Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RBDHA:2022:14780 ECLI:NL:RBDHA:2022:14780 AI generated

ECLI:NL:RBDHA:2022:14780 · Rechtbank Den Haag

Case Number ECLI:NL:RBDHA:2022:14780
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummers: NL22.5342 en NL21.19509 uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaak tussen [eiser], eiser/verzoeker V-nummer: [V-nummer] (gemachtigde: mr. N. van Bremen), en de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. M. van Duren). Procesverloop 1. In het besluit van 10 december 2021 (primair besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser/verzoeker (hierna: eiser) tot het verlenen van een verblijfsvergunning humanitair niet-tijdelijk afgewezen en aan eiser een inreisverbod opgelegd voor de duur van 2 jaar.

Legislator headnote

AI generated

artikel 8 van het EVRM, artikel 3 van het EVRM, Artikel 7:3 van de Algemene wet bestuursrecht; ECLI:NL:RBDHA:2022:14780 · Rechtbank Den Haag: Eiser heeft de Marokkaanse nationaliteit. Hij woont naar eigen zeggen sinds 1988 in Nederland. Hij heeft hier eerst een aantal jaar gewerkt en sindsdien heeft hij bij zijn zus ingewoond. Eiser heeft een aantal keer uitstel van vertrek gekregen vanwege psychische problemen. In de onderhavige aanvraag doet eiser een beroep op artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en zijn medische problematiek.

Keywords

AI generated
undue delay in asylum prolonged absence abroad reinstatement of refugee status expired residence permit extension of detention deportation visa for temporary stay

Cited Legislation

AI generated
artikel 8 van het EVRM
Verweerder heeft naar aanleiding van de aanvraag op 26 juli 2021 naar eiser een herstelverzuimbrief gestuurd met daarin verschillende vragen in het kader van artikel 8 van het EVRM en een opsomming van de bijlagen en bewijsmiddelen die eiser nog voor zijn aanvraag moet aanleveren.
artikel 3 van het EVRM
Het is aan eiser om zijn medische situatie te onderbouwen.7 Omdat eiser dit niet heeft gedaan, is niet gebleken dat in zijn geval terugkeer naar Marokko in strijd is met artikel 3 van het EVRM.
Artikel 7:3 van de Algemene wet bestuursrecht
6 Artikel 7:3 van de Algemene wet bestuursrecht.

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:RVS:2007:BA2998
Procesverloop Bij onderscheiden besluiten van 22 mei 2003 heeft de korpschef van de regiopolitie Twente een aanvraag van appellanten om op de voet van artikel 64 van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) hun uitzetting achterwege te laten, afgewezen. Bij onderscheiden besluiten van 12 februari 2004 heeft de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie (hierna: de minister) het daartegen door appellanten gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 5 januari 2005 heeft de rechtbank ’s-Gravenhage, nevenzittingsplaats Leeuwarden, het daartegen door appellanten ingestelde beroep gegrond verklaard, die besluiten vernietigd en bepaald dat de minister nieuwe besluiten op het gemaakte bezwaar neemt met in achtneming van die uitspraak.
ECLI:NL:RVS:2022:1918
202106513/1/V2. Datum uitspraak: 6 juli 2022 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, appellant, tegen de tussenuitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 28 juli 2021 en haar uitspraak van 16 september 2021, beide in zaak nr. 21/1018 in het geding tussen: [de vreemdeling] en de staatssecretaris. Procesverloop Bij besluit van 12 mei 2020 heeft de staatssecretaris een aanvraag om de vreemdeling een machtiging tot voorlopig verblijf te verlenen, afgewezen.
ECLI:NL:RVS:2019:1288
201806825/1/V1. Datum uitspraak: 19 april 2019 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van: de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 3 augustus 2018 in zaken nrs. 17/15617 en 17/15618 in het geding tussen: [de vreemdeling 1] en[de vreemdeling 2]; hierna samen: de vreemdelingen) en de staatssecretaris. Procesverloop Bij besluiten van 24 augustus 2017 heeft de staatssecretaris een aanvraag van vreemdeling 1 om haar een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen buiten behandeling gesteld en een aanvraag om vreemdeling 2 een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummers: NL22.5342 en NL21.19509 uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaak tussen [eiser], eiser/verzoeker V-nummer: [V-nummer] (gemachtigde: mr. N. van Bremen), en de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. M. van Duren). Procesverloop 1. In het besluit van 10 december 2021 (primair besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser/verzoeker (hierna: eiser) tot het verlenen van een verblijfsvergunning humanitair niet-tijdelijk afgewezen en aan eiser een inreisverbod opgelegd voor de duur van 2 jaar.

2. Eiser heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt. Hij heeft verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

3. Voordat een zitting heeft plaatsgevonden, heeft verweerder bij besluit van 25 maart 2022 (bestreden besluit) het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

4. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld, zodat het verzoek om voorlopige voorziening geldt als een verzoek gedaan hangende het beroep bij de rechtbank.

5. Het onderzoek ter zitting is aangevangen op 6 juli 2022. Eiser en zijn gemachtigde zijn toen met bericht van verhindering niet verschenen. Verweerder heeft zich op de zitting op het standpunt gesteld dat eiser geen procesbelang meer heeft, omdat hij met onbekende bestemming (mob) is vertrokken.

6. De rechtbank heeft vervolgens het onderzoek ter zitting geschorst en de gemachtigde van eiser in de gelegenheid gesteld om te reageren op de mob-melding en daarbij aan te geven of er recentelijk nog contact is geweest.

7. De gemachtigde van eiser heeft op 14 juli 2022 gereageerd dat eiser nog steeds in Nederland is en dat er nog steeds contact is tussen eiser en zijn gemachtigde.

8. De behandeling van het onderzoek op zitting is vervolgens op 7 september 2022 hervat. Eiser heeft zich telefonisch laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Overwegingen 9. Eiser heeft de rechtbank verzocht om vrijstelling van betaling van het griffierecht wegens betalingsonmacht. Eiser heeft met de overgelegde gegevens aannemelijk gemaakt dat hij niet voldoende inkomsten of vermogen heeft om het verschuldigde bedrag aan griffierecht te betalen. Het beroep op betalingsonmacht slaagt. Eiser wordt vrijgesteld van de verplichting om griffierecht te betalen.

10. Eiser heeft de Marokkaanse nationaliteit. Hij woont naar eigen zeggen sinds 1988 in Nederland. Hij heeft hier eerst een aantal jaar gewerkt en sindsdien heeft hij bij zijn zus ingewoond. Eiser heeft een aantal keer uitstel van vertrek gekregen vanwege psychische problemen. In de onderhavige aanvraag doet eiser een beroep op artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en zijn medische problematiek.

11. Verweerder heeft naar aanleiding van de aanvraag op 26 juli 2021 naar eiser een herstelverzuimbrief gestuurd met daarin verschillende vragen in het kader van artikel 8 van het EVRM en een opsomming van de bijlagen en bewijsmiddelen die eiser nog voor zijn aanvraag moet aanleveren.

12. De gemachtigde van eiser heeft op 9 augustus 2021 aan verweerder verzocht een adequate nadere termijn te bepalen voor het aanleveren van de stukken.

13. Verweerder heeft in het primair besluit van 10 december 2021 vermeld dat aan eiser uitstel is verleend tot 17 september 2021. Eiser heeft geen gebruik gemaakt van de gelegenheid om zijn aanvraag schriftelijk aan te vullen. Verweerder heeft de aanvraag van eiser afgewezen, omdat hij geen geldige machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) heeft en hij niet in aanmerking komt voor vrijstelling daarvan.1 Eiser wordt niet vrijgesteld van het mvv- vereiste op grond van zijn medische situatie omdat hij niet de gevraagde bewijsmiddelen heeft aangeleverd.

Hij heeft niet de bijlage toestemmingsverklaring medische gegevens, bijlage bewijs omtrent medische situatie vreemdeling en bijlage toelichting en bewijsmiddelen medische omstandigheden overgelegd. De medische situatie van eiser kon daarom niet worden betrokken in het besluit. Eiser wordt verder niet vrijgesteld van het mvv-vereiste op grond van artikel 8 van het EVRM, omdat niet is gebleken van familie- of gezinsleven in Nederland in de zin van dat artikel. De verklaringen van de GGZ en de gestelde familieleden of kennissen zijn onvoldoende gemotiveerd en niet onderbouwd met objectief verifieerbare documenten om familieleven aan te nemen.

Eiser heeft verder wel privéleven in Nederland, maar niet is gebleken van (bijzondere) banden met Nederland die de banden van eiser met Marokko overstijgen. De aanvraag van eiser is tot slot afgewezen omdat hij niet voldoet aan het paspoortvereiste.2 1. Artikel 17 van de Vreemdelingenwet (Vw), artikel 3.71 van het Vreemdelingenbesluit (Vb) en paragraaf B1/4.1 van de Vreemdelingencircula ire. 2 Artikel 16, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw en artikel 3.72 van het Vb.

14. Eiser is hiertegen in bezwaar gegaan en heeft een verzoek om voorlopige voorziening ingediend bij de rechtbank. Eiser heeft geen gronden van bezwaar ingediend. Verweerder heeft daarom bij het bestreden besluit de gronden van het verzoek om voorlopige voorziening aangemerkt als de gronden van bezwaar. Eiser heeft daarin aangevoerd dat de herstelverzuimbrief nooit door zijn gemachtigde is ontvangen, waardoor eiser niet de kans heeft gehad om nadere stukken aan te leveren ten behoeve van de aanvraag.

15. Verweerder is vervolgens in het bestreden besluit bij de afwijzing van de aanvraag gebleven en heeft het bezwaar kennelijk ongegrond verklaard. De gemachtigde van eiser heeft op 9 augustus 2021 om uitstel van reactie verzocht, dit impliceert volgens verweerder dat de herstelverzuimbrief wel door hem is ontvangen.

16. Eiser voert in beroep aan dat verweerder hem geen hersteltermijn heeft gegeven voor de ontbrekende informatie en documenten, terwijl hij daar op 9 augustus 2021 wel om heeft verzocht. In het primaire besluit staat dat een termijn is gegeven tot 17 september 2021, maar eiser heeft hier nooit een bericht van ontvangen. Dit is onzorgvuldig. Verweerder heeft eiser verder ten onrechte in bezwaar niet gehoord. Een hoorzitting was het middel geweest om nadere informatie te verkrijgen om een inschatting te kunnen maken van de belangen en bijzondere omstandigheden.

Eiser voert verder aan dat vaststaat dat sprake is van privéleven in Nederland. Uit de door hem overgelegde stukken blijken de banden die hij heeft met Nederland. Verweerder gaat hier ten onrechte aan voorbij. Uitzetting is daarom in strijd met artikel 8 van het EVRM. Verweerder heeft gelet op het inreisverbod bovendien nader onderzoek moeten doen en een uitgebreidere belangenafweging moeten maken. Eiser voert tot slot aan dat wel sprake is van een medische noodsituatie bij terugkeer. Verweerder schat terugkeer naar zijn land van herkomst tot slot ten onrechte als haalbaar.

Eiser verwijst naar rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (onder meer het arrest van 6 februari 20013) en een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 6 april 2007.4 Verweerder dient te toetsen of uitzetting niet leidt tot een situatie die in strijd is met artikel 3 van het EVRM.

17. De rechtbank is van oordeel dat verweerder in het bestreden besluit er terecht vanuit is gegaan dat eiser de herstelverzuimbrief van 26 juli 2021 heeft ontvangen waarin om de ontbrekende informatie is verzocht. Dat eiser dit heeft ontvangen volgt uit het verzoek om uitstel van 9 augustus 2021 waarin de gemachtigde van eiser refereert aan de brief van 26 juli 2021. Dat verweerder daar vervolgens niet op heeft gereageerd is door eiser voor het eerst op de zitting aangevoerd en niet eerder in de bezwaarfase of in de beroepsgronden. Dit had wel in bezwaar gemoeten, omdat in het primaire besluit al is vermeld dat er uitstel is verleend tot 17 september 2021. De rechtbank gaat er daarom vanuit dat uitstel is verleend tot 17 september 2021 zoals is vermeld in het primaire besluit, ook al bevat het dossier geen schriftelijke bevestiging daarvan. Daarbij merkt de rechtbank op dat ook in bezwaar of beroep door eiser geen aanbod is gedaan om de stukken alsnog te overleggen. Er is dus geen sprake van een onzorgvuldige besluitvorming. Deze beroepsgrond slaagt dus niet.

18. Over de hoorplicht overweegt de rechtbank dat niet is gebleken dat eiser inspanningen heeft verricht om de gevraagde documenten te verkrijgen en vragen te 3 ECLI:CE:ECHR:2001:0206JUD004459998 4 ECLI:NL:RVS:2007:BA2998 beantwoorden.5 Ook heeft eiser na zijn verzoek van 9 augustus 2021 niet meer hierover met verweerder gecommuniceerd. Omdat de overige gronden van bezwaar alleen algemeen zijn verwoord en het daarom om een herhaling van zetten gaat, heeft verweerder het bezwaar van eiser terecht kennelijk ongegrond verklaard. Verweerder heeft mogen afzien van horen van eiser in de bezwaarfase.6 19.

De rechtbank overweegt tot slot dat verweerder heeft gemotiveerd waarom uit de overgelegde stukken niet blijkt dat sprake is van (bijzondere) banden met Nederland die de banden van eiser met Marokko overstijgen. Eiser heeft zijn standpunt in beroep niet nader gemotiveerd. De rechtbank is verder van oordeel dat verweerder terecht heeft geconcludeerd in het geval van eiser geen sprake is van een situatie die valt onder de bescherming van artikel 8 van het EVRM. De medische situatie van eiser heeft verweerder tot slot niet kunnen beoordelen omdat eiser niet alle daarvoor benodigde stukken heeft overgelegd.

Ook in beroep heeft eiser deze stukken niet overgelegd. Het is aan eiser om zijn medische situatie te onderbouwen.7 Omdat eiser dit niet heeft gedaan, is niet gebleken dat in zijn geval terugkeer naar Marokko in strijd is met artikel 3 van het EVRM.

20. De rechtbank is van oordeel dat verweerder de aanvraag van eiser terecht heeft afgewezen omdat hij geen geldige mvv heeft en niet in aanmerking komt voor vrijstelling van het mvv-vereiste. Het beroep is ongegrond.

21. Omdat het beroep ongegrond is, is er geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen.

22. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af. Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J. Catsburg, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. A.M. Zwijnenberg, griffier. 5 Zie uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, van 6 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1918, rechtsoverweging 5.2. 6 Artikel 7:3 van de Algemene wet bestuursrecht. 7 ABRvS van 19 april 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1288. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: 21 september 2022 Documentcode: [documentcode] Bent u het niet eens met deze uitspraak? Als u het niet eens bent met deze uitspraak voor zover daarbij is beslist op het beroep, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.