Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RBDHA:2022:14232 ECLI:NL:RBDHA:2022:14232 AI generated

ECLI:NL:RBDHA:2022:14232 · Rechtbank Den Haag

Case Number ECLI:NL:RBDHA:2022:14232
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

Rechtbank DEN HAAG Team belastingrecht zaaknummer: SGR 21/2899 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 december 2022 in de zaak tussen [eiseres] , wonende te [woonplaats] , eiseres en de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder. Procesverloop Verweerder heeft aan eiseres voor het jaar 2018 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd. Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 6 mei 2021 de aanslag gehandhaafd. Eiseres heeft daartegen beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Partijen hebben vóór de zitting nadere stukken ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 oktober 2022. Eiseres is verschenen, bijgestaan door [A] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. [B] en [C] . De zaak is gelijktijdig behandeld met de zaak van [A] met zaaknummer SGR 20/3953. Overwegingen Feiten 1. Eiseres heeft voor het jaar 2018 aangifte gedaan van een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 78.243 en een inkomen uit sparen en beleggen (box 3 inkomen) van € 51.515.

Legislator headnote

AI generated

artikel 14 EVRM; ECLI:NL:RBDHA:2022:14232 · Rechtbank Den Haag: Zoals volgt uit het arrest van de Hoge Raad van 20 mei 2022 dient de feitenrechter vanaf de datum waarop de collectieve uitspraak op bezwaar is gedaan bij de behandeling van het (hoger) beroep dat betrekking heeft op het individuele bezwaar, de gevolgen van de collectieve uitspraak in zijn oordeel te betrekken, met inbegrip van een krachtens artikel 25e, lid 4, Algemene wet inzake rijksbelastingen genomen besluit inzake vermindering. Dit betekent dat de rechtbank in de onderhavige zaak rekening moet houden met het kerstarrest.

Keywords

AI generated
remuneration of work rent deduction in supplementary benefits professional expenses compensable work loss unpaid work compensable branch of activity

Cited Legislation

AI generated
artikel 14 EVRM
Voor degene die door dit forfaitaire stelsel wordt geconfronteerd met een heffing naar een voordeel uit sparen en beleggen dat hoger is dan het werkelijk behaalde rendement leidt dit tot een schending van zijn door artikel 1 EP, in samenhang met artikel 14 EVRM, gewaarborgde rechten.

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:HR:2007:AZ4768
Het geding in feitelijke instantie Aan belanghebbende is voor het jaar 2001 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is verminderd. Het Hof heeft het tegen die uitspraak ingestelde beroep gegrond verklaard, de uitspraak van de Inspecteur vernietigd en de aanslag verminderd tot een aanslag naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 23.125. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
ECLI:NL:HR:2021:1963
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN BELASTINGKAMER Nummer 21/01243 Datum 24 december 2021 ARREST in de zaak van [X] te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van de Rechtbank Gelderland van 10 februari 2021, nrs. AWB 20/3028 en 20/3029, betreffende de aan belanghebbende voor de jaren 2017 en 2018 opgelegde aanslagen in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.
ECLI:NL:HR:2022:718
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN BELASTINGKAMER Nummer 21/03587 Datum 20 mei 2022 ARREST in de zaak van [X] te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 14 juli 2021, nrs. BK-20/00685 en BK-20/00686, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Den Haag (nrs. SGR 19/3695 en SGR 20/3656) betreffende de aan belanghebbende voor de jaren 2017 en 2018 opgelegde aanslagen in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.
ECLI:NL:GHSHE:2022:3806
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Team belastingrecht Meervoudige Belastingkamer Nummer: 20/00499 Uitspraak op het hoger beroep van [belanghebbende] , wonend in [woonplaats] , hierna: belanghebbende, tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 27 augustus 2020, nummer BRE 19/3954 in het geding tussen belanghebbende en de inspecteur van de Belastingdienst, hierna: de inspecteur. 1Ontstaan en loop van het geding 1.1. De inspecteur heeft de aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) 2017 opgelegd. 1.2.
AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

Rechtbank DEN HAAG Team belastingrecht zaaknummer: SGR 21/2899 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 december 2022 in de zaak tussen [eiseres] , wonende te [woonplaats] , eiseres en de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder. Procesverloop Verweerder heeft aan eiseres voor het jaar 2018 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd. Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 6 mei 2021 de aanslag gehandhaafd. Eiseres heeft daartegen beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Partijen hebben vóór de zitting nadere stukken ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 oktober 2022. Eiseres is verschenen, bijgestaan door [A] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. [B] en [C] . De zaak is gelijktijdig behandeld met de zaak van [A] met zaaknummer SGR 20/3953. Overwegingen Feiten 1. Eiseres heeft voor het jaar 2018 aangifte gedaan van een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 78.243 en een inkomen uit sparen en beleggen (box 3 inkomen) van € 51.515.

2. Blijkens de ingediende aangifte beschikt eiseres over bank- en spaartegoeden in Nederland ten bedrage van € 552.135 en aandelen met een waarde van € 661.597 en heeft zij schulden ten bedrage van € 7.100 waarvan gelet op de schuldendrempel een bedrag van € 4.100 in aanmerking wordt genomen. De rendementsgrondslag is daarmee € 1.209.632 en de grondslag voor de berekening van het box 3 inkomen bedraagt, gelet op het heffingsvrije vermogen, € 1.179.632.

3. Verweerder heeft aan eiseres voor het jaar 2018 een aanslag IB/PVV opgelegd overeenkomstig de ingediende aangifte. Bij verminderingsbeschikking van 22 juli 2022 heeft verweerder het box 3 inkomen verminderd naar € 35.153 en daarbij de bij de aanslag berekende belastingrente dienovereenkomstig verminderd Geschil 4. In geschil is of de aanslag IB/PVV 2018 te hoog is vastgesteld. Meer specifiek is in geschil of het box 3 inkomen te hoog is vastgesteld en of, mede vanwege de afschaffing van de mogelijkheid juridische kosten voor een arbeidsconflict in aftrek te brengen in combinatie met de invoering van de vermogensrendementsheffing, accumulatie van ontnemingen heeft plaatsgevonden waardoor sprake is van een individuele buitensporige last.

5. Eiseres beantwoordt deze vragen bevestigend en concludeert tot een verdere vermindering van de aanslag.

6. Verweerder is de tegengestelde mening toegedaan en concludeert tot handhaving van de aanslag zoals nader vastgesteld bij de verminderingsbeschikking. Beoordeling van het geschil Het box 3 inkomen 7. De Hoge Raad heeft in het (zogenoemde) kerstarrest geoordeeld dat de forfaitaire rendementsheffing zoals deze geldt met ingang van 2017 een relatieve ongelijke behandeling creëert op basis van een omstandigheid die de betrokkenen niet zelf in de hand hebben. Voorts oordeelt de Hoge Raad dat – ook met inachtneming van de ruime beoordelingsmarge die de wetgever toekomt – in redelijkheid niet kan worden gezegd dat het sinds 2017 geldende forfaitaire stelsel de uit artikel 1 van het Eerste Protocol (EP) bij het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) voortvloeiende proportionaliteitstoets kan doorstaan.

Voor dit stelsel is dus geen toereikende rechtvaardiging aan te wijzen. Voor degene die door dit forfaitaire stelsel wordt geconfronteerd met een heffing naar een voordeel uit sparen en beleggen dat hoger is dan het werkelijk behaalde rendement leidt dit tot een schending van zijn door artikel 1 EP, in samenhang met artikel 14 EVRM, gewaarborgde rechten. De Hoge Raad heeft voorts aanleiding gezien om belanghebbenden adequate rechtsbescherming te bieden tegen de geconstateerde schending van hun fundamentele rechten. Deze rechtsbescherming vergt een op rechtsherstel gerichte compensatie, waarvan de rechter de omvang in het algemeen slechts naar redelijkheid zal kunnen vaststellen.

De Hoge Raad heeft dat rechtsherstel geboden door te bepalen dat alleen het werkelijke rendement in de heffing wordt betrokken.

8. Zoals volgt uit het arrest van de Hoge Raad van 20 mei 2022 dient de feitenrechter vanaf de datum waarop de collectieve uitspraak op bezwaar is gedaan bij de behandeling van het (hoger) beroep dat betrekking heeft op het individuele bezwaar, de gevolgen van de collectieve uitspraak in zijn oordeel te betrekken, met inbegrip van een krachtens artikel 25e, lid 4, Algemene wet inzake rijksbelastingen genomen besluit inzake vermindering. Dit betekent dat de rechtbank in de onderhavige zaak rekening moet houden met het kerstarrest.

9. De wijze waarop rekening wordt gehouden met het kerstarrest in de vorm van verminderingen van de aanslagen is door de staatssecretaris van Financiën neergelegd in het Besluit rechtsherstel.

10. Verweerder heeft met inachtneming van het Besluit rechtsherstel het box 3 inkomen van eiseres herberekend op basis van de in het navolgend overzicht opgenomen rendement, waarbij ‘Vermogenscategorie 1’ de Bank- en spaartegoeden behelst, ‘Vermogenscategorie 2’ alle overige bezittingen en ‘Vermogenscategorie 3’ de schulden. Vermogenscategorie 1 Vermogenscategorie 2 Vermogenscategorie 3 2017 0,25% 5,39% 3,43% 2018 0,12% 5,38% 3,20% 2019 0,08% 5,59% 3,00% 2020 0,04% 5,28% 2,74% 2021 0,01% 5,69% 2,46% Verweerder heeft het box 3 inkomen aldus berekend op € 35.153.

11. De vraag ligt voor of aan eiseres in afwijking van het Besluit rechtsherstel meer compensatie moet worden geboden. De rechtbank beantwoordt die vraag ontkennend en overweegt daartoe het volgende.

12. De op rechtsherstel gerichte compensatie dient in beginsel aan te sluiten bij het werkelijk behaalde rendement. De bewijslast daarvan rust in beginsel op de belastingplichtige.

13. De rechtbank stelt voorop dat naar haar oordeel onder werkelijk behaald rendement ook ongerealiseerde waardestijgingen kunnen worden begrepen. De rechtbank stelt vervolgens vast eiseres enkel heeft gesteld dat verweerder met een te hoog rendement heeft gerekend. Eiseres heeft daarbij, terwijl dit dus wel op haar weg lag (zie hiervóór onder 12), geen enkel inzicht gegeven in welke inkomsten (bijvoorbeeld rente en/of dividend) zij wel heeft genoten en wat bijvoorbeeld de waardeontwikkeling van haar aandelen in 2018 is geweest. Onder die omstandigheden is niet aannemelijk geworden dat het door verweerder op basis van het Besluit rechtsherstel gehanteerde rendement onjuist (te hoog) is en bestaat geen aanleiding eiseres meer rechtsherstel te bieden dan reeds is verleend via toepassing van het Besluit rechtsherstel. Dit betekent dat geen aanleiding bestaat het box 3 inkomen verder te verlagen dan reeds bij de verminderingsbeschikking is gedaan.

14. Nu het box 3 inkomen (zoveel als mogelijk) is gebaseerd op het werkelijke rendement, is in zoverre ook geen sprake van een individuele buitensporige last. Het tegendeel heeft eiseres, gezien ook haar overige (arbeids)inkomsten, niet aannemelijk gemaakt.

15. Dat de belastingrente nog verder dient tot worden verminderd dan bij de verminderingsbeschikking reeds is gedaan, is verder gesteld noch gebleken. Niet aftrekbaarheid juridische kosten voor een arbeidsconflict 16. Het is sinds de invoering van de Wet IB 2001 vaste jurisprudentie dat, anders dan onder de Wet op de inkomstenbelasting 1964 het geval was, onder de Wet IB 2001 aftrek van juridische kosten voor een arbeidsconflict bij een dienstbetrekking niet (meer) mogelijk is. De Hoge Raad heeft zich over deze kwestie ook al meerdere malen uitgelaten en heeft beslist dat de keuze van de wetgever om de aftrek van de werkelijke kosten bij dienstbetrekking af te schaffen, daaronder dus tevens vallend juridische kosten voor een arbeidsconflict, moet worden geëerbiedigd (vgl. Hoge Raad 10 augustus 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ4768).

Ook over de situatie bij eiseres heeft de Hoge Raad geoordeeld. De Hoge Raad heeft daarbij de uitspraak van Hof Den Haag, nr. BK-04/02483 (niet gepubliceerd) - waarbij het Hof heeft beslist in lijn met voornoemd arrest van de Hoge Raad en heeft bepaald dat het feit dat geen overgangsrecht in het leven is geroepen voor gevallen waarbij, zoals bij eiseres, in 2001 reeds een arbeidsconflict onder de rechter was, dat niet anders maakt - onder toepassing van artikel 81 RO in stand gelaten. De rechtbank ziet in alles wat eiseres dienaangaande heeft aangevoerd, daaronder begrepen al de Europese jurisprudentie waarnaar zij verwijst, geen aanleiding om in afwijking van deze jurisprudentie te oordelen dat dergelijke kosten wél aftrekbaar (hadden moeten) zijn.

De rechtbank verwerpt dan ook het andersluidende standpunt van eiseres. Dit betekent ook dat uit dezen hoofde geen sprake is van een ongeoorloofde individuele buitensporige last.

17. Voor zover eiseres stelt dat zij ‘al twintig jaar lang in onzekerheid leeft omdat zij geen duidelijkheid heeft gekregen over de al dan niet Verdragsconformiteit van de niet aftrekbaarheid van juridische kosten voor een arbeidsconflict enerzijds en de vermogensrendementsheffing anderzijds’, volgt de rechtbank haar daarin niet. Immers, over de eerste regeling heeft de Hoge Raad (in samenhang bezien met de onderliggende hofuitspra(a)k(en) reeds in 2007 beslist. Voor de tweede regeling geldt dat blijkens al de jurisprudentie van de Hoge Raad in dat verband eerst vanaf 2017 rechtsherstel moet worden geboden.

Daarvóór is steevast geoordeeld dat daarvoor geen aanleiding bestond, en ook is dat niet met terugwerkende kracht geconcludeerd. Belastingheffing over eerdere jaren 18. Voor zover eiseres in deze procedure bepleit dat over eerdere jaren betaalde box 1 of box 3 heffing aan haar wordt geretourneerd, gaat de rechtbank daaraan voorbij. In deze procedure gaat het alleen om de aanslag IB/PVV 2018. Belastingheffing over andere jaren kan daarbij niet aan de orde komen en daar kan de rechtbank dan ook niet over oordelen. Verzoek stellen van prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie EU 19.

Eiseres verzoekt de rechtbank om over te gaan tot het stellen van prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie EU. De rechtbank komt aan dat verzoek niet tegemoet. De rechtbank is niet verplicht tot het stellen van prejudiciële vragen en ziet in hetgeen eiseres heeft aangevoerd ook geen reden om prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie EU. 20 Gelet op wat hiervoor is overwogen over het box 3 inkomen, dient het beroep gegrond te worden verklaard en dient te worden beslist zoals hieronder weergegeven. Proceskosten 21. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Er zijn geen voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten. Beslissing De rechtbank: verklaart het beroep gegrond; vernietigt de uitspraak op bezwaar; handhaaft de aanslag IB/PVV 2018 zoals nader vastgesteld bij de verminderingsbeschikking van 22 juli 2022 alsmede de daarbij dienovereenkomstig verminderde beschikking belastingrente en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraak op bezwaar; draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 48 aan eiseres te vergoeden. Deze uitspraak is gedaan door mr. S.E. Postema, rechter, in aanwezigheid van mr.

A.J. Kwestro, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 22 december 2022. griffier rechter Afschrift verzonden aan partijen op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (team belastingrecht), Postbus 20302, 2500 EH Den Haag. Hoge Raad 24 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1963. ECLI:NL:HR:2022:718. Besluit van 28 juni 2022, Stcrt. 2022, 17063, V-N 2022/34.3. vgl. Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 2 november 2022, ECLI:NL:GHSHE:2022:3806.