Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RBDHA:2022:12968 ECLI:NL:RBDHA:2022:12968 AI generated

ECLI:NL:RBDHA:2022:12968 · Rechtbank Den Haag

Case Number ECLI:NL:RBDHA:2022:12968
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch Bestuursrecht zaaknummer: NL22.20724 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , eiser V-nummer: [nummer] (gemachtigde: mr. S.C. van Paridon), en de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. S.H.M. Maas). Procesverloop Bij besluit van 13 oktober 2022 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Legislator headnote

AI generated

artikel 106 van de Vw; ECLI:NL:RBDHA:2022:12968 · Rechtbank Den Haag: De rechtbank volgt eiser hierin niet. Niet in geschil is dat er sprake is van een geplande aanhouding in verband met een voornemen tot inbewaringstelling. Inbewaringstelling is een inbreuk op het recht op vrijheid en dient daarom niet alleen slechts als uiterst middel te worden opgelegd, maar ook steeds zo kort als redelijkerwijze mogelijk te duren. In het onderhavige geval is de vlucht en de begeleiding tijdens deze vlucht van escorts geregeld voordat tot inbewaringstelling wordt overgegaan. Deze handelwijze getuigt van het onderkennen van het karakter van vrijheidsontneming en van de vereiste voortvarendheid van handelen indien hiertoe wordt overgegaan.

Keywords

AI generated
risk of overstaying extradition proceedings immigration law fraud expulsion despite persecution risk unlawful departure breach of entry ban

Cited Legislation

AI generated

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:RVS:2014:3597
201407108/1/V3. Datum uitspraak: 24 september 2014 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: [de vreemdeling], tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Zwolle, van 19 augustus 2014 in zaak nr. 14/18258 in het geding tussen: de vreemdeling en de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie. Procesverloop Bij besluit van 4 augustus 2014 is de vreemdeling in vreemdelingenbewaring gesteld. Dit besluit is aangehecht. Bij uitspraak van 19 augustus 2014 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
ECLI:NL:RVS:2019:1855
201902970/1/V3. Datum uitspraak: 6 juni 2019 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: [de vreemdeling], appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, van 9 april 2019 in zaak nr. NL19.7002 in het geding tussen: de vreemdeling en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Procesverloop Bij besluit van 26 maart 2019 is de vreemdeling in vreemdelingenbewaring gesteld. Bij uitspraak van 9 april 2019 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
ECLI:NL:RVS:2021:352
202006503/1/V3. Datum uitspraak: 23 februari 2021 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, van 2 december 2020 in zaak nr. NL20.20167 in het geding tussen: [de vreemdeling] en de staatssecretaris. Procesverloop Bij besluit van 21 november 2020 is de vreemdeling in vreemdelingenbewaring gesteld. Bij uitspraak van 2 december 2020 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, de opheffing van de maatregel van bewaring met ingang van die dag bevolen en de vreemdeling schadevergoeding toegekend.
ECLI:NL:RBDHA:2020:8480
RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats 's-Hertogenbosch Bestuursrecht zaaknummer: NL20.15924 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , geboren op [geboortedag] 2000, van Guinee-Bissause nationaliteit, eiser, V-nummer: [V-nummer] , (gemachtigde: mr. S.C. van Paridon), en de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder, (gemachtigde: mr. K. Bruin). Procesverloop Bij besluit van 24 augustus 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd.
ECLI:NL:RBDHA:2021:8136
RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats 's-Hertogenbosch Bestuursrecht zaaknummer: NL21.11744 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [naam] , eiser V-nummer: [nummer] (gemachtigde: mr.
AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch Bestuursrecht zaaknummer: NL22.20724 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , eiser V-nummer: [nummer] (gemachtigde: mr. S.C. van Paridon), en de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. S.H.M. Maas). Procesverloop Bij besluit van 13 oktober 2022 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Verweerder heeft op 18 oktober 2022 de maatregel van bewaring opgeheven omdat eiser op die datum is overgedragen aan Frankrijk. De rechtbank heeft het beroep op 24 oktober 2022 op zitting behandeld. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich ook laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Overwegingen 1. Eiser stelt van Jamaicaanse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedag] 1988.

2. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van de Vw 200 kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.

3. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de maatregel nodig was omdat een concreet aanknopingspunt bestond voor een overdracht als bedoeld in de Dublinverordening en een significant risico bestond dat eiser zich aan het toezicht zou onttrekken, hetgeen is gebleken uit de omstandigheden dat eiser:(zware gronden)3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;3k. een overdrachtsbesluit heeft ontvangen en geen medewerking verleent aan de overdracht aan de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn asielverzoek;(lichte gronden) 4a. zich niet aan één of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 heeft gehouden; 4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft; 4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.

4. Eiser heeft de gronden die aan de bewaringsmaatregel ten grondslag zijn gelegd niet betwist en de rechtbank concludeert niet ambtshalve dat de gronden onjuist zijn, zodat deze vast komen te staan. Deze gronden kunnen de maatregel naar het oordeel van de rechtbank dragen.

5. Eiser wijst er in beroep op dat verweerder zijn vlucht voor 18 oktober 2022 al voorafgaand aan het opleggen van de bewaringsmaatregel had geboekt. Hij stelt zich op het standpunt dat verweerder zijn inbewaringstelling achterwege had moeten laten nu er geen directe aanleiding was om hem zes dagen in bewaring te stellen alvorens hij op 18 oktober 2022 aan Frankrijk werd overgedragen. Eisers inbewaringstelling had simpelweg later (dichter op de vlucht) plaats moeten vinden. Ter onderbouwing heeft eiser gewezen op drie uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ECLI:NL:RVS:2014:3597, ECLI:NL:RVS:2019:1855 en ECLI:NL:RVS:2021:352), en de uitspraken van deze rechtbank en zittingsplaats van 1 september 2020 (ECLI:NL:RBDHA:2020:8480) en 27 juli 2021 (ECLI:NL:RBDHA:2021:8136).

6. De rechtbank volgt eiser hierin niet. Niet in geschil is dat er sprake is van een geplande aanhouding in verband met een voornemen tot inbewaringstelling. Inbewaringstelling is een inbreuk op het recht op vrijheid en dient daarom niet alleen slechts als uiterst middel te worden opgelegd, maar ook steeds zo kort als redelijkerwijze mogelijk te duren. In het onderhavige geval is de vlucht en de begeleiding tijdens deze vlucht van escorts geregeld voordat tot inbewaringstelling wordt overgegaan. Deze handelwijze getuigt van het onderkennen van het karakter van vrijheidsontneming en van de vereiste voortvarendheid van handelen indien hiertoe wordt overgegaan.

De rechtbank stelt verder vast dat op 14 oktober 2022, de tweede dag van de inbewaringstelling, een vertrekgesprek is gevoerd met eiser en eiser op 18 oktober 2022 daadwerkelijk is overgedragen aan Frankrijk. Omdat er ten aanzien van eiser een significant risico bestond dat hij zich aan het toezicht zou onttrekken en derhalve niet beschikbaar zou zijn voor de vlucht op 18 oktober 2022 en eiser in zijn gehoor heeft verklaard niet mee te zullen werken is het niet onbegrijpelijk dat verweerder eiser daarom op 13 oktober 2022 – vijf dagen voorafgaand aan de reeds geplande vlucht – in bewaring heeft gesteld.

Indien eiser niet zou zijn aangetroffen op het moment van de geplande aanhouding had immers een nieuwe poging tot aanhouding kunnen worden ondernomen. Verweerder hoeft niet te wachten met het aanhouden tot daags voor de vlucht en hoeft ook niet af te zien van de inbewaringstelling om, zoals ter zitting door gemachtigde van eiser voorgesteld, eiser de dag van de vlucht aan te houden en rechtstreeks van het AZC naar de luchthaven te brengen om aan het vereiste van voortvarend handelen te voldoen. Verweerder heeft ter zitting toegelicht dat hem ook enkele dagen tussen inbewaringstelling en feitelijke overdracht moet worden gegund omdat eiser niet de enige persoon is die in vreemdelingendetentie verblijft, er veel geregeld moet worden voor een geplande inbewaringstelling en dat verweerder ook afhankelijk is van de beschikbaarheid van voldoende personeel daarvoor.

De rechtbank overweegt dat ook gelet op deze factoren de omstandigheid dat in het onderhavige geval sprake is van tijdsverloop van enkele dagen tussen de inbewaringstelling en de feitelijke overdracht, de maatregel geen onrechtmatig karakter krijgt. Deze beroepsgrond faalt.

7. Eiser stelt zich ook op het standpunt dat verweerder de hoorplicht heeft geschonden nu het gehoor voorafgaande aan de inbewaringstelling slechts heeft plaatsgevonden als formaliteit. Voorafgaand aan het gehoor stond immers al vast dat eiser in bewaring zou worden gesteld omdat de inbewaringstelling reeds was gepland.

8. De rechtbank volgt eiser hierin niet. Uit het gehoor voorafgaande aan de inbewaringstelling blijkt dat eiser onder meer naar zijn medische omstandigheden, zijn verblijfsstatus en zijn bereidheid tot terugkeer naar Frankrijk is gevraagd en dat hij ook in staat is gesteld om argumenten aan te dragen waarom van inbewaringstelling zou moeten worden afgezien. Het voeren van het gehoor heeft dus plaatsgevonden om na te gaan of alsnog moet worden afgezien van inbewaringstelling. De stelling dat het gehoor enkel “voor de bühne” heeft plaatsgevonden volgt de rechtbank dan ook niet.

9. In verband met het voorgaande ziet de rechtbank geen aanleiding te oordelen dat de bewaring onrechtmatig is geweest en dat deze bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd was te achten. Voor zover de rechtmatigheid van de bewaring aan het ambtshalve oordeel van de rechtbank is onderworpen ziet de rechtbank evenmin grond om de bewaring onrechtmatig te achten.

10. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep ongegrond;- wijst het verzoek om schadevergoeding af. Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. S. van Lokven, rechter, in aanwezigheid van K. Postema, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: 26 oktober 2022 Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.