Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RBDHA:2022:575 ECLI:NL:RBDHA:2022:575 AI generated

ECLI:NL:RBDHA:2022:575 · Rechtbank Den Haag

Case Number ECLI:NL:RBDHA:2022:575
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: SGR 20/4575 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 januari 2022 in de zaak tussen [eiser] , uit [woonplaats] , eiser (gemachtigde: mr. D. Pool), en het college van dijkgraaf en hoogheemraden van Rijnland, verweerder (gemachtigde: mr. L.C. Haeck). Procesverloop In het besluit van 24 september 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder aan eiser vier lasten onder dwangsom opgelegd wegens onvoldoende onderhoud aan de waterkering. In het besluit van 5 mei 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Overwegingen 1. Bij brief van 18 mei 2021 heeft verweerder de rechtbank medegedeeld dat de bevoegdheid tot invordering van de verbeurde dwangsommen inmiddels is verjaard.

Legislator headnote

AI generated

Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht; ECLI:NL:RBDHA:2022:575 · Rechtbank Den Haag: Gelet daarop, is de rechtbank van oordeel dat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is en doet zij uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De rechtbank legt hierna uit waarom het beroep niet-ontvankelijk is.

Keywords

AI generated
application for enforcement - Decision lapse of enforcement unreasonableness of expulsion objection to debt enforcement impossibility of performance restoration of suspensive effect

Cited Legislation

AI generated
Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht
Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: SGR 20/4575 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 januari 2022 in de zaak tussen [eiser] , uit [woonplaats] , eiser (gemachtigde: mr. D. Pool), en het college van dijkgraaf en hoogheemraden van Rijnland, verweerder (gemachtigde: mr. L.C. Haeck). Procesverloop In het besluit van 24 september 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder aan eiser vier lasten onder dwangsom opgelegd wegens onvoldoende onderhoud aan de waterkering. In het besluit van 5 mei 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Overwegingen 1. Bij brief van 18 mei 2021 heeft verweerder de rechtbank medegedeeld dat de bevoegdheid tot invordering van de verbeurde dwangsommen inmiddels is verjaard.

2. Gelet daarop, is de rechtbank van oordeel dat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is en doet zij uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De rechtbank legt hierna uit waarom het beroep niet-ontvankelijk is.

3. In de brief van 18 mei 2021 licht verweerder toe dat de opgelegde dwangsommen zijn verbeurd tussen oktober en december 2019 en dat hij geen stuitingshandelingen heeft verricht. Op grond van artikel 5:35, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht verjaart de rechtsvordering tot betaling van een verbeurde dwangsom door verloop van een jaar na de dag waarop zij is verbeurd. Omdat er sinds december 2019 meer dan een jaar is verstreken, betekent dit dat verweerder de dwangsommen niet meer kan invorderen. Nu verweerder geen verdere dwangsommen meer kan opleggen op basis van de opgelegde lasten, heeft eiser geen belang meer bij een inhoudelijke beoordeling van het beroep tegen het bestreden besluit.

4. Het beroep is daarom kennelijk niet-ontvankelijk.

5. Nu het vervallen van het procesbelang door het achterwege laten van een tijdige stuitingshandeling voor risico van verweerder komt, veroordeelt de rechtbank verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 759,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 759,- en een wegingsfactor 1).

6. De rechtbank ziet voorts aanleiding te bepalen dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt. Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep niet-ontvankelijk; - veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 759,-; - draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 178,- aan eiser te vergoeden. Deze uitspraak is gedaan door mr. D.A.J. Overdijk, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Klaus, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 7 januari 2022. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Bent u het niet eens met deze uitspraak? Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.