Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RBDHA:2022:2983 ECLI:NL:RBDHA:2022:2983 AI generated

ECLI:NL:RBDHA:2022:2983 · Rechtbank Den Haag

Case Number ECLI:NL:RBDHA:2022:2983
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Middelburg Bestuursrecht Zaaknummer: AWB 22/389 uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen [naam verzoeker], verzoeker, v-nummer: [V-nummer] en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder. Procesverloop Bij besluit van 29 december 2021 heeft verweerder de aanvraag van verzoeker voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met als doel ‘arbeid als zelfstandige’ niet in behandeling genomen. Verzoeker heeft tegen dit besluit op 20 januari 2022 bezwaar gemaakt. Door verzoeker is op 24 januari 2022 een verzoek om voorlopige voorziening ingediend.

Legislator headnote

AI generated

artikel 6:6 Awb, artikel 6:5 Awb; ECLI:NL:RBDHA:2022:2983 · Rechtbank Den Haag: De voorzieningenrechter doet op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting. Overwegingen 1. Op grond van artikel 8:81, vierde lid, van de Awb in samenhang met artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder d, van de Awb moet verzoeker in het verzoekschrift de gronden van verzoek vermelden. Indien niet aan dit vereiste is voldaan, kan op grond van artikel 6:6 Awb het verzoek niet-ontvankelijk worden verklaard, mits verzoeker de gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen binnen een hem daartoe gestelde termijn.

Keywords

AI generated
missed deadline untimely request for extension unjustified procedural delay statute of limitations time limit for revision statutory grace period

Cited Legislation

AI generated
artikel 6:6 Awb
Indien niet aan dit vereiste is voldaan, kan op grond van artikel 6:6 Awb het verzoek niet-ontvankelijk worden verklaard, mits verzoeker de gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen binnen een hem daartoe gestelde termijn.
artikel 6:5 Awb
Er is dan ook niet voldaan aan de eisen van artikel 6:5 Awb.
AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Middelburg Bestuursrecht Zaaknummer: AWB 22/389 uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen [naam verzoeker], verzoeker, v-nummer: [V-nummer] en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder. Procesverloop Bij besluit van 29 december 2021 heeft verweerder de aanvraag van verzoeker voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met als doel ‘arbeid als zelfstandige’ niet in behandeling genomen. Verzoeker heeft tegen dit besluit op 20 januari 2022 bezwaar gemaakt. Door verzoeker is op 24 januari 2022 een verzoek om voorlopige voorziening ingediend.

De voorzieningenrechter doet op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting. Overwegingen 1. Op grond van artikel 8:81, vierde lid, van de Awb in samenhang met artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder d, van de Awb moet verzoeker in het verzoekschrift de gronden van verzoek vermelden. Indien niet aan dit vereiste is voldaan, kan op grond van artikel 6:6 Awb het verzoek niet-ontvankelijk worden verklaard, mits verzoeker de gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen binnen een hem daartoe gestelde termijn.

2. De rechtbank stelt vast dat er geen gronden zijn vermeld in het verzoekschrift. De rechtbank heeft verzoeker bij brief van 3 februari 2022 hierop gewezen en hem in de gelegenheid gesteld om het verzuim te herstellen binnen twee weken na de verzending van de brief. Hierbij is vermeld dat, indien verzoeker niet aan dit verzoek voldoet, het verzoek niet-ontvankelijk kan worden verklaard. Op 21 februari 2022 is aan verzoeker een herinnering gestuurd. Verzoeker heeft geen gronden ingediend binnen de gestelde termijn. Niet is gebleken dat dit niet aan verzoeker is toe te rekenen. Er is dan ook niet voldaan aan de eisen van artikel 6:5 Awb.

3. Het verzoek om een voorlopige voorziening te treffen zal daarom kennelijk niet-ontvankelijk worden verklaard 5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk. Deze uitspraak is gedaan door mr. K.M. de Jager, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. S.C. Spruijt, griffier, op 24 maart 2022 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. Afschrift verzonden aan partijen op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open