Legislator Case Law & Legislation
ECLI:NL:RBDHA:2022:12686 ECLI:NL:RBDHA:2022:12686 AI generated

ECLI:NL:RBDHA:2022:12686 · Rechtbank Den Haag

Case Number ECLI:NL:RBDHA:2022:12686
Court / Authority
Jurisdiction Netherlands (NL)
Decision Date

Legislator summary

AI generated

RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: SGR 21/1408 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 november 2022 in de zaak tussen [eiser] , uit [woonplaats] , eiser en het college van burgemeester en wethouders van Leiden, verweerder (gemachtigde: N. Fels). Procesverloop In het besluit van 6 oktober 2020 (primair besluit I) heeft verweerder afwijzend beslist op de aanvraag van eiser om een uitkering op grond van de Tijdelijke overbruggingsregeling zelfstandig ondernemers 1 (Tozo-1). In het tweede besluit van diezelfde datum (primair besluit II) heeft verweerder afwijzend beslist op de aanvraag van eiser om een uitkering op grond van de Tijdelijke overbruggingsregeling zelfstandig ondernemers 2 (Tozo-2).

Legislator headnote

AI generated

ECLI:NL:RBDHA:2022:12686 · Rechtbank Den Haag: Ingevolge artikel 32, eerste lid, van de Pw wordt, voor zover hier van belang, onder inkomen verstaan inkomsten uit verhuur dan wel inkomsten die naar hun aard met deze inkomsten overeenkomen en betrekking hebben op een periode waarover beroep op bijstand wordt gedaan.

Keywords

AI generated
housing costs rent deduction in supplementary benefits household income energy tax maintenance payments imputation of income

Cited Case Law

AI generated
ECLI:NL:CRVB:2011:BU9167
11/1142 WWB Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant), tegen de uitspraak van de rechtbank Middelburg van 6 januari 2011, 09/682 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellant en het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Terneuzen (hierna: College) Datum uitspraak: 6 december 2011 I. PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. B.J. van de Wijnckel, advocaat te Terneuzen, hoger beroep ingesteld. Het College heeft een verweerschrift ingediend.
ECLI:NL:CRVB:2019:2667
177959 PW Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 2 november 2017, 17/4211 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellante] te [woonplaats] (appellante) het college van burgemeester en wethouders van Rijswijk (college) Datum uitspraak: 6 augustus 2019 PROCESVERLOOP Namens appellante heeft mr. K.M. van der Boor, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend. De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld op de zitting van 14 mei 2019.
ECLI:NL:CRVB:2013:BY9337
11/3753 WWB Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam van 9 juni 2011, 11/2152 en 11/2659 (aangevallen uitspraak) Partijen: [A. te B. ] (appellante) het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college) Datum uitspraak: 22 januari 2013 PROCESVERLOOP Namens appellante heeft mr. C.M.E. Schreinemacher, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 december 2012.
ECLI:NL:CRVB:2015:1289
13/6533 WWB, 13/6534 WWB Datum uitspraak: 21 april 2015 Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 7 november 2013, 13/654 en 13/655 (aangevallen uitspraak) Partijen: [Appellante] te [woonplaats] (appellante) het college van burgemeester en wethouders van Maassluis (college) PROCESVERLOOP Appellante heeft hoger beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend. Appellante heeft nadere stukken ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 februari 2015.
ECLI:NL:CRVB:2011:BU4671
09/5899 WWB Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante), tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 22 september 2009, 09/1842 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellante en het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: College) Datum uitspraak: 15 november 2011 I. PROCESVERLOOP Namens appellante heeft mr. M.A. van Hoof, thans advocaat te Opperdoes, hoger beroep ingesteld. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 oktober 2011.
ECLI:NL:CRVB:2019:1443
175732 PW-PV Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 6 juli 2017, 16/7727 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellant] te [woonplaats] (appellant) het Drechtstedenbestuur (bestuur) Datum uitspraak: 16 april 2019 Zitting heeft: Y.J. Klik, lid van de enkelvoudige kamer Griffier: A.A.H. Ibrahim Partijen zijn niet verschenen. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep - vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover daarbij geen proceskostenveroordeling is uitgesproken; - veroordeelt het bestuur in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 1.536,-; - bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige; - bepaalt dat het bestuur aan appellant het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van € 170,- vergoedt.
AI generated

Need to analyze how this precedent applies to your matter?

Cross-reference this judgment against statutes, commentaries, and subsequent citing case law inside Legislator AI.

Open in Legislator →

Full text

RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: SGR 21/1408 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 november 2022 in de zaak tussen [eiser] , uit [woonplaats] , eiser en het college van burgemeester en wethouders van Leiden, verweerder (gemachtigde: N. Fels). Procesverloop In het besluit van 6 oktober 2020 (primair besluit I) heeft verweerder afwijzend beslist op de aanvraag van eiser om een uitkering op grond van de Tijdelijke overbruggingsregeling zelfstandig ondernemers 1 (Tozo-1). In het tweede besluit van diezelfde datum (primair besluit II) heeft verweerder afwijzend beslist op de aanvraag van eiser om een uitkering op grond van de Tijdelijke overbruggingsregeling zelfstandig ondernemers 2 (Tozo-2).

In het besluit van 11 januari 2021 (bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen de primaire besluiten I en II ongegrond verklaard. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. De rechtbank heeft het beroep op 14 september 2022 op zitting behandeld. Eiser is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Overwegingen 1. Eiser heeft op 7 april 2020 en 11 juni 2020 aanvragen ingediend om een uitkering op grond van respectievelijk de Tozo-1 en de Tozo-2.

2. Verweerder heeft de primaire besluiten gehandhaafd in het bestreden besluit. Verweerder heeft vastgesteld dat eiser € 1.720,- aan huurinkomsten per maand ontvangt uit de verhuur van drie kamers in zijn woning. Daarop heeft verweerder een bedrag van € 64,79 per kamerbewoner in mindering gebracht voor gas-, water- en elektriciteitskosten. Dit bedrag is gebaseerd op cijfers van het Nibud. De overige door eiser opgegeven kosten worden niet in mindering gebracht omdat dit verwervingskosten betreffen. Deze berekening leidt tot de conclusie dat de inkomsten van eiser uit de verhuur van de drie kamers hoger waren dan de voor eiser van toepassing zijnde bijstandsnorm, aldus verweerder. Om die reden komt eiser niet in aanmerking voor een uitkering op grond van de Tozo-1 en de Tozo-2 3. Eiser meent dat hij wel recht heeft op een Tozo-uitkering. Daartoe voert hij – kort gezegd – aan dat de inkomsten uit zijn bedrijf immers met 20% zijn gedaald en dat zijn inkomsten uit de verhuur van kamers lager waren dan de voor hem van toepassing zijnde bijstandsnorm doordat hij ook kosten heeft.

4. Uit artikel 1 van de Tozo in verbinding met artikel 11 van de Participatiewet (Pw) volgt dat eiser alleen dan voor algemene bijstand op grond van de Tozo in aanmerking komt als zijn netto inkomen ten tijde van belang onder de voor hem geldende bijstandsnorm ligt.

5. De stelling van eiser dat de inkomsten uit zijn bedrijf met 20% zijn gedaald en hij daarom recht heeft op een uitkering op grond van de Tozo-1 en -2 treft geen doel. Uit artikel 1 van de Tozo-1 en -2 in samenhang met artikel 11 van de Pw volgt immers dat voor de vraag of eiser recht heeft op een uitkering ingevolge de Tozo-1 en -2, bepalend is of zijn netto inkomen onder de voor hem geldende bijstandsnorm lag. De vraag of zijn inkomsten uit zijn bedrijf met 20% zijn gedaald is voor de toepassing van de Tozo-1 en -2 dus niet van belang.

6. In de te beoordelen periode bedroeg op grond van artikel 21 van de Pw de voor eiser van toepassing zijnde bijstandsnorm € 1.052,32 tot 1 juli 2020 en met ingang van 1 juli 2020 € 1.059,03.

7. Ingevolge artikel 32, eerste lid, van de Pw wordt, voor zover hier van belang, onder inkomen verstaan inkomsten uit verhuur dan wel inkomsten die naar hun aard met deze inkomsten overeenkomen en betrekking hebben op een periode waarover beroep op bijstand wordt gedaan.

8. De rechtbank overweegt dat in de nota van toelichting bij de Tozo-1 en -2 expliciet vermeld is dat het uitgangspunt bij het vaststellen van het inkomen het inkomensbegrip van artikel 32 van de Pw is. In artikel 6 van de Tozo zijn enige afwijkende bepalingen opgenomen. In de toelichting bij artikel 6 van de Tozo is opgenomen dat op grond van artikel 78f van de Pw kan worden afgeweken van artikel 32 van de Pw. In de toelichting wordt ingegaan op de uitzonderingen die in dit besluit zijn gemaakt ten aanzien van het inkomensbegrip in de Pw. Uit de tekst van de Tozo en de toelichting daarop blijkt niet dat ervoor is gekozen om een uitzondering te maken voor inkomsten uit verhuur van kamers in privé-eigendom. Dit betekent dat verweerder de inkomsten uit verhuur van kamers terecht heeft aangemerkt als inkomen als bedoeld in artikel 32, eerste lid, van de Pw.

9. Vast staat dat maandelijks een bedrag van € 1.720,- aan inkomsten uit verhuur werd gestort op de bankrekening van eiser in de periode in geding. Niet in geschil is dat hij vrijelijk kan beschikken over die bankrekening en daarmee over deze inkomsten.

10. Eiser betoogt dat de feitelijke kosten van gas, water en elektriciteit en ook een aantal andere kosten in mindering dienen te worden gebracht op zijn inkomsten uit verhuur. Hij voert de volgende kosten op: hypotheeklasten, elektra, water, verzekering, internet, materiaal action, materiaal gamma, materiaal hartwijk, materiaal karwei en WOZ-belasting. Omdat hij drie kamers verhuurt, voert hij ¾ van de voormelde kostenposten op en brengt dat bedrag in mindering op de maandelijks door hem ontvangen € 1.720,-. Dit betekent dat hij slechts € 794,46 aan netto inkomsten had per maand. Daarmee zijn zijn inkomsten lager dan de voor hem van toepassing zijnde bijstandsnorm als neergelegd in artikel 21 van de Pw. Bovendien moeten ook zijn schulden op zijn inkomsten in mindering worden gebracht, aldus eiser.

11. De rechtbank overweegt dat volgens vaste rechtspraak artikel 32, eerste lid, van de Pw, geen ruimte biedt om bij de vaststelling van het in aanmerking te nemen inkomen de verwervingskosten te verrekenen. Bij het bepalen van inkomen uit verhuur van (kamers in) een koopwoning dienen naar vaste rechtspraak de aan de koopwoning verbonden lasten als verwervingskosten buiten aanmerking te blijven. De wetgever heeft de feitelijk ontvangen en daarmee te besteden middelen, na aftrek van de daarover verschuldigde belasting en premies, als inkomen in aanmerking willen nemen en niet het inkomen onder aftrek van de verwervingskosten.

12. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat het inkomen van eiser boven de voor hem geldende bijstandsnorm lag in de periode in geding. Met netto inkomsten wordt blijkens de onder 11 vermelde uitspraken bedoeld de bruto inkomsten waarop de verschuldigde belasting en premies in mindering worden gebracht. De door eiser opgevoerde kosten als hypotheeklasten, WOZ-belasting en materiaalkosten mogen niet in mindering worden gebracht, omdat deze kosten zien op de lasten die verbonden zijn aan de koopwoning van eiser.

Nu uit voormelde rechtspraak volgt dat deze kosten niet kunnen worden verrekend met de inkomsten uit verhuur, ligt het inkomen van eiser reeds daarom boven de voor hem geldende bijstandsnorm – nog daargelaten de vraag of de overige door eiser opgevoerde kosten in mindering dienen te worden gebracht op de inkomsten uit verhuur. Verweerder heeft bovendien uit mogen gaan van een normbedrag van € 64,79 per kamerbewoner aan gas- water- en elektriciteitskosten. Eiser heeft namelijk niet met objectieve en verifieerbare gegevens onderbouwd dat dit normbedrag per huurder onvoldoende is en dat de aftrek van die kosten ertoe zou leiden dat zijn inkomsten lager zijn dan de voor hem geldende bijstandsnorm.

Tot slot is het vaste rechtspraak dat schulden niet kunnen worden afgewenteld op de bijstand, zodat verweerder geen rekening behoeft te houden met de door eiser opgegeven schulden. Het betoog van eiser slaagt daarom niet.

13. Gelet op het voorgaande heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank terecht afwijzend beslist op de aanvragen van eiser om een uitkering op grond van de Tozo-1 en de Tozo-2. Het bestreden besluit houdt daarom stand.

14. Het beroep is ongegrond.

15. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. M.P. Verloop, rechter, in aanwezigheid van mr. E.L. Denters, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 7 november 2022. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Bent u het niet eens met deze uitspraak? Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Staatsblad 2020, 118, blz.

12. Staatsblad 2020, 118, blz.

34. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 6 december 2016, ECLI:NL:CRVB:2011:BU9167 en van 6 augustus 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:2667. Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de CRvB van 22 januari 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BY9337 en 21 april 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1289. Zie de uitspraak van de CRvB van 15 november 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BU4671. Zie de uitspraak van de CRvB van 16 april 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:1443.