeder, de verdachte zeer zwaar aan. Strafblad en de persoon van de verdachte Uit het strafblad van de verdachte van 1 maart 2022 blijkt dat hij niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke feiten.

De rechtbank constateert dat er geen reclasseringsadvies is opgemaakt omtrent de persoon van de verdachte. Oplegging van de straf De rechtbank is van oordeel dat, gelet op de ernst van de feiten en de lange duur ervan, slechts een onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend en geboden is. De rechtbank heeft bij het bepalen van de duur daarvan acht geslagen op straffen die in vergelijkbare zaken worden opgelegd. De rechtbank ziet geen aanleiding om de leeftijd van de verdachte daarin in strafmatigende zin te laten meewegen. De rechtbank zal, alles afwegende, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf opleggen voor de duur van 4 jaren met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht. 8De vorderingen van de benadeelde partijen 8.1.

De vorderingen [moeder] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 80.000,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente. Onder verwijzing naar ECLI:NL:GHAMS:2022:953 wordt voor de moeder een smartengeldbedrag van € 40.000,00 gevorderd (€ 4,00 per kind per dag). En onder verwijzing naar ECLI:NL:RBAMS:2020:4930 wordt voor ieder van de kinderen een smartengeldbedrag gevorderd van € 10.000,00 (€ 3,00 per dag). [moeder] vordert namens de minderjarige kinderen [dochter] en [zoon] de schadevergoeding.

De meerderjarige kinderen [dochter] en [dochter] vorderen de schadevergoeding voor zichzelf. 8.2. Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de gehele vordering, inclusief wettelijke rente, en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. 8.3. Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft primair afwijzing dan wel niet-ontvankelijkheid van de vordering van de benadeelde partij bepleit. Voor wat betreft de moeder voert de raadsman aan dat de emotionele schade onvoldoende is onderbouwd.

Ten aanzien van de oudste dochter, [naam] , is er geen sprake van rechtstreekse schade. Voor zover de vordering betrekking heeft op de kinderen in Irak is niet aangetoond dat de belangen van de kinderen zijn geschonden en dat ze daardoor schade hebben opgelopen. Bovendien blijkt ten aanzien van [dochter] onvoldoende van bevoegdheid om namens haar op te treden. Subsidiair heeft de raadsman verzocht een eventueel toe te wijzen schadevergoeding te matigen. 8.4. Het oordeel van de rechtbank De bewezen verklaarde feiten hebben een ernstige inbreuk gemaakt op het recht van [moeder] en haar vier kinderen op zowel eerbiediging van het familie- en gezinsleven als de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer.

Daarnaast staat voor de rechtbank buiten kijf dat bij [moeder] en haar vier kinderen vanwege de abrupte scheiding met elkaar en het immer voortduren van die situatie sprake is van psychische schade. Daarmee staat vast dat [moeder] , [dochter] , [dochter] , [dochter] , en [zoon] in hun persoon zijn aangetast en recht hebben op vergoeding van door hen geleden immateriële schade. De rechtbank begroot de immateriële schadevergoeding voor [moeder] naar billijkheid op € 30.000,00. De rechtbank zal de benadeelde partij voor het meer gevorderde niet-ontvankelijk verklaren in de vordering.

De benadeelde partij de gelegenheid geven dit deel van de vordering nader te onderbouwen zou een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen. De rechtbank begroot de immateriële schadevergoeding voor ieder kind op € 10.000,00, zodat ten aanzien van hen de gehele vordering wordt toegewezen. De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsman dat mr. De Klerk niet bevoegd is om namens [dochter] op te treden. De vordering is immers door [dochter] ondertekend en op basis van de toelichting die haar zus, [naam] , ter terechtzitting heeft gegeven over de wijze waarop dit is gegaan, kan worden vastgesteld dat [dochter] mr.

De Klerk heeft gemachtigd om namens haar deze vordering in te dienen. 8.5. Wettelijke rente, kostenveroordeling en de schadevergoedingsmaatregel De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente voor alle toegewezen bedragen toewijzen met ingang van 3 augustus 2013, omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan. Het voorgaande brengt mee dat de verdachte zal worden veroordeeld in de proceskosten van de benadeelde partijen tot op heden begroot op nihil, en de kosten die ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog gemaakt moeten worden.

Aangezien de verdachte jegens de benadeelde partijen naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door de bewezen verklaarde feiten is toegebracht en de verdachte voor deze feiten wordt veroordeeld, zal de rechtbank aan de verdachte de verplichting opleggen om de toegewezen bedragen aan de Staat te betalen vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf de hierboven bepaalde datum tot aan de dag dat dit bedrag is betaald ten behoeve van [moeder] , [dochter] , [dochter] , [dochter] en [zoon] .

9De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen: - 9, 36f, 56 en 279 van het Wetboek van Strafrecht; Deze voorschriften zijn toegepast, zoals ze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden. 10De beslissing De rechtbank: verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven onder 4.5 bewezen is verklaard en dat het bewezenverklaarde uitmaakt: de voortgezette handeling van: ten aanzien van feit 1: opzettelijk minderjarigen onttrekken aan het wettig over hen gesteld gezag, terwijl de minderjarigen beneden de twaalf jaren oud zijn; ten aanzien van feit 2: opzettelijk minderjarigen onttrekken aan het wettig over hen gesteld gezag; verklaart het bewezenverklaarde en de verdachte daarvoor strafbaar; verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij; veroordeelt de verdachte tot: een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) JAREN; bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht; de vorderingen van de benadeelde partijen en de schadevergoedingsmaatregel wijst de vorderingen tot schadevergoeding van de benadeelde partijen, toe en veroordeelt de verdachte om: het bedrag van € 30.000,00 aan immateriële schade, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 3 augustus 2013 tot de dag waarop deze vordering is betaald, te betalen aan [moeder] ; het bedrag van € 10.000,00 aan immateriële schade, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 3 augustus 2013 tot de dag waarop deze vordering is betaald, te betalen aan [zoon] ; het bedrag van € 10.000,00 aan immateriële schade, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 3 augustus 2013 tot de dag waarop deze vordering is betaald, te betalen aan [dochter] ; het bedrag van € 10.000,00 aan immateriële schade, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 3 augustus 2013 tot de dag waarop deze vordering is betaald, te betalen aan [dochter] ; het bedrag van € 10.000,00 aan immateriële schade, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 3 augustus 2013 tot de dag waarop deze vordering is betaald, te betalen aan [dochter] ; verklaart de benadeelde partij [moeder] voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding en bepaalt dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen; veroordeelt de verdachte tot betaling van de proceskosten van de benadeelde partijen, tot op heden begroot op nihil, en de kosten die ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog gemaakt moeten worden; legt aan de verdachte de verplichting op tot betaling aan de Staat van: een bedrag van € 30.000,00, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 3 augustus 2013 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan, ten behoeve van de benadeelde partij [moeder] ; een bedrag van € 10.000,00, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 3 augustus 2013 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan, ten behoeve van de benadeelde partij [zoon] ; een bedrag van € 10.000,00, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 3 augustus 2013 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan, ten behoeve van de benadeelde partij [dochter] ; een bedrag van € 10.000,00, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 3 augustus 2013 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan, ten behoeve van de benadeelde partij [dochter] ; een bedrag van € 10.000,00, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 3 augustus 2013 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan, ten behoeve van de benadeelde partij [dochter] ; bepaalt dat, als het verschuldigde bedrag niet volledig wordt betaald of kan worden verhaald, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van maximaal 360 dagen; het toepassen van gijzeling ontslaat de verdachte niet van zijn betalingsverplichting aan de Staat; bepaalt dat als de verdachte de toegewezen schadevergoeding deels of geheel aan de benadeelde partijen [moeder] , [zoon] , [dochter] , [dochter] en [dochter] heeft betaald, de verdachte niet verplicht is om dat deel te betalen aan de Staat en dat als de verdachte het toegewezen bedrag deels of geheel aan de Staat heeft betaald, de verdachte niet verplicht is om dat deel aan de benadeelde partijen [moeder] , [zoon] , [dochter] , [dochter] en [dochter] te betalen.

Dit vonnis is gewezen door mr. M. de Kleine, voorzitter, mr. V.J. de Haan, rechter, mr. J. Holleman, rechter, in tegenwoordigheid van mr. B. Veenstra, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 21 juni 2022. Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - vermeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Waar wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1500-2019123850, van de politie eenheid Den Haag, district Den Haag-Centrum, met bijlagen (doorgenummerd pagina 1 t/m 134).