Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RBDHA:2022:5698 ECLI:NL:RBDHA:2022:5698 AI generated

ECLI:NL:RBDHA:2022:5698 · Rechtbank Den Haag

Case Number ECLI:NL:RBDHA:2022:5698
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Middelburg Bestuursrecht zaaknummer: NL22.7121 proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [naam], eiser V-nummer: [nummer] (gemachtigde: mr. F.J.M. Schonkeren), en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. J.J.M. van Gils). Procesverloop Bij besluit van 21 april 2022 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen op de grond dat Italië verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Legislator headnote

AI generated

ECLI:NL:RBDHA:2022:5698 · Rechtbank Den Haag: Eisers betoog dat sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 3, tweede lid, van de Dublinverordening, slaagt daarom niet. Ook heeft verweerder in redelijkheid geen 1 Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. 2 Uitspraken van 9 september 2020, ECLI:NL:RVS:2129, 15 oktober 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2449, 25 februari, ECLI:NL:RVS:2021:464 en 19 april 2021, ECLI:NL:RVS:2021:881. 3 Uitspraak van 26 november 2021, ECLI:NL:RVS:2021:2738. 4 AIDA-rapport (update juni 2021), p.

Keywords

AI generated
asylum procedure lawful deportation family asylum for eritreans principle of non-refoulement credibility of asylum claims extradition proceedings

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:RVS:2020:2449
202005105/1/V1. Datum uitspraak: 15 oktober 2020 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: [de vreemdeling], appellante, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Roermond, van 15 september 2020 in zaak nr. NL20.12454 in het geding tussen: de vreemdeling en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Procesverloop Bij besluit van 12 juni 2020 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.
ECLI:NL:RVS:2021:464
202005564/1/V1. Datum uitspraak: 25 februari 2021 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 12 oktober 2020 in zaak nr. NL19.17424 in het geding tussen: [de vreemdeling] en de staatssecretaris. Procesverloop Bij besluit van 25 juli 2019 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.
ECLI:NL:RVS:2021:881
202101833/1/V1 en 202101833/2/V1.
ECLI:NL:RVS:2021:2738
202106240/1/V1. Datum uitspraak: 26 november 2021 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: [de vreemdeling], appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam, van 24 september 2021 in zaak nr. NL21.13790 in het geding tussen: de vreemdeling en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Procesverloop Bij besluit van 26 augustus 2021 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.
AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Middelburg Bestuursrecht zaaknummer: NL22.7121 proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [naam], eiser V-nummer: [nummer] (gemachtigde: mr. F.J.M. Schonkeren), en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. J.J.M. van Gils). Procesverloop Bij besluit van 21 april 2022 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen op de grond dat Italië verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

De rechtbank heeft het beroep, tezamen met de zaak NL22.7122, op 20 mei 2022 op zitting behandeld. Eiser en zijn gemachtigde zijn, met een voorafgaand bericht, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Na afloop van de behandeling van de zaak ter zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Overwegingen 1. Niet in geschil is dat Italië in beginsel verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag van eiser.

2. Verweerder mag, gelet op het interstatelijk vertrouwensbeginsel, er in beginsel van uitgaan dat Italië haar internationale verplichtingen nakomt. Het is aan eiser om aannemelijk te maken dat dit in zijn geval anders is. Eiser is hierin niet geslaagd.

3. Voor zover eiser in het beroepschrift verwijst naar de zienswijze en verzoekt deze als herhaald en ingelast te beschouwen, stelt de rechtbank vast dat verweerder in het bestreden besluit gemotiveerd is ingegaan op wat in de zienswijze is aangevoerd. Hieraan komt daarom alleen betekenis toe voor zover in het beroepschrift wordt uitgelegd waarom het bestreden besluit desondanks niet juist is. De rechtbank stelt vast dat een dergelijke uitleg in het beroepschrift ontbreekt.

4. De rechtbank overweegt verder dat de Afdeling1 in meerdere uitspraken heeft geoordeeld dat, hoewel de algemene situatie en leefomstandigheden van asielzoekers in Italië bepaalde tekortkomingen kennen, verweerder ten aanzien van Italië nog altijd van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uit mag gaan.2 Bij deze uitspraken zijn verschillende bronnen, waaronder het AIDA-rapport van mei 2020 en het rapport van SFH/OSAR, betrokken. Het AIDA-rapport van juni 2021 bevat geen wezenlijk andere informatie over de situatie in Italië ten opzichte van het AIDA-rapport van mei 2020.3 5.

Voor zover eiser stelt dat in Italië sprake is van aan het systeem gerelateerde tekortkomingen in de asielprocedure, volgt de rechtbank hem daarin niet. Dat Algerije door Italië is aangemerkt als veilig land van herkomst waardoor zijn asielverzoek in een versnelde procedure zal worden behandeld, leidt op zichzelf niet tot het oordeel dat deze procedure niet voldoet aan de daaraan te stellen eisen. Dat de beroepstermijn tegen een afwijzende beslissing vijftien dagen bedraagt, terwijl een dergelijk beroep geen schorsende werking heeft, leidt niet tot een ander oordeel.

De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat het door eiser aangehaalde AIDA-rapport van juni 2021 ook vermeldt dat de Italiaanse wetgeving voorziet in de mogelijkheid om de bevoegde rechter hangende een beroepsprocedure te verzoeken om een bevel tot uitzetting te schorsen.4 6. Bovendien geldt dat zelfs indien ervan uit moet worden gegaan dat het voor eiser door een schaarste aan tolken waarschijnlijk niet eenvoudig zal zijn zich in Italië van adequate rechtsbijstand te voorzien, hij daarmee niet aannemelijk heeft gemaakt dat dit voor hem geheel onmogelijk is.

Dit betekent dat eiser tevens niet aannemelijk heeft gemaakt hij daardoor zodanig zal worden beperkt in zijn mogelijkheid om een eventuele afwijzende beslissing van zijn asielverzoek aan te vechten, dat van een effectief rechtsmiddel niet kan worden gesproken.

7. Verweerder heeft in dat verband nog terecht opgemerkt dat Italië middels het (fictieve) claimakkoord de garantie heeft gegeven dat de asielaanvraag van eiser, met inachtneming van de Europese asiel- en opvangrichtlijnen, in behandeling wordt genomen. Ook als eiser na overdracht aan Italië onverhoopt problemen ondervindt, dient hij daarover te klagen bij de (hogere) autoriteiten of de daartoe geëigende instanties in Italië. Uit wat hiervoor onder 6 is overwogen volgt dat niet is gebleken dat dit voor hem niet mogelijk, uiterst moeilijk of bij voorbaat zinloos is.

8. Eisers betoog dat sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 3, tweede lid, van de Dublinverordening, slaagt daarom niet. Ook heeft verweerder in redelijkheid geen 1 Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. 2 Uitspraken van 9 september 2020, ECLI:NL:RVS:2129, 15 oktober 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2449, 25 februari, ECLI:NL:RVS:2021:464 en 19 april 2021, ECLI:NL:RVS:2021:881. 3 Uitspraak van 26 november 2021, ECLI:NL:RVS:2021:2738. 4 AIDA-rapport (update juni 2021), p.

54. toepassing hoeven geven aan zijn bevoegdheid om het asielverzoek van eiser, ondanks de verantwoordelijkheid van Italië, in behandeling te nemen.

9. Het beroep is ongegrond.

10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 20 mei 2022 door mr. W. Anker, rechter, in aanwezigheid van mr. Ż.A. Meinert, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. Dit proces-verbaal is bekendgemaakt op: 08 juni 2022 Documentcode: DSR20764603 Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking van dit proces-verbaal.