Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RBDHA:2022:5867 ECLI:NL:RBDHA:2022:5867 AI generated

ECLI:NL:RBDHA:2022:5867 · Rechtbank Den Haag

Case Number ECLI:NL:RBDHA:2022:5867
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Middelburg Bestuursrecht zaaknummer: NL22.10213 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [Naam 1], eiser V-nummer: [Nummer] (gemachtigde: mr. T. Sönmez), en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. J.J.M. van Gils). Procesverloop Bij besluit van 27 april 2022 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Verweerder heeft de rechtbank op grond van artikel 94, eerste lid, van de Vw van de bewaring in kennis gesteld.

Legislator headnote

AI generated

ECLI:NL:RBDHA:2022:5867 · Rechtbank Den Haag: De rechtbank stelt vast dat op grond van artikel 59, derde lid, van de Vw, de bewaring van een vreemdeling achterwege blijft en wordt beëindigd zodra hij te kennen geeft Nederland te willen verlaten en hiertoe voor hem ook de gelegenheid bestaat. Niet in geschil is dat eiser te kennen heeft gegeven Nederland te willen verlaten, zodat aan het eerste vereiste van artikel 59, derde lid, Vw is voldaan. Aan het tweede vereiste wordt volgens vaste jurisprudentieslechts voldaan, indien de vreemdeling deze verklaring heeft geconcretiseerd en verweerder feiten of omstandigheden heeft gesteld die afbreuk doen aan de geloofwaardigheid van deze verklaring.

Keywords

AI generated
illegal departure grounds risk of overstaying unreasonableness of return to Afghanistan removal under immigration law residence permits prolonged absence abroad

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:RVS:2020:989
201906848/1/V3. Datum uitspraak: 8 april 2020 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, van 6 september 2019 in zaak nr. NL19.19484 in het geding tussen: [de vreemdeling] en de staatssecretaris. Procesverloop Bij besluit van 16 augustus 2019 is de vreemdeling in vreemdelingenbewaring gesteld. Bij uitspraak van 6 september 2019 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard en de vreemdeling schadevergoeding toegekend.
ECLI:NL:RVS:2019:3778
201902091/1/V3. Datum uitspraak: 7 november 2019 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam, van 6 maart 2019 in zaak nr. NL19.3140 in het geding tussen: [de vreemdeling] en de staatssecretaris. Procesverloop Bij besluit van 8 februari 2019 is de vreemdeling in vreemdelingenbewaring gesteld. Bij uitspraak van 6 maart 2019 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard en de vreemdeling schadevergoeding toegekend.
ECLI:NL:RVS:2012:BY7395
201210202/1/V3. Datum uitspraak: 14 december 2012 RAAD VAN STATE AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: [naam], appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Utrecht, van 22 oktober 2012 in zaak nr. 12/31440 in het geding tussen: de vreemdeling en de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel. Procesverloop Bij besluit van 3 oktober 2012 is de vreemdeling in vreemdelingenbewaring gesteld. Dit besluit is aangehecht.
AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Middelburg Bestuursrecht zaaknummer: NL22.10213 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [Naam 1], eiser V-nummer: [Nummer] (gemachtigde: mr. T. Sönmez), en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. J.J.M. van Gils). Procesverloop Bij besluit van 27 april 2022 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Verweerder heeft de rechtbank op grond van artikel 94, eerste lid, van de Vw van de bewaring in kennis gesteld.

Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. De rechtbank heeft het beroep op 8 juni 2022 op zitting behandeld in Breda. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen K.S. van Wezel. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Overwegingen 1. Eiser stelt te zijn geboren op [Geb. datum] 1996 en de Ivoriaanse nationaliteit te bezitten. Voortvarend handelen 2. Eiser voert aan dat verweerder onvoldoende voortvarend werkt aan de verwijdering.

Eiser stelt hij reeds vier weken in detentie zit en door verweerder te weinig is ondernomen om zijn gedwongen vertrek te effectueren.

3. Verweerder stelt dat er wel voortvarend is gehandeld. Op 27 april 2022 is eiser in bewaring gesteld. Op 29 april is met eiser een vertrekgesprek gevoerd. Voorts is er op 2 mei 2022 een terugnameverzoek gericht aan de Franse autoriteiten. Op 18 mei 2022 is een overdrachtsbesluit genomen. De geplande overdracht van 27 mei 2022 is geannuleerd omdat eiser zijn medewerking aan een covid-test heeft geweigerd. Verweerder geeft aan geen nieuwe vlucht te plannen tot eiser aangeeft mee te willen werken aan een covid-test.

4. De rechtbank stelt vast dat uit vaste jurisprudentie van de Afdeling volgt dat een eerste vertrekhandeling op de zesde dag van de inbewaringstelling in beginsel voldoende voortvarend is.Op de tweede dag na het opleggen van de maatregel van bewaring, namelijk op 29 april 2022, heeft een vertrekgesprek plaatsgevonden. Voorts blijkt uit de beschreven gang van zaken onder 3 dat verweerder ook hierna voldoende voortvarend heeft gehandeld. De beroepsgrond slaagt niet. Vrijwillig vertrek 5. Eiser stelt vrijwillig te willen terugkeren naar Frankrijk. Verweerder stelt dat het hem niet vrijstaat eiser vrijwillig naar Frankrijk te laten vertrekken, nu hij in Frankrijk is aangemerkt als ongewenst vreemdeling.

6. De rechtbank stelt vast dat op grond van artikel 59, derde lid, van de Vw, de bewaring van een vreemdeling achterwege blijft en wordt beëindigd zodra hij te kennen geeft Nederland te willen verlaten en hiertoe voor hem ook de gelegenheid bestaat. Niet in geschil is dat eiser te kennen heeft gegeven Nederland te willen verlaten, zodat aan het eerste vereiste van artikel 59, derde lid, Vw is voldaan. Aan het tweede vereiste wordt volgens vaste jurisprudentieslechts voldaan, indien de vreemdeling deze verklaring heeft geconcretiseerd en verweerder feiten of omstandigheden heeft gesteld die afbreuk doen aan de geloofwaardigheid van deze verklaring.

De rechtbank stelt vast dat eiser zijn vertrekwens niet heeft geconcretiseerd, bijvoorbeeld door het overleggen van een geldig grensoverschrijdingsdocument, een vlieg- of reisticket of door over voldoende middelen te beschikken om zijn uitreis zelf te bekostigen. Eiser heeft daarom niet aannemelijk gemaakt dat hij werkelijk in de gelegenheid is om Nederland zelfstandig te verlaten. Er is dan ook geen grond voor het oordeel dat zijn bewaring achterwege moet blijven. De beroepsgrond slaagt niet.

7. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep ongegrond;- wijst het verzoek om schadevergoeding af. Deze uitspraak is gedaan door mr. K. Verschueren, rechter, in aanwezigheid van mr. N.H. de Zeeuw, griffier en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. De uitspraak is bekendgemaakt op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking. Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Zie bijvoorbeeld de uitspraken van 8 april 2020, ECLI:NL:RVS:2020:989, en 7 november 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3778. bijvoorbeeld de uitspraak van 14 december 2012 (ECLI:NL:RVS:2012:BY7395).