Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RBDHA:2022:1629 ECLI:NL:RBDHA:2022:1629 AI generated

ECLI:NL:RBDHA:2022:1629 · Rechtbank Den Haag

Case Number ECLI:NL:RBDHA:2022:1629
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Middelburg Bestuursrecht zaaknummer: NL22.1433 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [naam], eiser v-nummer: [V-nummer] (gemachtigde: mr. J.J. Bronsveld), en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. C.W.M. van Breda). Procesverloop Bij besluit van 28 januari 2022 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen, omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. De rechtbank heeft het beroep, tezamen met de zaak NL22.1434, op 17 februari 2022 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door mr. M.S. Yap als waarnemer van zijn gemachtigde. Verweerder is, met bericht van verhindering, niet verschenen. Overwegingen 1. Eiser stelt dat hij is geboren op [geboortedatum] en dat hij de Pakistaanse nationaliteit heeft. Hij heeft op 19 augustus 2021 in Nederland een asielaanvraag ingediend.

Legislator headnote

AI generated

ECLI:NL:RBDHA:2022:1629 · Rechtbank Den Haag: Niet is in geschil dat Duitsland in beginsel verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag van eiser. Op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag verweerder er in het algemeen van uitgaan dat Duitsland zijn internationale verplichtingen nakomt. Het ligt op de weg van eiser om aannemelijk te maken dat ten aanzien van Duitsland niet langer hiervan kan worden uitgegaan. Eiser is hierin niet geslaagd.

Keywords

AI generated
unreasonableness of return to Afghanistan Iraqi asylum application refugee status expulsion despite persecution risk removal to northern Iraq departure from a country

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:RVS:2009:BK6157
Procesverloop Bij besluit van 15 december 2008 heeft de staatssecretaris van Justitie (hierna: de staatssecretaris) een aanvraag van [de vreemdeling] (hierna: de vreemdeling) om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen. Dit besluit is aangehecht. Bij uitspraak van 24 maart 2009, verzonden op dezelfde dag, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Zwolle (hierna: de voorzieningenrechter), voor zover thans van belang, het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht. Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 16 april 2009, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht. De vreemdeling heeft een verweerschrift ingediend. Vervolgens is het onderzoek gesloten.
ECLI:NL:RVS:2020:2592
201907074/1/V3. Datum uitspraak: 4 november 2020 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: [de vreemdeling], appellant, tegen de mondelinge uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Middelburg, van 19 september 2019 in zaak nr. NL19.20677 in het geding tussen: de vreemdeling en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Procesverloop Bij besluit van 2 september 2019 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.
ECLI:NL:RBDHA:2021:8290
RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Middelburg Bestuursrecht zaaknummer: NL21.7623 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [naam], eiser V-nummer: [nummer] (gemachtigde: mr.
ECLI:NL:RBDHA:2021:14001
Zie bijvoorbeeld de uitspraken van deze rechtbank, zittingsplaats Rotterdam, van 6 april 2021, ECLI:NL:RBDHA:202, 3364, zittingsplaats Middelburg van 23 juli 2021, ECLI:NL:RBDHA:2021:8290 en zittingsplaats Den Haag, van 16 december 2021, ECLI:NL:RBDHA:2021:14001.
AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Middelburg Bestuursrecht zaaknummer: NL22.1433 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [naam], eiser v-nummer: [V-nummer] (gemachtigde: mr. J.J. Bronsveld), en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. C.W.M. van Breda). Procesverloop Bij besluit van 28 januari 2022 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen, omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. De rechtbank heeft het beroep, tezamen met de zaak NL22.1434, op 17 februari 2022 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door mr. M.S. Yap als waarnemer van zijn gemachtigde. Verweerder is, met bericht van verhindering, niet verschenen. Overwegingen 1. Eiser stelt dat hij is geboren op [geboortedatum] en dat hij de Pakistaanse nationaliteit heeft. Hij heeft op 19 augustus 2021 in Nederland een asielaanvraag ingediend.

2. Verweerder heeft het bestreden besluit gebaseerd op artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Daarin is bepaald dat een asielaanvraag niet in behandeling wordt genomen indien op grond van de Dublinverordening is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. In dit geval heeft Nederland bij Duitsland een verzoek om terugname gedaan. Duitsland heeft dit verzoek aanvaard.

3. Eiser voert aan dat ten aanzien van Duitsland niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Eisers asielaanvraag is in Duitsland afgewezen en bij overdracht aan Duitsland loopt hij het risico dat hij naar Pakistan zal worden uitgezet. Om die reden is sprake van indirect refoulement. Eiser is Ahmadi en Duitsland hanteert voor deze bevolkingsgroep een ander beschermingsbeleid dan Nederland. Ter onderbouwing van zijn standpunt wijst eiser op het Annual Report on the Human Rights Situation van Human Rights Watch (HRW) van 13 januari 2021, een schrijven van HRW van 26 november 2020 en het Thematisch ambtsbericht over de positie van ahmadi’s en christenen in Pakistan van 23 december 2020. Tot slot stelt hij dat hij is verwesterd en om die reden niet kan terugkeren naar zijn land van herkomst. De rechtbank oordeelt als volgt.

4. Niet is in geschil dat Duitsland in beginsel verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag van eiser. Op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag verweerder er in het algemeen van uitgaan dat Duitsland zijn internationale verplichtingen nakomt. Het ligt op de weg van eiser om aannemelijk te maken dat ten aanzien van Duitsland niet langer hiervan kan worden uitgegaan. Eiser is hierin niet geslaagd.

5. Met het claimakkoord hebben de Duitse autoriteiten gegarandeerd dat eiser in Duitsland een (opvolgende) asielaanvraag kan indienen en dat deze zorgvuldig zal worden behandeld. De garantie van de Duitse autoriteiten omvat ook de verantwoordelijkheid dat eventuele uitzetting niet in strijd zal zijn met het verbod op refoulement.

6. Het is in beginsel niet aan de Nederlandse autoriteiten of de Nederlandse rechter om te bezien of Nederland op grond van de asielaanvraag tot een ander oordeel zou zijn gekomen en of het door de Duitse autoriteiten vastgestelde beleid juist is. Nederland moet toetsen of het verschil in beschermingsbeleid een ernstige, op feiten berustende, grond vormt om aan te nemen dat de overdracht aan Duitsland tot indirect refoulement zal leiden. Dat Nederland ten aanzien van Ahmadi’s uit Pakistan een ander beleid voert dan Duitsland betekent niet dat verweerder daarom ten aanzien van Duitsland niet mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel.

Dit is meermaals uitgemaakt in recente jurisprudentie. Uit de door eiser in beroep overgelegde ‘Aufforderung’ volgt evenmin dat Duitsland zijn internationale verplichtingen niet nakomt. Hieruit volgt weliswaar dat zijn eerdere asielaanvraag is afgewezen en hij Duitsland dient te verlaten, maar niet dat hij niet opnieuw een asielaanvraag kan indienen. Verweerder heeft verder in het bestreden besluit kunnen opmerken dat hij de gestelde verwestering aan een (opvolgende) asielaanvraag in Duitsland ten grondslag kan leggen.

7. Verweerder heeft zich verder terecht op het standpunt gesteld dat eiser zich bij voorkomende problemen in de asielprocedure en opvangvoorzieningen in Duitsland kan wenden tot de daartoe aangewezen (hogere) autoriteiten van Duitsland dan wel geëigende instanties. Niet is gebleken dat de autoriteiten van Duitsland hem niet zouden kunnen of willen helpen.

8. Het beroep is ongegrond.

9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. K.M. de Jager, rechter, in aanwezigheid van mr. A.E. Paulus, griffier en bekend gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. De uitspraak is bekendgemaakt op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking. Verordening (EU) nr. 604/2013. Uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 9 december 2009, ECLI:NL:RVS:2009:BK6157. Uitspraak van de Afdeling van 4 november 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2592. Zie bijvoorbeeld de uitspraken van deze rechtbank, zittingsplaats Rotterdam, van 6 april 2021, ECLI:NL:RBDHA:202, 3364, zittingsplaats Middelburg van 23 juli 2021, ECLI:NL:RBDHA:2021:8290 en zittingsplaats Den Haag, van 16 december 2021, ECLI:NL:RBDHA:2021:14001.