Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RBDHA:2022:4598 ECLI:NL:RBDHA:2022:4598 AI generated

ECLI:NL:RBDHA:2022:4598 · Rechtbank Den Haag

Case Number ECLI:NL:RBDHA:2022:4598
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Haarlem Bestuursrecht zaaknummer: AWB 21/467 uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 3 mei 2022 in de zaak tussen [eiser] , eiser v-nummer: [#] , (gemachtigde: mr. T. Mustafazade), en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder, (gemachtigde: mr. S. Imami, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst). Procesverloop Bij besluit van 25 september 2020 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een mvv voor het doel “verblijf bij [naam 1] (referente)” afgewezen.

Legislator headnote

AI generated

artikel 8 EVRM; ECLI:NL:RBDHA:2022:4598 · Rechtbank Den Haag: Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en voert hiertegen allereerst aan dat het declaratoire verblijfsrecht van referente wel mogelijkheid biedt tot het aanvragen van de beoogde verblijfsvergunning. Lidstaten kunnen namelijk afwijken van declaratoir Unierecht, als dit ten gunste van de vreemdeling is. Verder had verweerder bij zijn belangenafweging ten aanzien van artikel 8 EVRM rekening moeten houden met het gegeven dat de dochter van referente Nederland zou moeten verlaten als de aanvraag niet wordt ingewilligd. Dit is ook de reden dat verweerder al eerder een Chavez-Vilchez-verblijfsvergunning aan referente heeft verleend.

Keywords

AI generated
expulsion of family members parental or family leave expatriation and foreign residence allowances deportation despite health issues change of residence ground for expulsion

Cited Legislation

AI generated
artikel 8 EVRM
Verder neemt verweerder aan dat er familieleven is tussen eiser en referente, maar meent hij dat de afwijzing van de aanvraag geen schending van artikel 8 EVRM met zich meebrengt.

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:RVS:2005:AU3862
Zie de uitspraak van 29 september 2005, ECLI:NL:RVS:2005:AU3862.
ECLI:NL:RVS:2020:2272
202000248/1/V6.Datum uitspraak: 23 september 2020 AFDELINGBESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellant], wonend te [woonplaats], tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 2 december 2019 in zaak nr. 19/797 in het geding tussen: [appellant] en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Procesverloop Bij besluit van 8 oktober 2018 heeft de staatssecretaris het verzoek van [appellant] om hem het Nederlanderschap te verlenen afgewezen. Bij besluit van 31 januari 2019 heeft de staatssecretaris het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
ECLI:NL:RVS:2020:379
fysieke omstandigheden; [Toelichting: hierbij kan gedacht worden aan bodemverontreiniging waardoor bosvorming onmogelijk is geworden, het afgraven van de grond tot onder de waterspiegel waardoor herplant onmogelijk is geworden of bos onder hoogspanningsleidingen waarbij de draden zo laag hangen dat bosontwikkeling niet meer mogelijk is.] […]. Bestemmingsplan Buitengebied gemeente Dalfsen Artikel 29 Leiding - Hoogspanningsverbinding 29.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Leiding - Hoogspanningsverbinding' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor: a. (een) bovengrondse verbinding(en) ten behoeve van het transport van elektriciteit; […]; met de daarbij behorende bouwwerken, geen gebouwen zijnde.
ECLI:NL:RVS:2022:188
202005866/1/V3. Datum uitspraak: 20 januari 2022 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: [de vreemdeling], appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem, van 7 oktober 2020 in zaak nr. 20/1618 in het geding tussen: de vreemdeling en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Procesverloop Bij besluit van 15 augustus 2019 heeft de staatssecretaris een aanvraag om de vreemdeling een machtiging tot voorlopig verblijf (hierna: mvv) te verlenen, afgewezen.
AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Haarlem Bestuursrecht zaaknummer: AWB 21/467 uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 3 mei 2022 in de zaak tussen [eiser] , eiser v-nummer: [#] , (gemachtigde: mr. T. Mustafazade), en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder, (gemachtigde: mr. S. Imami, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst). Procesverloop Bij besluit van 25 september 2020 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een mvv voor het doel “verblijf bij [naam 1] (referente)” afgewezen.

Bij besluit van 28 december 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 maart 2022. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden. Overwegingen Inleiding 1. Eiser is geboren op [geboortedatum] 2002 en heeft de Surinaamse nationaliteit. 1.1 Eiser verblijft in Suriname bij zijn oma. Eiser heeft op 5 november 2020 een mvv-aanvraag gedaan met als doel verblijf bij referente, zijn moeder, omdat zijn oma niet meer voor hem kan zorgen.

Referente is tevens de moeder van eisers meerderjarige broer, [naam 2] , die ook in Suriname verblijft. Referente heeft de Surinaamse nationaliteit maar verblijft sinds 2019 in Nederland op grond van het verblijfsrecht dat zij ontleent aan het arrest Chavez-Vilchez. Referente heeft namelijk nog een minderjarige dochter, [naam 3] , met de Nederlandse nationaliteit. [naam 3] is geboren op [geboortedatum] 2015 in Paramaribo en heeft een andere vader dan eiser. Deze vader is niet betrokken bij haar opvoeding. Referente en haar dochter wonen kosteloos in bij mevrouw [naam 4] . 1.2 Verweerder heeft de aanvraag van eiser afgewezen.

Eiser heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Dit bezwaar is in eerste instantie niet-ontvankelijk verklaard vanwege het ontbreken van gronden. Nadat alsnog gronden zijn ingediend, is het bezwaar in behandeling genomen. Dit bezwaar is bij het bestreden besluit ongegrond verklaard. Vrijstelling griffierecht 2. Eiser heeft verzocht om vrijstelling van het griffierecht vanwege betalingsonmacht. De rechtbank willigt dit verzoek in. Besluit van verweerder 3. Verweerder meent dat de aanvraag op goede gronden is afgewezen. Referente heeft namelijk een verblijfsrecht op grond van het arrest Chavez-Vilchez.

Dit verblijfsrecht is declaratoir en biedt daarom geen mogelijkheid om een verblijfsvergunning met als doel verblijf als familie- of gezinslid aan te vragen. Daarnaast is het verblijfsrecht niet-tijdelijk. Dit is voor de beoogde vergunning wel vereist. Verder neemt verweerder aan dat er familieleven is tussen eiser en referente, maar meent hij dat de afwijzing van de aanvraag geen schending van artikel 8 EVRM met zich meebrengt. Referente heeft ervoor gekozen om met haar dochter in Nederland te gaan wonen en mocht er daarbij niet vanuit gaan dat aan eiser verblijf in Nederland zou worden toegestaan.

Daarnaast is niet gebleken van een objectieve belemmering om het familieleven in Suriname uit te oefenen nu zowel eiser als referente lang in Suriname hebben verbleven en de Surinaamse nationaliteit hebben. Er is ook niet gebleken dat er bijzondere omstandigheden zijn die maken dat het familieleven in Nederland uitgeoefend moet worden. Weliswaar kan de grootmoeder van eiser niet voor hem zorgen, maar ten tijde van de aanvraag was eiser op twee dagen na 18 jaar. Niet is gebleken dat eiser nog intensieve praktische of opvoedkundige hulp nodig heeft.

Daarnaast woont eiser ook samen met zijn meerderjarige broer. Dat de Nederlandse dochter van referente mee zou gaan naar Suriname, is ook geen objectieve belemmering. Zij is namelijk pas vier jaar oud en heeft geen omgangsregeling met haar vader waardoor zij zich relatief eenvoudig kan aanpassen aan de situatie in Suriname. Dit is echter niet verplicht. Referente mag er nog steeds voor kiezen om met haar dochter in Nederland te blijven. Verder voldoet referente niet aan het middelenvereiste. Wat betreft de belangen van het kind meent verweerder dat deze voldoende zijn meegenomen in de beslissing.

Bovendien is eiser inmiddels meerderjarig. Ten aanzien van het horen meent verweerder dat uit jurisprudentie van de Afdeling volgt dat slechts is vereist dat aan minderjarigen dezelfde waarborgen worden geboden als aan meerderjarigen bij horen in soortgelijke procedures. In dit geval is niet gehoord, omdat het bezwaar kennelijk ongegrond is. Tenslotte stelt verweerder zich op het standpunt dat eiser niet is benadeeld door het feit dat hij niet is gehoord nu hij zijn bezwaren schriftelijk naar voren heeft kunnen brengen. Beoordeling van de beroepsgronden 4.

Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en voert hiertegen allereerst aan dat het declaratoire verblijfsrecht van referente wel mogelijkheid biedt tot het aanvragen van de beoogde verblijfsvergunning. Lidstaten kunnen namelijk afwijken van declaratoir Unierecht, als dit ten gunste van de vreemdeling is. Verder had verweerder bij zijn belangenafweging ten aanzien van artikel 8 EVRM rekening moeten houden met het gegeven dat de dochter van referente Nederland zou moeten verlaten als de aanvraag niet wordt ingewilligd. Dit is ook de reden dat verweerder al eerder een Chavez-Vilchez-verblijfsvergunning aan referente heeft verleend.

Referente is namelijk de primaire verzorgende ouder van haar Nederlandse dochter die Nederland zou moeten verlaten als haar moeder niet in Nederland mag blijven. Anderzijds heeft referente echter ook ouderlijk gezag over eiser. Dit maakt dat er wel degelijk sprake is van een subjectieve, dan wel objectieve belemmering, om het familieleven tussen eiser en referente in Suriname uit te oefenen. Het Unieburgerschap van de dochter van referente zou namelijk het nuttig effect verliezen als zij naar Suriname moet vertrekken. De afwijzing is dan ook in strijd met artikel 20 VWEU en artikel 8 EVRM.

Hiertoe verwijst eiser naar het arrest O., S. en L.. Verweerder heeft niet mogen volstaan met de stelling dat de keuze om naar Suriname te gaan vrijwillig is. Bovendien had verweerder het belang van het kind, zowel van eiser als van de dochter van referente, voorop moeten stellen. Dit is niet gebeurd. Daarnaast is sprake van een zorgvuldigheidsgebrek nu eiser niet is gehoord. Tenslotte voert referente aan dat zij wel beschikt over een duurzaam inkomen. Hiertoe heeft zij een verlenging van haar arbeidsovereenkomst overgelegd. 4.1 De rechtbank oordeelt als volgt.

Allereerst volgt de rechtbank verweerder in zijn standpunt dat een declaratoir verblijfsrecht, zoals het verblijfsrecht op grond van het arrest Chavez-Vilchez, geen mogelijkheid biedt tot het verlenen van de gevraagde verblijfsvergunning voor verblijf als familie- of gezinslid. Volgens de Afdeling moet een verblijfsrecht op grond van Chavez-Vilchez namelijk naar zijn aard als tijdelijk worden beschouwd. Op grond van artikel 3.15, eerste lid, aanhef en onder b, Vb kan een vergunning als bedoeld in artikel 3.13 Vb enkel worden verleend indien de hoofdpersoon rechtmatig verblijf heeft dat niet-tijdelijk is in de zin van artikel 3.5 Vb.

Om die reden heeft verweerder de aanvraag terecht geweigerd. 4.1.1 Ten aanzien van eisers stelling dat wel wordt voldaan aan het middelenvereiste en de daartoe overgelegde brief, een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd en salarisstroken, overweegt de rechtbank als volgt. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat uit de door eiser overgelegde brief over de verlenging van de arbeidsovereenkomst niet blijkt dat sprake is van een duurzaam inkomen. In de brief is bovendien opgenomen dat de arbeidstijd nul uren bedraagt. Er blijkt niet uit hoeveel uren referente daadwerkelijk zal kunnen werken en tegen welk salaris.

Met betrekking tot de arbeidsovereenkomst en de loonstroken die een dag voor zitting zijn overgelegd oordeelt de rechtbank dat deze niet kunnen dienen als onderbouwing van het middelenvereiste aangezien deze gaan over feiten van na het bestreden besluit. Derhalve leveren de stukken strijd op met de ex tunc toetsing. 4.1.2 Ten aanzien van eisers stelling dat verweerder had moeten toetsen aan het arrest Chavez-Vilchez en artikel 20 VWEU overweegt de rechtbank als volgt. Zoals het Hof in het arrest Chavez-Vilchez heeft overwogen, bestaan er zeer bijzondere situaties waarin aan een onderdaan van een derde land dat familielid is van een burger van de Unie een verblijfsrecht moet worden toegekend, omdat anders aan het Unieburgerschap de nuttige werking zou worden ontnomen indien, als gevolg van de weigering om een dergelijk recht te verlenen, deze burger feitelijk verplicht is het grondgebied van de gehele Unie te verlaten en hem zo het effectieve genot van de essentie van de aan die status ontleende rechten worden ontzegd.

Deze rechtspraak van het Hof is ook van toepassing in het geval de burger van de Unie feitelijk de toegang tot het grondgebied van de Unie wordt ontzegd omdat aan een onderdaan van een derde land dat familielid is van een burger van de Unie geen toegang tot het grondgebied van de Unie wordt verleend. Uit het verlenen van verblijfsrecht aan referente op grond van artikel 20 VWEU en het arrest Chavez-Vilchez in 2019, volgt dat verweerder op dat moment heeft erkend dat een afwijzing van die aanvraag zou leiden tot een rechtstreekse aantasting van het aan het Unieburgerschap ontleende recht van vrij verkeer en verblijf van haar op dat moment enige Nederlandse kind, [naam 3] .

Vaststaat dat [naam 3] bij referente in Nederland verblijft en dat, naar de rechtbank begrijpt, haar vader niet bij de zorg betrokken was en nog steeds niet is. Gelet op haar leeftijd is [naam 3] zonder referente dus nog steeds niet in staat om gebruik te maken van haar recht op vrij verkeer en verblijf. Elke beslissing die referente, haar moeder, feitelijk zou dwingen om het grondgebied van de Unie te verlaten, zou daarom aan haar Unieburgerschap de nuttige werking kunnen ontnemen. Gelet op het voorgaande diende verweerder aan de hand van de door eiser overgelegde informatie te beoordelen of de weigering om hem een mvv te verlenen, referente en [naam 3] feitelijk zou dwingen om het grondgebied van de Unie in het geheel te verlaten.

Anders dan verweerder betoogt, kan bij deze beoordeling geen doorslaggevende betekenis worden toegekend aan het feit dat referente in 2019 zelf de keuze heeft gemaakt om eiser in Suriname achter te laten. De rechtbank stelt echter vast dat verweerder ter zitting heeft toegelicht dat deze afweging wel degelijk is gemaakt en verweerder stelt zich daarbij naar het oordeel van de rechtbank terecht op het standpunt dat referente niet feitelijk gedwongen wordt om het grondgebied van de Unie met haar dochter te verlaten indien geen mvv wordt verleend aan eiser.

Immers eiser was ten tijde van het primaire besluit reeds meerderjarig en heeft in Suriname zijn meerderjarige broer en zijn oma om op terug te vallen. Niet kan worden gezegd dat zijn moeder voor het verlenen van de zorg gedwongen zal zijn naar Suriname terug te keren. De rechtbank is daarom van oordeel dat de afwijzing van de mvv-aanvraag niet in strijd is met het arrest Chavez-Vilchez of artikel 20 VWEU. 4.1.3 Ten aanzien van het beroep op artikel 8 EVRM heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank mogen overwegen dat geen sprake is van een objectieve of subjectieve belemmering om het familieleven in Suriname uit te oefenen.

Daarnaast heeft verweerder in het nadeel van eiser mogen meewegen dat referente niet over een duurzaam inkomen uit arbeid beschikt. Verweerder heeft om die reden het economisch belang van de staat mogen laten prevaleren. De afwijzing van de mvv-aanvraag levert derhalve geen schending van artikel 8 EVRM op. Conclusie 5. Het beroep is ongegrond.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. W.B. Klaus, rechter, in aanwezigheid van mr. R. Moes, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 3 mei 2022. griffier rechter afschrift verzonden aan partijen op: Coll: RechtsmiddelTegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Machtiging tot voorlopig verblijf. Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Zie de uitspraak van 29 september 2005, ECLI:NL:RVS:2005:AU3862. Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie. 6 december 2012, Hof van Justitie van de Europese Unie, C-356/11, C-357/11 (O., S. en L.), JV 2013/87. ECLI:NL:RVS:2020:2272. Vreemdelingenbesluit 2000. Zie ECLI:NL:RVS:2020:379. Hof van Justitie van de Europese Unie. Zie ECLI:NL:RVS:2022:188.