ECLI:NL:RBDHA:2022:12604 · Rechtbank Den Haag
Legislator summary
AI generatedRECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: AWB 21/3372 uitspraak van voorzieningenrechter van 1 juni 2022 in de zaak tussen [verzoekster] V-nummer: [V-nummer] , verzoekster (gemachtigde: J.S. Roseval), de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid (verweerder). Procesverloop Verweerder heeft bij besluit van 28 mei 2021 de aanvraag om een verblijfsvergunning met als doel ‘verblijf als familie- of gezinslid bij [A] ’, afgewezen. Verzoekster heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Overwegingen 1. De voorzieningenrechter doet op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.
Legislator headnote
AI generatedartikel 8:82 van de Awb, artikel 8:41 van de Awb; ECLI:NL:RBDHA:2022:12604 · Rechtbank Den Haag: Roseval), de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid (verweerder). Procesverloop Verweerder heeft bij besluit van 28 mei 2021 de aanvraag om een verblijfsvergunning met als doel ‘verblijf als familie- of gezinslid bij [A] ’, afgewezen. Verzoekster heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Overwegingen 1. De voorzieningenrechter doet op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.
Keywords
AI generatedCited Legislation
AI generatedRelated Decisions
AI generatedFull text
RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: AWB 21/3372 uitspraak van voorzieningenrechter van 1 juni 2022 in de zaak tussen [verzoekster] V-nummer: [V-nummer] , verzoekster (gemachtigde: J.S. Roseval), de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid (verweerder). Procesverloop Verweerder heeft bij besluit van 28 mei 2021 de aanvraag om een verblijfsvergunning met als doel ‘verblijf als familie- of gezinslid bij [A] ’, afgewezen. Verzoekster heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Overwegingen 1. De voorzieningenrechter doet op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.
2. Iemand die een verzoek om een voorlopige voorziening indient, moet griffierecht betalen. In een zaak als deze bedraagt het griffierecht € 181,-. De griffier van de rechtbank stelt een termijn waarbinnen het griffierecht moet worden betaald. Als het griffierecht niet (op tijd) wordt betaald, is de hoofdregel dat de voorzieningenrechter het verzoek niet inhoudelijk mag behandelen. Soms is dat anders. Dan is er een geldige reden waarom het griffierecht niet door de rechtbank is ontvangen. Het gaat dan om omstandigheden waar verzoekster niets aan kan doen.
3. De griffier heeft bij aangetekend verzonden brief van 1 februari 2022 verzoekster in de gelegenheid gesteld het griffierecht binnen twee weken te betalen. Het griffierecht is niet door de rechtbank ontvangen. Verzoekster heeft het griffierecht dus niet binnen de gestelde termijn betaald en heeft hiervoor geen (geldige) reden gegeven.
4. Het verzoek is daarom kennelijk niet-ontvankelijk.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk. Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.A. Schaaf, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. N.R. Hoogenberk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 1 juni 2022. griffier voorzieningenrechter Afschrift verzonden aan partijen op: Tegen deze uitspraak kunt u niet in hoger beroep of in verzet. Zie artikel 8:82 van de Awb en artikel 8:41 van de Awb.