Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RBDHA:2022:346 ECLI:NL:RBDHA:2022:346 AI generated

ECLI:NL:RBDHA:2022:346 · Rechtbank Den Haag

Case Number ECLI:NL:RBDHA:2022:346
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

Rechtbank DEN HAAG Zittingsplaats ’s-Gravenhage CJIB-nummer: [CJIB-nummer] Registratienummer team straf: 9256549 \ MB VERZ 21-737 Uitspraakdatum : 24 januari 2022 Beslissing van de kantonrechter, tevens houdende het opgemaakte proces-verbaal van de zitting in de zaak van [betrokkene] wonende dan wel gevestigd te: [woonplaats] [adres] , nader ook te noemen: betrokkene gemachtigde: mr. N.G.A. Voorbach Het verloop van de procedure Aan betrokkene is een administratieve sanctie opgelegd. De gemachtigde heeft namens betrokkene daartegen administratief beroep ingesteld bij de officier van justitie.

Legislator headnote

AI generated

ECLI:NL:RBDHA:2022:346 · Rechtbank Den Haag: Hiermee heeft de besluitgever willen voorkomen dat een onredelijk hoge vergoeding wordt gegeven voor de in zulke zaken verrichte werkzaamheden van die rechtsbijstandverlener. Vaststaat dat de officier van justitie de hier bedoelde zaken in de fase van administratief beroep (nagenoeg) gelijktijdig heeft behandeld. Ook staat vast dat de gemachtigde in deze zaken de rechtsbijstand verleende. De vraag is of zijn werkzaamheden nagenoeg identiek konden zijn. Dat is het geval, indien voor de gemachtigde de behandeling van meer dan één zaak - in vergelijking met de behandeling van één zaak - een reële extra inspanning vergde.

Keywords

AI generated
offences against official duty lack of prosecutorial standing extortion of excessive official fees charging of procedural costs related offenses obligations of officials

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:HR:2016:420
18 maart 2016 nr. 15/03065 Arrest gewezen op het beroep in cassatie van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Heemstede (hierna: het College) alsmede het incidentele beroep in cassatie van [X] te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 4 juni 2015, nr. 14/00578, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Noord-Holland (nr. HAA 14/334) betreffende de ten aanzien van belanghebbende gegeven beschikking op grond van de Wet waardering onroerende zaken voor het jaar 2013 betreffende de onroerende zaak [a-straat 1] te [Z] (hierna: de WOZ-beschikking). De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
ECLI:NL:RVS:2021:1089
201909193/1/R2. Datum uitspraak: 26 mei 2021 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak in het geding tussen: 1. [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B], beiden wonend te Andel, gemeente Altena, 2. Kerkgenootschap de Hervormde Gemeente Op- en Neder Andel Gemeente Woudrichem (hierna: Kerkgenootschap), gevestigd te Andel, gemeente Altena, 3. [appellant sub 3], wonend te Andel, gemeente Altena, 4. [appellant sub 4A], wonend te Wijk en Aalburg, gemeente Altena, en [appellant sub 4B], wonend te Andel, gemeente Altena, 5. [appellant sub 5], wonend te Andel, gemeente Altena, appellanten, en de raad van de gemeente Altena, verweerder.
ECLI:NL:HR:2017:439
17 maart 2017 nr. 16/02570 Arrest gewezen op het beroep in cassatie van [X] te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 1 april 2016, nr. BK-15/00372, op het hoger beroep van de Inspecteur en het incidentele hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Den Haag (nr. SGR 14/8622) betreffende een beslissing met betrekking tot een veroordeling in de proceskosten. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
ECLI:NL:GHARL:2018:9133
WAHV 200.208.780 17 oktober 2018 CJIB 197588464 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden zittingsplaats Leeuwarden Arrest op het hoger beroep tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Overijssel van 5 januari 2017 betreffende [betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene), wonende te [A] , voor wie als gemachtigde optreedt [B] , kantoorhoudende te [C] . De beslissing van de kantonrechter De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond verklaard, de beslissing van de officier van justitie vernietigd en het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond verklaard.
ECLI:NL:GHARL:2021:3149
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN zittingsplaats Leeuwarden Zaaknummer : Wahv 200.277.058/01 CJIB-nummer : 226242165 Uitspraak d.d.
ECLI:NL:GHARL:2021:10892
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN zittingsplaats Leeuwarden Zaaknummer : Wahv 200.287.936/01 CJIB-nummer : 226852046 Uitspraak d.d.
AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

Rechtbank DEN HAAG Zittingsplaats ’s-Gravenhage CJIB-nummer: [CJIB-nummer] Registratienummer team straf: 9256549 \ MB VERZ 21-737 Uitspraakdatum : 24 januari 2022 Beslissing van de kantonrechter, tevens houdende het opgemaakte proces-verbaal van de zitting in de zaak van [betrokkene] wonende dan wel gevestigd te: [woonplaats] [adres] , nader ook te noemen: betrokkene gemachtigde: mr. N.G.A. Voorbach Het verloop van de procedure Aan betrokkene is een administratieve sanctie opgelegd. De gemachtigde heeft namens betrokkene daartegen administratief beroep ingesteld bij de officier van justitie.

De officier van justitie heeft de beschikking waarbij de sanctie is opgelegd, vernietigd en het verzoek van de gemachtigde tot vergoeding van de proceskosten toegewezen. Tegen de hoogte van de toegekende proceskostenvergoeding heeft de gemachtigde beroep ingesteld bij de kantonrechter. De kantonrechter heeft partijen in de gelegenheid gesteld om op de zitting van 10 januari 2022 de standpunten nader toe te lichten. De gemachtigde is niet verschenen, hoewel hij correct is uitgenodigd. Namens de officier van justitie is een zittingsvertegenwoordiger verschenen.

Overwegingen Het geschil In deze zaak is uitsluitend in geschil of de officier van justitie bij de beslissing van 18 februari 2021 terecht een proceskostenvergoeding ter hoogte van € 400,50 heeft toegekend. Volgens de officier van justitie is sprake van samenhang tussen deze zaak en drie andere zaken, zodat bij de berekening van de hoogte van de proceskostenvergoeding een factor 1,5 is toegepast. Het genoemde bedrag is dus het totaal voor de vier zaken. Standpunten van partijen Volgens de gemachtigde heeft de officier van justitie niet toereikend gemotiveerd dat sprake is van samenhangende zaken.

Verder meent de gemachtigde dat er onvoldoende samenhang bestaat tussen de vier genoemde zaken. Hij wijst er onder meer op dat de zaken inhoudelijk (sterk) afwijkende verweren kennen en dat de toelichting van de betrokkenen (sterk) afwijkend is. De vertegenwoordiger van de officier van justitie heeft ter zitting aangegeven dat de vier zaken wel met elkaar samenhangen. Bij de toekenning van proceskosten gaat het om een tegemoetkoming in de kosten en niet om een volledige schadevergoeding. De samenhang is in het leven geroepen om aan te sluiten bij de werkelijke inspanningen die de gemachtigde heeft verricht.

Er zijn standaardgronden aangevoerd die samenhangend zijn afgedaan. Beoordeling In een zaak als deze worden proceskosten berekend met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). In artikel 3, eerste lid, staat dat samenhangende zaken voor de toepassing van artikel 2, eerste lid, onder a, worden beschouwd als één zaak. Gelet op artikel 3, tweede lid, zijn ‘samenhangende zaken’: ‘door een of meer belanghebbenden gemaakte bezwaren of ingestelde beroepen, die door het bestuursorgaan of de bestuursrechter gelijktijdig of nagenoeg gelijktijdig zijn behandeld, waarin rechtsbijstand als bedoeld in artikel 1, onder a, is verleend door dezelfde persoon dan wel door een of meer personen die deel uitmaken van hetzelfde samenwerkingsverband en van wie de werkzaamheden in elk van de zaken nagenoeg identiek konden zijn.’ Deze definitie van ‘samenhangende zaken’ heeft tot doel te bewerkstelligen dat in zulke zaken de rechtsbijstandverlener niet langer voor iedere zaak afzonderlijk een kostenvergoeding ontvangt.

Hiermee heeft de besluitgever willen voorkomen dat een onredelijk hoge vergoeding wordt gegeven voor de in zulke zaken verrichte werkzaamheden van die rechtsbijstandverlener. Vaststaat dat de officier van justitie de hier bedoelde zaken in de fase van administratief beroep (nagenoeg) gelijktijdig heeft behandeld. Ook staat vast dat de gemachtigde in deze zaken de rechtsbijstand verleende. De vraag is of zijn werkzaamheden nagenoeg identiek konden zijn. Dat is het geval, indien voor de gemachtigde de behandeling van meer dan één zaak - in vergelijking met de behandeling van één zaak - een reële extra inspanning vergde.

Hierbij moet uitsluitend acht worden geslagen op de proceshandelingen die in de bijlage bij het Bpb staan. Niet is vereist dat er tussen de onderliggende verkeersboetes overeenkomsten (bijvoorbeeld dezelfde feitcode) bestaan. Evenmin is vereist dat de geschilpunten in de zaken identiek zijn. Anders dan de gemachtigde meent, hoeft de officier van justitie zijn standpunt dat sprake is van samenhangende zaken niet van een nadere motivering te voorzien. De kantonrechter moet echter wel de juistheid van dit standpunt kunnen beoordelen, indien hierover een onderbouwde beroepsgrond wordt aangevoerd.

Hiervoor zal de kantonrechter ten minste moeten beschikken over alle administratief beroepschriften. Als de kantonrechter deze beoordeling om wat voor reden dan ook niet kan maken, komt dit voor rekening en risico van de officier van justitie. Op hem rust immers de bewijslast en in het verlengde hiervan draagt hij het bewijsrisico. De gemachtigde heeft onderbouwd betoogd dat er onvoldoende samenhang bestaat tussen de hier bedoelde zaken. Hij heeft echter niet alle administratief beroepschriften overgelegd. De vertegenwoordiger van de officier van justitie heeft dat ter zitting wel gedaan.

De kantonrechter stelt vast dat deze beroepschriften grotendeels een gelijkluidende inhoud hebben. Zo hebben de bezwaren een algemeen karakter en is verder in elke zaak om dezelfde informatie verzocht. Toch zijn er ook verschillen te zien. In twee van de vier zaken zijn exact dezelfde beroepsgronden aangevoerd (‘controle bebording’). In de andere twee zijn andere beroepsgronden aangevoerd. Zo is in een daarvan gesteld dat er geen sprake was van een mobiel elektronisch apparaat, terwijl in de andere zaak juist is betoogd dat de vermeende pleeglocatie erg ruim was omschreven, dat er geen staandehouding was verricht en dat de verbalisant onvoldoende gegevens had gerelateerd om tot vaststelling van de gedraging te concluderen.

Deze andere beroepsgronden zijn echter zodanig algemeen geformuleerd en nauwelijks van een onderbouwing voorzien, dat voor de gemachtigde de behandeling van deze zaken - in vergelijking met de behandeling van één zaak - geen reële extra inspanning vergde. De officier van justitie is bij de berekening van de proceskostenvergoeding dan ook terecht uitgegaan van samenhangende zaken. Conclusies Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De kantonrechter: - verklaart het beroep ongegrond. Dit is de uitspraak van mr.

J.R.K.A.M. Waasdorp, kantonrechter, bijgestaan door D.C. Carsten, griffier en in het openbaar uitgesproken. De griffier De kantonrechter Als u het met de beslissing op uw beroep niet eens bent, dan kunt u binnen zes weken na toezending van deze beslissing hoger beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem - Leeuwarden, maar alleen als: a. de u opgelegde administratieve sanctie meer dan € 70,00 bedraagt, of b. uw beroep niet-ontvankelijk is verklaard omdat u niet of niet op tijd zekerheid heeft gesteld. Het beroepschrift moet worden ingediend bij de rechtbank Den Haag, Team Straf en dient door degene die het beroep heeft ingesteld of door zijn gemachtigde te zijn ondertekend.

De wet gaat uit van een geheel schriftelijke procedure in hoger beroep, tenzij door u bij het beroepschrift uitdrukkelijk om een mondelinge behandeling van de zaak is verzocht. Het instellen van hoger beroep per e-mail is niet mogelijk. Stb. 2014, 411, p. 34; Hoge Raad 18 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:420. Bijv. Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State 26 mei 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1089. Hoge Raad 17 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:439. Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 17 oktober 2018, ECLI:NL:GHARL:2018:9133. Hoge Raad 17 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:439.

Zie de arresten van 1 april 2021, ECLI:NL:GHARL:2021:3149 en van 24 november 2021, ECLI:NL:GHARL:2021:10892.