Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RBDHA:2022:4568 ECLI:NL:RBDHA:2022:4568 AI generated

ECLI:NL:RBDHA:2022:4568 · Rechtbank Den Haag

Case Number ECLI:NL:RBDHA:2022:4568
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: NL22.1682 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , eiser V-nummer: [V-nummer] (gemachtigde: mr. E. Stap), en de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. T. Pourjalili). Procesverloop Bij besluit van 20 januari 2022 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in de verlengde procedure afgewezen als ongegrond. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Legislator headnote

AI generated

artikel 3 van het EVRM; ECLI:NL:RBDHA:2022:4568 · Rechtbank Den Haag: Verweerder vindt het eerste element geloofwaardig en het tweede element niet geloofwaardig. Volgens verweerder heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat hij bij terugkeer naar Nigeria heeft te vrezen vanwege zijn betrokkenheid bij de [militante groepering] voor vervolging dan wel een behandeling strijdig met artikel 3 van het EVRM. Wat vindt eiser in beroep? 4. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit. Eiser voert aan dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij de [militante groepering] zat, door de leden wordt gezocht en daartegen geen bescherming kan krijgen van de Nigeriaanse autoriteiten.

Keywords

AI generated
gang membership supervised financial group membership terrorist organization interest group lack of standing of association

Cited Legislation

AI generated
artikel 3 van het EVRM
Volgens verweerder heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat hij bij terugkeer naar Nigeria heeft te vrezen vanwege zijn betrokkenheid bij de [militante groepering] voor vervolging dan wel een behandeling strijdig met artikel 3 van het EVRM.
AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: NL22.1682 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , eiser V-nummer: [V-nummer] (gemachtigde: mr. E. Stap), en de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. T. Pourjalili). Procesverloop Bij besluit van 20 januari 2022 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in de verlengde procedure afgewezen als ongegrond. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

De rechtbank heeft het beroep op 28 april 2022 op zitting behandeld.Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen I.D.O. Onwuegbuchu. Overwegingen Waar gaat deze zaak over? 1. Eiser is geboren op [geboortedag] 1977 en heeft de Nigeriaanse nationaliteit. Eiser heeft aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd dat hij zich in 2015 heeft aangesloten bij de [militante groeprering] en de [militante groepering] en hierdoor problemen heeft ondervonden. Eiser zou een eed hebben af moeten leggen dat hij een kind van een ander zou offeren.

Omdat hij dit niet wilde doen wilden de [militante groepering] hem vermoorden.

2. Het asielrelaas van eiser bevat volgens verweerder de volgende relevante elementen: Identiteit, nationaliteit en herkomst: Betrokkenheid bij de [militante groeprering] en de [militante groepering] (tezamen: [militante groepering] ) en de ondervonden problemen als gevolg daarvan.

3. Verweerder vindt het eerste element geloofwaardig en het tweede element niet geloofwaardig. Volgens verweerder heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat hij bij terugkeer naar Nigeria heeft te vrezen vanwege zijn betrokkenheid bij de [militante groepering] voor vervolging dan wel een behandeling strijdig met artikel 3 van het EVRM. Wat vindt eiser in beroep? 4. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit. Eiser voert aan dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij de [militante groepering] zat, door de leden wordt gezocht en daartegen geen bescherming kan krijgen van de Nigeriaanse autoriteiten.

Verder heeft verweerder zich ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiser niet kan verklaren wat hij voor werk deed voor hij zich aansloot bij de [militante groepering] in 2015. Eiser betoogt dat hij tussen het einde van zijn schoolopleiding bij de Junior Second School in 1995 en het moment dat hij bij de [militante groepering] kwam, als klusjesman heeft gewerkt en ook zwart heeft gewerkt en daarmee een wisselend inkomen heeft genoten. Eiser is bij de [militante groepering] gegaan om geld te verdienen. Hij kwam er pas op een later moment, nadat hij al een tijd bij de [militante groepering] zat, achter dat de organisatie in geldnood zat en dat hij niet uitbetaald zou worden.

Hij heeft de groep toen verlaten. Dat hij de namen van de leden niet kan noemen komt omdat hij de leden niet bij naam kende. Hij kan niet veel over de sabotages vertellen, omdat hij als bewaker gepaste afstand moest houden vanwege explosie gevaar. Verder voert eiser aan dat John (een man die hij heeft ontmoet in een bar) hem heeft overgehaald om bij de [militante groepering] te gaan, nadat eiser zijn vertrouwen had gewonnen. Wat is het oordeel van de rechtbank? Betrokkenheid bij de [militante groepering] en de ondervonden problemen als gevolg daarvan 5.

De rechtbank is met verweerder van oordeel dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij de [militante groepering] heeft gezeten en dat hij de [militante groepering] heeft verlaten. Het is dan ook niet geloofwaardig dat eiser activiteiten heeft verricht voor de [militante groepering] en als gevolg daarvan te vrezen heeft voor die [militante groepering] . Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zijn standpunt goed gemotiveerd op pagina 2 tot en met 6 van het voornemen en, naar aanleiding van de zienswijze, op pagina 2 tot en met 5 van het bestreden besluit.

In hetgeen eiser in zijn gronden van beroep en ter zitting heeft aangevoerd, ziet de rechtbank geen reden om hierover anders te oordelen. De stelling van eiser ter zitting, dat verweerder tijdens de gehoren de vragen niet duidelijk (genoeg) aan eiser heeft gesteld, volgt de rechtbank niet, nu daarvoor geen enkele aanwijzing bestaat in de verslagen van die gehoren.

6. Concluderend is de rechtbank van oordeel dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer naar Nigeria heeft te vrezen voor vervolging dan wel voor een behandeling strijdig met artikel 3 van het EVRM. Conclusie 7. Naar het oordeel van de rechtbank komt eiser niet in aanmerking voor toelating op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a of b, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000).

8. Het beroep is ongegrond.

9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. M. van Nooijen, rechter, in aanwezigheid van mr.N.Y. Majoor, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van bekendmaking. Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.